kvo 48e jaargang nummer 11 november 1984

J.E.v.d.Brink

Het gebed om vrijmaking

Het gebeurt dikwijls dat ik wordt opgebeld door mensen, die wegens aanvallen van de boze, in grote nood verkeren. Zo kreeg ik onlangs kontakt met een moeder, die mij vertelde dat haar kind geestelijk zwaar werd geattaqueerd. Reeds in haar prille jeugd sloeg de vijand toe. Het kind zag dan een fototoestel op zich afkomen waar ze in werd geduwd. Het nam haar mee door het raam en al vliegende zag ze allerlei angstaanjagende gestalten, die haar verschrikten. De moeder kende onze boodschap. Ze wist dat haar dochtertje in haar geheiligd moest zijn, zoals alle kinderen in hun gelovige ouders. Wij hebben een claim op hen en daarom laten we ze nooit los, ook al duurt de strijd soms jaren en al lijken ze voor ons onbereikbaar geworden. Dit is dan een vorm van vasten, 'dat wij ons niet onttrekken aan eigen vlees en bloed' (Jes.58:7). Ik raadde daarom de moeder aan om iedere avond voor het slapen haar dochtertje de handen op te leggen, met haar te bidden en de occulte geesten in de naam van Jezus te weerstaan en te verdrijven.

Op een maandagmorgen enkele weken geleden kreeg ik binnen een uur drie keer zulke noodseinen. Allereerst was er een vrouw van 67 jaar die klaagde: 'Ik ben mijn verstand helemaal kwijt. Ik leef in het verleden en kan niet meer vooruit. Ik doe niets dan kreunen en schreeuwen. De satan heeft mij te pakken. De duivel zit in mij en ik lijd er verschrikkelijk onder. Mijn hoofd is kapot'. Toen ik de vrouw zo aanhoorde, dacht ik aan de belofte: 'In de hoge en in het heilige woon Ik en bij de verbrijzelde en nederige van geest, om de geest der nederigen en het hart der verbrijzelden te doen opleven' (Jes.57:15). De duivel met zijn demonen verbrijzelt en vernedert de mens, maar onze God wil door ons in wie Hij woont, de verslagenen van geest weer herstellen.

De tweede was een patiënt uit een inrichting, die wekelijks met mij kontakt opneemt. Hij is zwaar bezet gebied maar in zijn hart verlangt hij naar verlossing en bevrijding om de Here te kunnen dienen. Voor mij wel een duidelijk bewijs dat een kind van God gebonden kan zijn. Wanneer de nood in zijn leven hoog is, belt hij op om bijstand te vragen in de strijd. Hij is trouwens niet de enige die per telefoon vanuit een inrichting mij benadert.

De derde was een man die mij vroeg hoe ik over masturberen denk. Hij is ongehuwd en wordt telkens onder pressie gezet om zichzelf te bevredigen. Hij was er niet zeker van of deze handeling bij hem wel zonde was. Ook in zogenaamde christelijke kringen spreekt men tegenwoordig hier vol begrip over. Dat hij mij opbelde, was toch wel het gevolg van schuldgevoelens en twijfel of dit alles wel zo onschuldig is. Zijn geweten was niet in de rust. Ik wees hem op het onnatuurlijke van zijn handeling. De apostel zou kunnen schrijven dat ook door deze onreine daad het lichaam onteerd wordt. Het wordt geschonden en bezoedeld evenals bij homosexuele praktijken (Rom.1:24). Uit de gesprekken die ik in de loop der jaren met vele van zulke personen gehad heb, weet ik dat een huwelijk meestal geen oplossing voor dit kwaad is.

Na zulke gesprekken wordt verwacht dat ik met de betreffende personen ga bidden. Zij zijn mij echter veelal volslagen onbekend en de tijd ontbreekt om een uitvoerig gesprek met hen te hebben over hun geestelijke toestand. Welke machten moet ik aanspreken en in de naam van Jezus binden en uitdrijven? Hoe reageren die geesten erop? De apostel schreef: 'Wij weten niet wat wij bidden zullen naar behoren (Rom.8:26). Bidden betekent je bewegen in de hemelse gewesten en daar bezig zijn, en wel aan de zijde van het licht. Met welke geesten wordt ik in zulke gesprekken geconfronteerd en welke woorden moet ik kiezen om het slachtoffer uit hun greep los te maken? Wel is het mij duidelijk dat ik dan te maken heb met de zuchtende schepping want anders zou men mij niet zo vroeg in de ochtend bellen. Men heeft waarschijnlijk een zware nacht achter de rug. Men is onvrijwillig aan de vruchteloosheid onderworpen, dat wil zeggen dat men het doel dat God met hem of haar heeft, niet kan bereiken. Er staat in Romeinen 8:19 dat de schepping wacht op het openbaar worden der zonen Gods. Dit is gelukkig nog geen uitzien naar het openbaar zijn van de zonen Gods maar naar het openbaar worden. Wij behoeven niet eerst volmaakt te zijn, voordat God door ons zijn bevrijdend en herstellend werk kan volbrengen. Wel moeten we gerechtvaardigd zijn door het geloof en zelf van de vijand zijn verlost. Volmaakt zijn houd in dat we na vrijmaking ook geheel genezen zouden moeten zijn en volgroeid, maar dit proces vergt tijd. Ook Jezus nam bij zijn openbaring als Zoon van God toe in wijsheid en in genade. Het is alsof Paulus ons zeggen wil: jaag naar deze openbaring, want de vrijmaking van de schepping houdt gelijke tred met dit proces van volmaking. De zekerheid die wij mogen hebben, dat we naar de innerlijke mens veranderen en steeds meer de heerlijkheid des Heren weerkaatsen, is voor ons zo'n vreugde, dat het lijden en de beproevingen die we nog hebben, niet opwegen tegen deze glorie. We weten dat wij, die de Geest als eerste gave of als eerstelingsvrucht hebben ontvangen , ook de eersten zullen zijn die de herstellende genade, de wetmatigheid, de vrede en de gerechtigheid van Het Koninkrijk Gods te midden der overweldigde schepping mogen manifesteren.

Van ons wordt verwacht dat wij de heerlijkheid van Jezus Christus gaan weerspiegelen. De apostel zegt: 'Thans zien wij in een wazige spiegel; straks van aangezicht tot aangezicht. Thans kennen wij slechts ten halve; straks ten volle' (1 Cor. 13:12 Can.vert). Wij zien in de spiegel om het beeld van Christus erin waar te nemen. Deze spiegel is echter beslagen en geeft zijn gestalte onduidelijk weer. De spiegel is wazig, omdat aangaande het leven en spreken van onze Heer zo weinig informatie is overgebleven (Joh.21:25). Tot zijn discipelen die toch drie jaren lang met Hem verkeerd hadden, sprak Jezus: 'Ben Ik zolang bij u, en kent gij Mij niet?' (Joh.14:9). Hoeveel te meer geldt dit voor ons, die Hem liefhebben, zonder Hem te hebben gezien (1 Petr.1:8). Verder is het beeld van Christus nog door verkeerde voorstellingen, wanbegrippen en dwalingen bij velen versluierd.

Als wij ijveren naar de liefde tot God en tot onze medebroeders en ook jagen naar de uitingen des geestes, waaronder de kennis en de wijsheid aangaande het Koninkrijk Gods, zijn we op de weg gekomen, die nog veel verder omhoog voert. dus naar de volkomenheid. Dan verdwijnt het wazige en het onduidelijke om plaats te maken voor het juiste beeld van Christus in de innerlijke mens. Ondanks dit groei- en zuiveringsproces zuchten ook wij nog, omdat wij de voltooiing van de volle vrucht des Geestes nog niet hebben voortgebracht. Ook de Heilige Geest in ons zucht met ons mee, omdat deze beter in een gaaf en volwassen christen kan werken, dan in een onvolkomen gelovige. Paulus schrijft: het zoonschap betekent voor ons 'de verlossing van ons lichaam' en dit niet in de betekenis dat dit gebeurt bij ons sterven of tijdens de metamorfose in een punt des tijds bij de wederkomst des Heren, maar dat ons geestelijk zowel als ons stoffelijk lichaam bevrijd wordt van alle vijanden, die beide onderdrukken en trachten hen nog voor hun doeleinden te gebruiken (Rom.8:23,26). Daarom schrijft de apostel ook: 'Hij de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam mogen bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in alle delen onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept is getrouw, Hij zal het ook doen' (1 Thess.5:23).

Van welke liefde en barmhartigheid van onze Heer getuigt het, wanneer Hij na onze bekering - als wij nog niet van al onze vijanden verlost en nog niet volkomen zijn - ons doopt met de Heilige Geest. Hierin blijken wel het vertrouwen en het geloof van God in de herschepping. Wanneer wij dan zuchten onder de druk van de vijand, zucht de Geest ook met onuitsprekelijke verzuchtingen, want dit zuchten wordt niet door mensen gehoord. Wanneer wij de strijd inzetten om ons eigen levenshuis of dat van een broeder en zuster te reinigen, komt de Geest ons te hulp. Hij draagt dan de last met ons met de bedoeling de druk te verlichten. De uitdrukking 'te hulp' komt ook voor in Lucas 10:40 waar Martha tot Jezus zegt, dat Maria haar zal moeten 'helpen'.

Wanneer wij niet weten wat wij zullen bidden, dus niet weten met welke woorden en namen de vijand moet worden aangesproken, behoeven wij toch niet te zijn als iemand die naar zijn beste weten maar een greep doet en daarbij wellicht 'in de lucht slaat', omdat hij de tegenstander niet juist heeft geïdentificeerd. Hierdoor zou de boze geest zich immers aan het gezag van de christen kunnen onttrekken. Verder zijn er 'dove adders' dat wil zeggen demonen die zich doof houden voor het gezagswoord van de mens Gods (Ps.58:5). Ook wanneer de geesten zich misschien zelf openbaren, moeten we er altijd nog rekening mee houden, dat ze leugenaars zijn en zich kunnen uitgeven voor persoonlijkheden die ze niet zijn. Het is geen wonder dat de Heer - ons tot voorbeeld - de machten zo vaak aansprak met een naam, die in verband stond met het kwaad dat zij hadden berokkend: dove, blinde, onreine geesten ofwel een geest van zwakheid die bij iedere ziekte geconstateerd kan worden.

In de strijd in de hemelse gewesten is het evenwel mogelijk om rechtstreeks met het zwaard des Geestes de overwinning te behalen, namelijk wanneer wij ons laten inspireren door de Heilige Geest, die kennis draagt van alle dingen en de waarheid en de werkelijkheid kent. In het geloof spreken wij dan de bestraffing in tongen uit. Wij weten dan dat de boze machten zich in geen enkel opzicht aan ons gezag kunnen onttrekken. Wij zeggen namelijk dingen 'zoals de Geest ons geeft uit te spreken' (Hand.2:4). De Geest is dan onze zwakheid te hulp gekomen. Hij pleit voor de heiligen, dat wil zeggen dat Hij het voor hen opneemt (Rom.8:26,27). Is het wonder dat Paulus dankte dat hij meer dan iemand anders in tongen sprak? Hij was dan immers bezig in de hemelse gewesten en de resultaten werden op aarde zichtbaar. Hij zei: 'Ik zal bidden met mijn geest, maar ook bidden met mijn verstand;ik zal lofzingen met mijn geest, maar ook lofzingen met mijn verstand. Wij zouden er kunnen bijvoegen; ik zal demonen verdrijven met mijn geest, maar ook met mijn verstand. Het is niet toevallig dat Jezus direct op zijn woorden: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, liet volgen: in nieuwe tongen zullen zij spreken (Marc.16:17). Het spreken in tongen heeft een geweldige geestelijke inhoud, 'doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem een dwaasheid' (1 Cor.2:14).

Wanneer ik terugzie naar de omstandigheden waaronder ik dikwijls voor mijzelf of voor anderen bidden moet, constateer ik dat ik inderdaad met mijn verstand op grond van de kennis en de wijsheid die ik bezit aangaande het Koninkrijk der hemelen, de machten kan aanspreken. Vaak schieten mijn kennis en inzichten echter te kort, zoals bij voornoemde telefoongesprekken, maar ook bij kinderen, die hun ervaringen zelf nog niet kunnen verwoorden. Ook kom ik wel in aanraking met een soort demonen, die ik helemaal niet onderscheid of thuis kan brengen. Waarom zou ik dan niet bewust gebruik maken van de kennis, hulpvaardigheid en kracht van de Heilige Geest in mij? Paulus zei, dat wie in tongen bidt, door de Geest geheimenissen spreekt, dus dingen die voor ons die nog niet ten volle kennen, verborgen zijn. Hij schreef: 'Ik heb geloofd en daarom heb ik gesproken'. Deze manier van machten bestrijden berust enkel op het geloof in Gods Woord. Zij is voor de gelovige eenvoudig en doeltreffend!

Zie voor andere artikelen kvooverz