kvo 48e jaargang nummer 9 september 1984

J.E.v.d.Brink

Het ISRAEL GODS

Geen personele unie

In de 'Breekt uit in gejuich'- bundel is er een lied, waarvan het eerste couplet luidt: 'Het volk van God, zijn Israël, besnedenen van hart; dat door geloof volgt Abrahams spoor; het is een volk apart'. Graag wil ik de vraag beantwoorden: wie behoren tot dit volk van God en wie vormen het Israël Gods?

De deputaten voor Kerk en Israël van de gereformeerde kerken hebben onlangs tijdens een synodevergadering erop gewezen, 'dat christenen en Joden samen kunnen leven in diepe verbondenheid. Het doel is namelijk hetzelfde. Samen zijn we op weg naar het Koninkrijk van God. Daarbij is gaandeweg ook een gesprek mogelijk over de betekenis van Jezus Christus' (Centraal weekblad van 13 april 1984). Denkt u eens in: een volk zonder Christus leeft 'in diepe verbondenheid' met een volk dat in Christus is, dus dat hem toebehoort. Al discussiërend over de betekenis van Christus zouden zij samen op weg zijn naar het Koninkrijk Gods. Is men dan samen op één weg, of voert men het gesprek over de haag, die de twee wegen scheidt maar die uiteindelijk één weg moeten vormen om het ene doel te bereiken? Men kan toch het Koninkrijk Gods niet langs twee wegen binnengaan, want Jezus sprak dat wie van elders inklimt, een dief en een rover is.

Wanneer een vorst over twee los van elkaar staande rijken regeert, spreekt men van een personele unie. In mijn bezit is nog een atlas waar Luxemburg bij Nederland hoort. Koning Willem III was immers groothertog van Luxemburg. Beide landen hebben nog steeds dezelfde vlag. Zijn wij nu met het joodse volk verbonden door een personele unie onder dezelfde God? Hoe zit het dan met zijn zoon, zijn erfgenaam, die door de ene partij wel en door de andere niet wordt geaccepteerd? Sprak Jezus niet: 'Niemand komt tot de Vader dan door Mij? De apostel der liefde schreef: 'Een ieder, die verder gaat en niet blijft in de leer van Christus, heeft God niet; wie in die leer blijft, deze heeft zowel de Vader als de Zoon' (2 Joh.9). Wij wijzen daarom deze synthese op grond van de uitspraken der schrift van de hand. Bij het 'verder gaan' brengt zij ook de Islam en wellicht nog andere godsdiensten onder de oecumenische noemer 'samen op weg'. Ik bid dat men in de pinksterbeweging nu eens gaat inzien, hoe onschriftuurlijk het geestelijk samengaan met het natuurlijk volk der Joden is. Dit kan alleen als de christenen het einddoel van de weg niet meer zien, namelijk het hemelse Jeruzalem en de tempel Gods in de geestelijke wereld. De bestemming van Israël ligt immers op de aarde: eigen land, eigen stad en liefst de herbouw van de tempel op de berg Sion als centrum van zijn religie. Om de distantie uit te drukken van het ware christendom met het natuurlijke volk der Joden, sprak onze Heer: 'Ik ben van boven; gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van de wereld' (Joh.8:23).

Er is maar één volk van God, één Israël Gods, zoals de apostel schreef: 'U, eens niet zijn volk, nu echter Gods volk' (1 Petr.2:10). We leggen daarom vrijmoedig beslag op de naam 'geestelijk Israël' of 'Israël Gods', met uitsluiting van allen die onze Here Jezus Christus niet liefhebben en toebehoren.

Het judaïsme

Het is nuttig om het verband te kennen waarin Paulus de uitdrukking 'Israël Gods' bezigt. In de laatste pericoop van zijn brief aan de Galaten schrijft hij over zijn probleem met het nieuwtestamentische judaïsme. Dit is een leer die het samengaan van het christendom en jodendom beoogt. Het oude zou nog vele rechten bezitten en nog zulke waardevolle voorschriften en wetten hebben, dat men zich daar zonder meer niet van los mocht maken. Het judaïsme tracht een synthese of verbinding te zijn van de christelijke met de joodse religie. Terwille van de verdraagzaamheid en eenheid zou men niet met het oude mogen breken, maar samen op weg moeten gaan naar het Koninkrijk Gods.

In vers 12 van het zesde hoofdstuk stelt de apostel, dat de judaïsten de christenen 'trachtten te dwingen tot de besnijdenis', wat regelrecht tegen de opvattingen van de apostel des Heren inging. Deze vaak rondtrekkende predikers hoopten daarmee de vervolgingen van joodse zijde te ontgaan door het christendom te verbinden met het joodse ritueel. Het zou dan op deze wijze als een van de joodse 'modaliteiten' gezien kunnen worden. De Joden keken immers minachtend neer op hen die zich bij de gemeenten hadden gevoegd, waar de genade werd geleerd zonder werken der wet. De goed bedoelende judaïsten wilden deze tegenstelling tussen de bestaande synagogen en de gemeente verdoezelen. Zij waren immers allen kinderen van één Vader, de God van Abraham, Izak en Jakob. De 'onverdraagzame' Paulus merkt echter op, dat zij zo spraken 'alleen om niet vervolgd te worden terwille van het kruis van Christus'. Ze bleven dus ook nog in werken en inzettingen geloven als middel tot behoud. Het standpunt van de apostel was evenwel: wie het christendom met het Mozaïsche systeem verbindt, is een vijand van het kruis, dus van de christelijke leer tot zaligheid.

De judaïserende broeders genoten van de geestelijke begaafdheden in de door Paulus gestichte gemeenten: het spreken in tongen, de profetie, de geestvervoeringen, de lof en de prijs, zaken die in de oude kerk niet werden gevonden. Zij vormden een charismatische beweging die de banden met de historische kerk, die reeds vanaf de Sinaï vijftien eeuwen functioneerde, niet wilde verbreken. Voor het onderhouden van de joodse feestdagen waren de Galaten al bezweken, maar nu kwam hun grote test, namelijk of zij zich ook wilden laten besnijden (4:10). Door deze daad verbonden zij zich in de zichtbare wereld volkomen met het jodendom, dat met uitzondering van een overblijfsel, zich vijandig opstelde tegen het evangelie van Jezus Christus. De judaïsten in de oerchristelijke gemeenten trachtten hun medegelovigen uit de heidenen tot jodengenoten te maken. Om de Joden gunstig te stemmen wilden zij zelfs in de gemeenten de besnijdenis met geweld invoeren onder de slogan: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden (Hand.15:1). Hiermee demonstreerden ze hoe ijverig ze wel waren. Het ging evenwel om een uiterlijk teken, maar niet om de besnijdenis des harten welke in de geestelijke wereld waarde heeft. Deze wetsbetrachtende christenen uit Joden en heidenen vonden het heerlijk om niet langer door het officiële jodendom verstoten te worden. Telde ook Jeruzalem niet talrijke charismatische priesters, die ijverden voor de wet? (Hand.6:7). Zij werden niet vervolgd, maar Stéfanus die gezegd had dat de Allerhoogste niet in een tempel woont, die met handen gemaakt is, werd gestenigd. Paulus had deze gebeurtenis van nabij meegemaakt en na zijn bekering was Stéfanus een lichtend voorbeeld. Men moet de consequenties van zijn geloof aanvaarden en dit leidt onvermijdelijk tot een breuk met de historische kerk. In hoofdstuk 5:2 had Paulus al opgemerkt, dat de besnijdenis hun geen nut deed, evenmin als dit het geval is met het dragen van een Davidster, het opzetten van een keppeltje of het vieren van de sabbat.

In vers 14 begint Paulus ook te roemen, maar alleen in het kruis van Christus. Daar kwam het oude verbond tot zijn einde om over te gaan in het nieuwe. Daar kwam ook de verlossing tot stand uit de macht van de satan, wat de wet nooit had kunnen schenken. Daar werd de vijand ontmaskerd en daar eindigde de macht van de dood over het leven. Aan het kruis werd de wereld voor Paulus gekruisigd en hij voor de wereld. De wereld was hier de omgeving waaruit de apostel was gekomen. Zij betrof zijn afkomst, zijn farizeeërschap, en zijn ijveren voor de wet. Dit was de wereld die aan de werken van het vlees stof tot roemen gaf en waarop hij eenmaal zijn vertrouwen had gesteld.

In 2 Timotheüs 2:11 schrijft de apostel, dat hij met Christus aan het kruis was gestorven. Hij identificeerde zich dus met het lijden en sterven van zijn Heer. Hij was samengegroeid met hetgeen gelijk was aan diens dood (Rom.6:5). Jezus stierf niet vanwege een plotselinge uitbarsting van haat bij de Joden, maar als gevolg van een proces van toenemende vijandschap tegen zijn prediking. Het ogenblik brak dan ook aan dat onze Heer geen enkele gemeenschap meer met de 'wetsgetrouwe' leidslieden had. De godsdienstige wereld van zijn tijd was voor Hem dood en zo verging het ook Paulus. Het uitgeworpen worden, de boycot, de haat waren ook voor hem een reële zaak.

De besnijdenis is een uiterlijk teken, dat geen enkele geestelijke baat schenkt. 'Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is' (vers 15). Ook de afwezigheid van de besnijdenis legt geen enkel gewicht in de schaal. Het kruis heeft echter de macht om een besneden Jood en een onbesneden heiden tot een nieuwe schepping te maken. God schept een nieuw bestaan met nieuwe afmetingen. De woorden uit het oude verbond krijgen dan een diepere en geestelijke betekenis, zoals: besnijdenis, sabbat, zaad van Abraham en het Israël Gods.

De gemeente, het Israël Gods

De nieuwe schepping is hemels georiënteerd. De regel is: de christen laat zich begraven in zijn doop en wie begraven is, staat buiten de wereld, heeft er geen deel meer aan. Dan wordt het opstandingsleven vanuit de hemel werkelijkheid. De regel is ook: niet de wet maar de Geest leidt: 'Indien wij door de Geest leven, laten wij ook door de Geest het spoor houden' (5:25). Zij die dit belijden zijn het Israël Gods. De vertaling Brouwer luidt in vers 16: 'En moge op allen die zich door deze regel laten leiden, vrede rusten en barmhartigheid: zij zijn toch het Israël Gods', in plaats van 'en ook over het Israël Gods'

Kenneth Wuest, professor in het nieuwtestamentisch Grieks aan het Moody Bible Institute schrijft in zijn boek 'Galatians in the Greek Testament' bij vers 16: 'Zij die hun leven door de Heilige Geest laten controleren, vormen het Israël Gods, en niet de Joden die de naam Israël dragen maar die alleen kinderen van Abraham naar het vlees zijn. Het Griekse woord voor 'en' heeft ook de betekenis van 'namelijk'. Wij vertalen hier 'namelijk het Israël van God' om hen, 'die overeenkomstig deze regel leven', te identificeren'.

Ook vanuit de besproken context is het niet mogelijk dat hier het natuurlijk volk Israël bedoeld zou zijn. Paulus heeft het over het geestelijk Israël, de edele olijfboom, waarvan de vruchtbare takken hun levenskracht ontlenen aan 'de saprijke, heilige wortel' van de woorden en beloften van God. Het gaat hier over de gemeente van Jezus Christus, bestaande uit besnedenen en onbesnedenen. Zij vormen ook de stad Gods, het nieuwe Jeruzalem, en zij zijn de woonstede van God in de geestelijke wereld.

Hebben wij dan met het natuurlijke Israël afgerekend? Neen, want wanneer wij een kind hebben dat het geloof van zijn ouders niet deelt, blijven wij het toch tot het gezin rekenen. Wij blijven ervoor bidden en het claimen voor het Koninkrijk Gods. Zo bad Paulus voor zijn 'verwanten naar het vlees'. Er blijft een natuurlijke en historische verbondenheid, want het heil is uit de Joden. Wat het geestelijke evenwel betreft, schrijft de apostel verder: laat mij met rust, want ik draag de stigmata van Jezus in mijn lichaam, dus de tekenen van roeden, de steniging en de geselingen. Hij spreekt: 'Ik draag', want zij betekenden een zware last. Wat een vijandschap had hij al van de judaïsten ondervonden. Hij bedoelt: laat dit nu in mijn eigen gestichte gemeenten uit de heidenen zich niet herhalen. Ook het tegenwoordig judaïsme dat het christendom geestelijk met het jodendom tracht te verbinden, stelt zich maar al te vaak vijandig op tegen het Israël Gods. Moge velen van deze broeders nog de ogen worden geopend voor de geestelijke werkelijkheid.

zie voor andere artikelen kvooverz