kvo 48e jaargang nummer 8 augustus 1984

Wilkin v.d.Kamp

Koninklijke bedelaars

Zalig de armen van geest,

want hunner is het Koninkrijk der Hemelen

Er heerst veel onbegrip en zelfs irritatie rond de bovenstaande zaligspreking van Jezus in Mattheus 5. Onbegrip, omdat niet begrepen wordt wie de 'armen van geest' zijn. Irritatie, omdat 'arm van geest' zijn nu niet bepaald zaligmakend te noemen is.

Wat bedoelt Jezus werkelijk aan het begin van de bergrede te zeggen? Voor een antwoord op deze vraag moeten we ons verdiepen in: wanneer spreekt Jezus deze zaligspreking uit, waar en waarom?

De profetie vervuld

Na de verzoeking in de woestijn en de eerste genezingen in de Galilea wordt Jezus gevolgd door vele scharen. Joden, maar ook heidenen hebben belangstelling voor de leer van Jezus Christus. Toch maakt Jezus zich nog niet bekend als de Messias. Hij gaat eerst naar Nazareth, waar Hij is opgevoed en iedereen Hem kent. In de synagoge van zijn vaderstad treedt Jezus wel op. Hij leest Jesaja 61 en wijst Zichzelf als de geestelijke vervuller ervan aan: ' De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft...' In Hem is de profetie volle werkelijkheid geworden en zijn stadgenoten hebben het eerste recht te horen dat Hij de Verlosser is, waarop ze zo lang gewacht hebben. Met de profetie uit Jesaja maakt Jezus duidelijk waarvoor Hij gekomen is: '...om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren!' (Lucas 4:16-18).

Het Jubeljaar

Jezus verkondigt het 'aangename jaar des Heren'. Naar alle waarschijnlijkheid wordt hiermee het jubeljaar bedoeld. Het is interessant en belangrijk te weten dat in het Hebreeuws voor jubeljaar eigenlijk het 'jaar van de ramshoorn' staat. Dat is het signaal van de vrijheid! Eens in de vijftig jaar werd namelijk door een heraut door het blazen van de ramshoorn het jaar van de vrijheid geproclameert (Lev.25). Zo werd in het jubeljaar het vrijkomen uit de ballingschap herdacht. Je zou kunnen zeggen het 'thuisbrengen' van degenen die van hun bodem zijn losgeraakt. De verarmden kregen hun bezit terug en de slaven hun vrijheid. Jezus geeft het 'jubeljaar' een geestelijke vervulling. Hij roept aan het begin van zijn bediening niet het jaar, maar het tijdperk van de vrijheid uit. In Hem is het jubeljaar volle werkelijkheid geworden. Niet voor slechts één jaar, maar voor altijd en eeuwig!

De mens kan door Jezus werkelijk uit de geestelijke ballingschap, uit de macht van de zonde vrijkomen. Waren we in ons denken als ballingen weggevoerd van het Koninkrijk van God, verdrukt en mishandeld door duivelse machten en een slaaf van de zonde, Jezus is gekomen om de werken van de duivel te verbreken! (1 Joh.3:8).

Zegenwens

Omstreeks dezelfde tijd spreekt Jezus de zogenaamde bergrede uit, met aan het begin de zaligsprekingen die eveneens zijn gebaseerd op de profetie uit Jesaja 61 en in het byzonder op het jubeljaar. Maar wat betekent 'zalig' eigenlijk?

Door de taalvervlakking spreken we wel eens van een 'zalig (dat is lekker) toetje'. Maar het houdt meer in. Oorspronkelijk is het een feestelijke zegenwens en dat past wel bij het jubeljaar.

Waarom begint Jezus nu te zeggen dat de 'armen van geest' gezegend zijn? Want Jezus spreekt in de tegenwoordige tijd: 'Hunner is het Koninkrijk der hemelen'. Gaat het hier om de geestelijk gestoorden in onze maatschappij? Of wordt hier bedoeld dat wij armoede moeten verwachten en daar op voorbereid moeten zijn? Of hebben we hier met nederigheid en zelfverloochening te doen?

Nee, we hebben te doen met een vertaalfout, gemaakt aan het einde van de vierde eeuw. Toen werd het Nieuwe Testament door Hiëronymus uit het Grieks in het Latijn vertaald (Vulgaat). De fout is blijven bestaan tot op de huidige dag. Een betere vertaling van de Griekse tekst van Mattheüs 5:2 luidt: 'Zalig zijn de bedelaars om geest'. Dus niet 'van geest' maar 'om geest'. WE mogen het ook vertalen als 'bedelenden om geest'.

Kortom: Gezegend is de mens die bedelt om de Heilige Geest. Want daar gaat het om. De eerste zaligspreking is niet irriterend. Zij doelt op het bevrijden en heiligen van ons denken door Gods Geest. Daarom staat deze ook vooraan.

Koninklijke 'bedelaars'

Bedelen is een frequentatief van bidden. Zoals hinkelen bijvoorbeeld een frequent (herhaald) hinken is en druppelen een herhaald druppen, zo drukt bedelen een herhaald bidden uit. Jezus was de eerste 'Bedelaar' om Gods Geest en we lezen in de bijbel dat Hij zich vele malen afzonderde van zijn discipelen om te 'bedelen' om wijsheid en kracht. Je kunt in je geestelijk leven niet teren op een ervaring van zoveel jaar geleden. We mogen iedere dag biddend ons hart openstellen voor Gods Geest, zodat ons leven fris en krachtig zal zijn.

Dan gaat de Heilige Geest koninklijk in ons aan het werk. Hij herstelt wat niet goed (meer) functioneert, en versterkt wat verzwakt is. God wil dat wij als koningen met Hem heersen (2 Tim.2:12). En wie overwint, zal bekleed worden met witte klederen. Wij zijn geen 'bedelaars' met bezoedelde kleren, maar koninklijke 'bedelaars' die in witte feestklederen wandelen omdat zij het waardig zijn (Openb.3:4,5).

zie voor andere artikelen kvooverz