kvo 48e jaargang nummer 8 augustus 1984

J.E.v.d.Brink

DE RAAD GODS

David en de raad Gods

Het kenmerkende in Davids leven en wat hem tot een man naar Gods hart maakte, vinden we omschreven in de opmerking van Paulus: 'Want David is, na voor zijn geslacht de raad Gods gediend te hebben, ontslapen (Hand.13:36). God had hem achter de schapen weggeroepen om zijn plan met Israël in een bepaald tijdvak te realiseren. David moest het rijk vestigen, uitbreiding geven en tot een theocratie of godsregering verheffen. Voorgaande leiders zoals Jozua, de richters, Samuel en Saul hadden dit maar gedeeltelijk kunnen doen. Na een levenslange en felle strijd tegen de omringende volken had David zijn vijanden onderworpen vanaf Egypte tot aan de Eufraat. Dan wordt vermeld dat deze koning op de troon des Heren zat (1 Kron.28:5 en 29:23). Het centrum van alle heerschappij werd op aarde zichtbaar in het Davidische rijk.

In het eerste hoofdstuk van 1 Koningen lezen we een beschrijving van Davids levenseinde. Hij is dan ongeveer 70 jaar oud en heeft waarschijnlijk alle nare verschijnselen van malaria, die hij kon opgelopen hebben tijdens zijn vlucht voor Absalom in de Jordaanvlakte met haar modder, bieze en riet. Hij is afgeleefd voor iedere lust. In het schemerachtige licht van zijn paleiskamer is hij de vertegenwoordiger van een aflopend tijdperk. Nu zou de raad Gods openbaar worden voor een volgende periode, die door David reeds was voorzien, omdat hij een profeet was. Er staat: 'Voorzeker, de Here Here doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten' (Amos 3:6). In 'zijn laatste woorden' had de Geest door hem gesproken, dat er een rechtvaardig heerser zou komen, een heerser in de vreze Gods, die vergeleken werd met het morgenlicht van de opkomende zon (2 Sam.23:1-7). 'De Geest van Christus in hem' getuigde van een tijdsbestek, zoals hij die niet had gekend. David had de mogelijkheden geschapen, dat een groot volk in vrede en rust zou kunnen leven en dat het de Here zou kunnen dienen in zijn tempel. Er was sprake van een eeuwig verbond en van de gewisse weldadigheden van David (Jes. 55:3).

De raad Gods was dat Salomo koning zou zijn. Na David zou deze jongeling op de troon des Heren zitten. Onder hem zou de nieuwe dag aanbreken. Noemde de profeet Nathan hem niet Jedidja, de beminde des Heren (2 Sam.12:25). De Here had Salomo lief, want hij was het type van de Zoon van Gods liefde. Salomo was de vredevorst en hij zou het huis des Heren bouwen.

De raad Gods verworpen

Wie was Salomo? De jongste telg in zijns vaders huis. Aan het hof sprak men fluisterend over zijn moeder Bathséba. Daar was ook de oudste zoon Adonia, welgevormd van gestalte en een goed man, want zijn vader had nooit een opmerking op hem behoeven te maken. Hij had de geschikte leeftijd van 36 jaar, terwijl Salomo niet de helft telde. Adonia behoorde dus David op te volgen. Zo dacht Joab erover, die het rijk met David had gevestigd en Abjathar, de priester, die met hem de woestijn was ingetrokken, mensen met wie de koning was begonnen. Zij hadden de tijd van voorbereidingen meegemaakt, maar de raad Gods voor de komende tijd verstonden zij niet. Hun gezindheid paste niet in het goddelijke plan en ze misten de geest der profetie, die de raad Gods openbaart. God had immers andere voornemens dan de traditionele inzichten, want zijn gedachten zijn hoger dan die van de natuurlijke mens. God beminde Salomo. Zo was het destijds ook met David gegaan, die bij zijn broeders niet in tel was, en zo was het ook gegaan met Izak, met Jakob en met Juda, die boven hun broeders verkoren werden.

Adonia ziet het einde van zijn vader naderen en treft zijn maatregelen. Hij vraagt niet naar de mening van de oude vorst en van de profeet Nathan. Hij schaft zich strijdwagens aan en ruiters. Dan vinden wij de complottisten bij elkaar bij de steen Zohèleth, de steen van de slang. Zij vergaderen bij de relikwie, die nog uit de tijd van Mozes dateerde en waarvan we in 2 Koningen 18:4 lezen, dat de godvrezende koning Hizkia de koperen slang stuk sloeg, omdat tot op die dag de Israëlieten daaraan plachten te offeren. De slang werkt immers altijd in tegen de raad Gods. Zo meende Lucifer als eerstgeschapen wezen recht te hebben op de troon van God. God had deze echter bestemd voor de Zoon uit het geslacht van David en voor allen die Hem volkomen toebehoren en volgen. Had de slang gewonnen, dan was het vrederijk weer uitgesteld, want de hielbijter tracht altijd de komst van het Zaad der vrouw af te remmen.

Op het kroningsfeest van Adonia werden alle zonen van David uitgenodigd bij de gewijde steen, waarop men placht te offeren en feest erbij te vieren. Allen waren aanwezig behalve David, die nog altijd op de troon Gods zat, en Salomo die deze troon van Godswege beklimmen zou en de profeet Nathan en de helden van David. Wij denken hierbij aan het beeld van de letter V. In de aanvang bevinden zich beide benen bij elkaar maar dan gaan ze vaneen om elkaar nimmer meer te ontmoeten. Mensen die jaren lang samen opgetrokken zijn, ziet men dan uiteengaan, omdat een deel de raad Gods niet verstaat en de daarbij gaande ontwikkelingen niet kan volgen.

Salomo diende de raad Gods voor zijn tijd. Hij wist het grote rijk met wijsheid te regeren. Hij wandelde in de wegen des Heren. De raad Gods voor zijn tijd was: bouw een tempel. Sprak deze vredevorst bij de inwijding van de tempel niet: 'Geprezen zij de Here, die zijn volk rust gegeven heeft'? (1 Kon.8:56). De oude tijd stierf met David en de nieuwe tijd waarin gerechtigheid en vrede uitspruiten zouden, was gekomen. Totdat Salomo aan het einde van zijn leven de raad Gods voor zich verwierp. Hij ging de afgoden dienen. Deze koninklijke 'voorganger' was omringd door vele vreemde vrouwen en niet door profeten des Heren. Ook luisterde hij niet naar de stem van de Heer, die hem nog tot tweemaal toe had gewaarschuwd. Hij verachte de raad Gods, omdat zijn hart zich had afgewend van de Here (1 Kon.11:9,10).

De volheid des tijds

Omstreeks duizend jaar na Salomo kwam de volheid des tijds, welke aangekondigd werd door de profeet Johannes de Doper. Hij was de heraut van het Koninkrijk der hemelen dat 'nabij gekomen was'. Hij kende de raad Gods, maar de Farizeeën en schriftgeleerden verwierpen voor zichzelf de raad Gods, daar zij niet door Johannes waren gedoopt zoals Jezus. En wat zeiden de leidslieden van Johannes? 'Hij heeft een boze geest' (Luc.7:33). Johannes zou dus door een boze geest geleid en geïnspireerd worden. Zij erkenden niet dat er een nieuwe tijd was gekomen. Zij accepteerden geen veranderingen in hun godsdienstig systeem en hielden zich strak aan tradities, regels, voorschriften en wetticisme, zaken die onverenigbaar zijn met de levende en blijde realiteit van de leer van het Koninkrijk der hemelen. Toen hij wist dat zijn tijd voorbij was, sprak Johannes van de komende Heer: 'Niemand kan beslag op iets leggen, tenzij het hem gegeven is uit de hemel' en 'Hij moet groter worden, maar ik moet kleiner worden (Joh.3:27,30 Can. Vert.).

Jezus ontsloot de verdere raad Gods voor een volkomen nieuwe tijd. Hij sprak: 'Meer dan Salomo is hier' en verbrak de traditie met woorden als: 'Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is... Maar Ik zeg u'. Hij voerde een tweeledige dienst uit in dit plan van God. Allereerst vervulde Hij de raad Gods als hersteller. Zoals David optrad tegen de omringende vijanden, zo streed Hij tegen de onreine geesten die Gods volk in gevangenschap hielden. Hij bracht een totaal nieuwe leer met gezag in de hemelse gewesten. Hij openbaarde uit het grote raadsplan wat van de grondlegging der wereld verborgen was gebleven. De zuchtende schepping luisterde en riep in haar nood tot Hem: 'Zoon van David erbarm u onzer'. Tot de Farizeeën sprak hij echter; 'Huichelaars, het aanzien van aarde en (natuurlijke) hemel weet gij te onderkennen, waarom onderkent gij deze tijd niet (Luc.12:56). Opnieuw verwierpen zij de raad Gods en zeiden van de Heer, dat Hij boze geesten uitdreef door Beëlzebul, de overste der duivelen.

Na zijn opstanding vervulde Jezus de raad Gods voor onze tijd. Hij droeg toen het werk wat Hij op aarde was begonnen, over aan zijn volgelingen en kwam daarna als een Salomo de poort van het nieuwe Jeruzalem binnen. Zelf bouwt Hij nu aan zijn tempel, de gemeente, en Hij is de zegevierende vredevorst van het Israël Gods en met dit volk zal Hij zijn grote herstelplan volledig uitvoeren.

De grote verwerping

In Handelingen 20:17 zegt de apostel Paulus aan wie in het byzonder de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen waren toevertrouwd, dat hij niet nagelaten had al de raad Gods te verkondigen. Hij schreef dat in Christus - dus in diens woorden blijvende - de kinderen Gods het (hemelse) erfdeel hadden ontvangen, 'waartoe zij tevoren waren bestemd krachtens het voornemen van Hem, die in allen werkt naar de raad van zijn wil'. Wij zullen dus 'de onbevlekte en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen weggelegd is' in bezit moeten gaan nemen (1 Petr.1:5). De hoofdsom der zaken die wij geloven, ligt immers in de onzienlijke wereld: de rechtvaardiging, de wedergeboorte, de doop met de Heilige Geest, de geestelijke bekwaamheden, het geestelijk Israël, de stad Gods, onze wandel en onze strijd tegen het rijk der duisternis met de zegepraal die wordt behaald.

In zijn Openbaring schreef Johannes reeds in het begin, dat de gemeente van Efeze van een grote hoogte was gestort. Deze val zien wij doorwerken in de geschiedenis der wereldkerken, die daardoor het ontstaan veroorzaakten van het grote Babylon, dat met alle koningen der aarde hoereert. Wie vormen deze stad? Allen die de naam van Christus belijden, maar die zich nimmer bezighouden met zijn leer over het Koninkrijk der hemelen. In Babylon vertoeven ook die christenen, die de rechtvaardigheid door het geloof wel kennen - ook een zuiver onzienlijke zaak - maar die geen weet hebben hoe ze in de hemel moeten wandelen en strijden. Daarom zijn onder hen ook de geestelijke begaafdheden verdwenen. Zo gaat het volk van God verloren - wordt een prooi van boze geesten - omdat het geen kennis van de onzienlijke wereld bezit. Reeds de kerkvader Origenes, die omstreeks 200 leefde, meende bijvoorbeeld dat de gave der tongen aan de apostelen was gegeven tot verbreiding van het evangelie. De apostolische vader Papias schreef echter omstreeks 135 dat Marcus de 'tolk' van Petrus was geweest. De apostel had hem dus nodig. Zo verstonden Paulus en Barnabas de taal der Lycaoniërs niet (Hand.14:11-14) .Dat het spreken in talen van mensen en engelen nodig is om zich in de hemelse gewesten te presenteren, kunnen velen zich zelfs niet eens voorstellen. Wat een geestelijke armoede! Wat een loslating van het woord van God. Men acht de geestelijke gaven niet nodig en zelfs gevaarlijk, omdat men aards gericht denkt. Dat God zelf door middel van de tongentaal door onze mond heen voor de heiligen pleit, behoort niet tot de kennis van het rationeel denkende christendom. Reeds in het jaar 200 behoorde de glossolalie tot de geestelijke gaven, die slechts de 'groot-vaders' der kerk hadden bezeten. Wel kwamen ze in de kerkhistorie nog bij enkele 'sekten' voor.

Veranderingen

De grote afval die de komst van Jezus vooraf gaan zou, duurde ongeveer 17 eeuwen. God zag evenwel om naar zijn volk en van het begin van deze eeuw werden veel christenen op hun gebed gedoopt met de Heilige Geest. De spade regen van Gods woord begon te vallen waardoor christenen vervuld werden met de Heilige Geest. Het licht brak door maar het bezat nog niet de volle openbaring van de raad Gods. Het gold nog slechts de eerste der gaven, namelijk het spreken in tongen. Van een doelbewuste strijd tegen het rijk der duisternis kwam weinig of niets terecht. Men had het nog altijd moeilijk met bloed en vlees, vandaar ook de vele scheuringen in de pinksterbeweging, die zich veelal om personen afspeelden. Daarom kon men ook niet met vrucht jagen naar het doel van het evangelie: de volkomen geestelijke mens tot alle goed werk - dus zoals de Heer dit voorgedaan had - volkomen toegerust (2 Tim.3:17).

Wat ons land betreft denken we aan de geloofsprediking van Herman Zaiss en T.L.Osborn in de vijftiger jaren. Zij luidden een nieuwe tijd in. Enkele jaren later gaven de conferenties op Beukestein nog een duidelijker openbaring van de raad Gods voor onze tijd. Velen leerden daar de strijd aanbinden tegen de demonen. De uitspraak van Paulus in Efeziërs 6:12, dat wij niet te worstelen hebben tegen mensen, maar alleen tegen de overheden, de machten, de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten, werd daar concreet ervaren. Door middel van artikelen in 'Kracht van Omhoog' kreeg het evangelie van Jezus Christus - dat van de hemelse gewesten - weer het door de Geest bedoelde accent. Vele pinksterchristenen, die al met de Heilige Geest gedoopt waren, kwamen toen in een tweede fase van hun geestelijk leven. Zij grepen de belofte aan dat de Heilige Geest persoonlijk hun de weg zou wijzen tot de volle waarheid. Deze Geest spreekt niet uit Zichzelf, maar al wat Hij van de Vader en de Zoon hoort, geeft Hij door (Joh.16:13). De heerlijke bijvoeging: 'Hij zal u de toekomst verkondigen', kwam in een nieuw licht. In de evangelische- en pinksterkringen had men zich altijd beziggehouden met de toekomstige dingen op aarde, die voornamelijk het werk betreffen van de boze geesten, die alle ellende veroorzaken. Het bezig zijn met het herstel van het Romeinse rijk, het nationale ontwaken van Israël, het dreigende gevaar vanuit Rusland en zelfs vanuit China, de verwildering van zeden en het vergaan in een vlammenzee van 'de planeet die aarde heette' eist alle aandacht op. Men had geen oog voor de toekomst der gemeente, want daar zou het hollende mee achteruit gaan en zij was slechts bestemd om vóór de grote verdrukking en vóór de grote strijd in Harmàgedon te verdwijnen. De belofte dat het woord Gods - als de ruiter op het witte paard - juist in deze tijd zou uittrekken, overwinnende en om te overwinnen, werd door de schriftonderzoekers als aan onwezenlijke en verwerpelijke gedachte van de hand gewezen. In deze bedeling zou de gemeente geen glorierijke taak hebben en geen werfkracht meer bezitten. De Heer zou haar leden tot Zich nemen naar de hemel, waar zij met zang en snarenspel rustig kunnen vertoeven, terwijl de Joden dan door de grote verdrukking zullen gaan.

Weer een nieuwe fase

In de voorbijgaande decenniën heeft de Here Zich een Israël Gods gevormd, namelijk christenen die weten dat zij overgezet zijn uit de macht van satan in het Koninkrijk van de Zoon van Gods liefde. Zij weten ook dat zij gedoopt zijn met de Heilige Geest en zij ijveren naar de geestelijke gaven om dienstbaar te zijn voor hun Heer. Zij strekken zich bewust uit naar meerdere kennis van de onzienlijke wereld en willen strijden voor de verlossing en het herstel van zichzelf en van de mensen met wie zij in aanraking komen. De geest der profetie in hen getuigt dat een nieuwe fase aangebroken is, waarin de heiligen des Heren de gebaande weg worden opgevoerd, die hen nog verder omhoog voert (1 Cor.12:31). Het is de hoge weg, die door de profeet Jesaja de heilige weg wordt genoemd (Jes.35 :8-10). Wij gaan een tijdperk in waarin gedeeltelijk verlosten en twijfelaars en zij die heen en weer worden geslingerd, de weg niet zullen kunnen volgen. Alleen degenen wier hart volkomen voor de Heer is, die de woorden van Jezus bewaren en zich door de Heilige Geest laten leiden, zullen erop verder trekken.

Ook Paulus schreef aan de Hebreeën over de 'nieuwe en levende weg', welke naar het hemelse heiligdom voert. De weg is levend, omdat er mensen op wandelen in wie het eeuwige leven tot zijn volle ontplooiing komt. Ze hebben een waarachtig hart en kennen geen twijfel meer, maar leven in volle verzekerdheid des geloofs. Hun inwendige mens is volkomen van al zijn vijanden verlost, en geheeld; daarom hebben ze geen besef van kwaad. Hun geweten klaagt hen nergens over aan. Al wandelende op deze weg geven deze verlosten acht op elkaar en vuren zij elkaar aan tot liefde jegens God, de broeders, alle mensen en de ganse schepping. Zij zoeken onderlinge gemeenschap en sporen elkaar aan tot voortgaan en volharding, omdat de Dag des Heren nadert (Hebr.10:19-25). Zij houden daarbij het oog gericht op Jezus, de leidsman, en trachten zich in te leven in zijn raadsplan teneinde dit voor hun God te realiseren.

De aarde wordt bedekt met duisternis en de volken met donkerheid, maar over hen die het Lam volgen, schijnt het licht van God. De angst onder de volken voor de komende tijd is groot, omdat de branding en de zee groot geluid geven (Luc.21:25 St. Vert.). De zee is hier een beeld van de geestenwereld en de branding wijst op de inwerking van de demonen op het natuurlijke leven der mensen.

In onze dagen merken wij op dat velen door het geloof in het bloed van Christus de poort van het hemelse Jeruzalem zijn binnengegaan. Ze hebben zelfs van de hemelse gaven gesmaakt. Ze kwamen tot in de voorhof, maar lieten zich niet als levende stenen gebruiken tot de bouw van de hemelse tempel. In Openbaring 11:2 wordt gewaarschuwd dat er een tijd komt, dat ook de voorhof wordt prijs gegeven aan de heidenen, dus aan de machten der duisternis. Die zich daar bevinden, keren terug naar de aarde waar het regime nog altijd in handen is van de overste dezer wereld. Zij willen dan de gemeente voortzetten op de aarde en houden zich bezig met de traditionele zaken, waar de kerken en kringen zich tot nu toe mee hebben beziggehouden: Isral, derde wereld, invloed uitoefenen op staat en maatschappij, in politiek en door activiteiten. Zoals Adonia de oude medewerkers van David bij de steen Zohèleth wist te verzamelen, zo zien we ook de laatste scheiding komen tussen hen die de raad Gods willen volbrengen tot het einde, en hen die het hemelse Jeruzalem verlaten om het koning-priesterschap buiten de raad Gods om te verwerven.

Wanneer wij onze voeten blijven richten naar het hemelse heiligdom, zal vanuit het rijk van satan maar ook van de aards gerichte christenheid een grote dreiging uitgaan en zal ons verdrukking wachten. Wij houden echter het geloof en de hoop vast, want aan het einde van de weg bevindt zich de troon van de betere Salomo, welke omringd is met vele tronen waarop de overwinnaars zich zullen zetten (Openb.20:4).

zie voor andere artikelen kvooverz

lees ook kvomens6 (de koperen slang)