kvo 48e jaargang nummer 7 juli 1994

J.E.v.d.Brink

Vijandschap tegen het Israël Gods

Waarom antisemitisme

Het is een normaal verschijnsel, wanneer een volk in vreemdelingschap verkeert en daar geminacht en vervolgd wordt, het gaat verlangen naar een eigen vaderland. Misschien zullen zij het daar moeilijk hebben en een hard bestaan moeten leiden, maar ieder verkeert dan onder zijns gelijken en is vrij van discriminatie. Men verwacht daar rust, vrede en een harmonisch leven. In Psalm 137 lees ik, dat de weggevoerden uit Juda, in Babel de harp aan de wilgen hadden gehangen en verteerd werden door heimwee naar Jeruzalem. Zo is het ook begrijpelijk dat de Joden, die na 70 dezelfde misère meemaakten onder alle volken, het verlangen koesterden te zamen terug te keren naar hun eigen land. Het Zionisme is uit deze hunkering geboren en vele Joden deden hierbij een beroep op de oude beloften en rechten, die hun volk eenmaal ten opzichte van Kanaän ontving. De grote meerderheid keerde evenwel niet terug om zich te bekeren tot de Here God om Hem daar te dienen, maar alleen om als volk weer een natie te vormen als in de dagen van ouds, wat heel begrijpelijk is. Let er echter op dat God hun terugkeer slechts garandeerde, wanneer zij naar zijn stem zouden luisteren en zich bekeren met heel hun hart en geheel hun ziel (Deut.30:1,2).

Vanwaar nu de felle haat die in het byzonder de Joden als vreemdeling heeft getroffen? Vanwaar dit speciale anti-semitisme, dat zich niet tegen de Arabieren keert, hoewel die ook Semieten zijn? Ik merk op dat het uitverkoren zaad van Abraham altijd verdrukking en tegenstand heeft ondervonden en steeds omringd is geweest door vijanden. Het antisemitisme is niet direct een gevolg van de kruisdood van Jezus, want in het Oude Testament was die aversie er ook al. Denk maar aan het boek Esther, waarin wordt verhaald hoe de 'Jodenhater' Haman erop uit was in één dag het hele volk uit te roeien, wat hem bijna gelukte. Het aloude antisemitisme is te verklaren met de uitspraak van Paulus, dat aan Israël behoren: 'de aanneming tot zonen, de heerlijkheid, de goddelijke beschikkingen, de wetgeving, de eredienst en de beloften; hun behoren de vaderen, en uit hen komt de Christus voort' (Rom.9:4,5 vert.Brouwer). Vanuit de onzienlijke wereld heeft de draak steeds getracht dit volk te verslinden om zo het plan van God met de mens te verhinderen.

Vele malen heeft de boze getracht het volk Israël zijn land en zijn zelfstandigheid te ontroven, maar hoewel zij dikwijls hun weg 'verdierven', bleef God trouw aan zijn beloften aan Abraham, Izak, Jakob en aan David en zijn huis. Het beloofde Zaad uit David, de volmaakte Zoon van God, de Rechtvaardige, die van Zichzelf kon zeggen: 'Ik ben de waarheid', is dan ook uit dit volk voortgekomen.

Het waren Mozes en de andere profeten, die 'vroeg en laat' dit volk waarschuwden, dat de Here God zijn bescherming zou wegnemen, indien het Hem verliet. God zou hen dan onder de volken verstrooien (Deut.28:64). Een rest zou echter worden behouden, omdat zij de weg Gods, Jezus Christus, volgden in een nieuw verbond. De regel is: 'Al was het getal der kinderen Israëls als het zand der zee, het overschot zal behouden worden (Rom.9:27). Over de geestelijke zegeningen voor dit overblijfsel staat in Handelingen 2:38 - waar Petrus de Joden oproept tot bekering en tot de waterdoop op de naam van Jezus Christus tot vergeving van hun zonden - de belofte: 'En gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen, want voor u is de belofte en voor uw kinderen.

De edele olijfboom

Nooit is de olijfboom, die door Paulus werd gebruikt als beeld van het gelovige Israël, gerooid. Wel werden 'enkele' ondeugdelijke takken weggekapt en prijsgegeven. Zo was het tenminste in de tijd van Paulus, toen hij Romeinen 11:17 schreef. In het begin waren er zeer vele Joodse christenen en ik hoop dat het later weer zo zal zijn. De 'volheid' van deze bekeerde Joden is de oorzaak geworden, dat wij nu nog door hun geschriften worden gezegend en met dezelfde Geest worden gedoopt als zij. Denk alleen maar aan de vérstrekkende betekenis van de bekering van Saulus. Waarom zouden er dan in de eindtijd, wanneer de zonen Gods worden geopenbaard, ook niet vele Joden de ogen worden geopend voor de heerlijkheid van het evangelie van Jezus Christus?

Vele heidenen zijn als oorspronkelijk 'wilde loten' geënt op de olijfboom, die het Israël Gods voorstelt. Van deze olijf is de wortel heilig en saprijk. Deze boom heeft dus altijd zijn bestaan ontleend aan het woord van God met zijn talrijke beloften, waaronder die van de doop met de Heilige Geest. De heidense loten zijn één geworden met de olijf. Daarom zijn ook zij het geestelijk Israël, dat met zijn wortels gegrond is in de liefde van God jegens 'alle' mensen. Deze liefde is de bodem waaruit het sap wordt opgenomen. Vruchtdragende takken zijn zij, die uit de Joden en uit de heidenen de beloften vasthouden, erin geloven en ernaar handelen. Die niet geloven worden afgehouwen uit deze geestelijke boom,' want niet allen die van Israël afstammen, zijn Israël, en zij zijn ook niet allen kinderen van Abraham, omdat zij nageslacht van Abraham zijn (Rom.9:6,7).

Jezus sprak aangaande de ongelovige Joden, 'dat het Koninkrijk Gods van hen zou worden weggenomen en aan een volk gegeven worden, dat de vruchten daarvan opbrengt' (Matth.21:43). De heerlijkheid van Israël was altijd geweest dat het in al zijn geledingen een toekomstig geestelijk heil afschaduwde. Zo waren het priesterschap van Aäron, het koningschap van David, de offers en de ceremoniën, de besnijdenis en de sabbat, het aardse Jeruzalem, alle beeld van toekomstige dingen. Toen deze hemelse realiteiten door de prediking van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen dat Jezus overal verkondigde, zich begonnen af te tekenen en de volheid des tijds gekomen was, evolueerde dit volk niet mee. Het merkte de tijd niet op dat God naar hen omzag (Luc.19:44). De Joden hielden zich bij het oude en daarom brak het Koninkrijk Gods bij hen niet door. Het natuurlijk volk der Joden zijn de takken, die uit de edele olijf weggekapt zijn. In hen is nog iets van het oude leven bewaard gebleven, zoals afgesneden takken in water gezet nog een lange tijd in een vaas groen blijven, maar vruchten worden er niet meer aan gevonden. De rechtzinnige Joden leven immers nog bij de kennis van de wet en van de profeten, en deze zijn het die getuigen van Jezus. Over hun inzichten ligt echter een sluier. Zij lezen wat er staat en werken dit zo nauwkeurig mogelijk in de zichtbare wereld uit en verwachten ook op aarde de vervulling der profetieën. De apostel merkt in 2 Corinthirs 3:14 op, dat deze bedekking 'slechts in Christus verdwijnt'. Wanneer zij Hem aannemen, wordt 'de bedekking van hun hart weggenomen'. Dan worden zij in Christus op de edele olijf geënt en gaat hun geestelijk oog functioneren. Dan leren zij Mozes en de profeten geestelijk te verstaan.

Anderzijds waarschuwt de apostel ook de kerk uit de heidenen ernstig voor dezelfde verblinding. Wanneer zij als volk van God niet in het hemelse land zou wandelen en strijden en daar geen schatten zou vergaderen, zou ook het Koninkrijk Gods van haar worden weggenomen, 'Indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen' (Rom.11:21). Van meetaf aan was er de belofte, dat ook de heidenen deel zouden hebben aan het heil, want de Heilige Israëls zou de God der ganse aarde worden genoemd (Jes.54:6). De volken zouden beschouwd worden als autochtone ingezetenen van de stad Gods (Ps.87:4-7).

Nadrukkelijk wordt vermeld dat God het Joodse volk niet heeft verstoten zomin als Hij de ongelovige Hollanders verstoot. Voor allen geldt: 'zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, geënt worden op de edele olijf. God is immers machtig de Joden opnieuw te enten en wel op dezelfde boom waar de ware christenen zich bevinden (Rom.11:23).

Als christenen kunnen wij de Joden niet meer als volk van God beschouwen evenmin als wij dit ons eigen volk doen. Wij zien nu Israël gelijkwaardig met andere naties. Wie uit dit volk zich bekeert, komt als een tak in de geestelijke olijfboom te zitten. Voor wie niet gelooft, geldt: 'Hij zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem' of 'de toorn is over hen gekomen tot het einde' (Joh.3:36 en 1 Thess.2:16). De toorn van God is die situatie, waarin men geleid wordt door 'de geest, die werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid' (Ef.2:2).

Vijandschap tegen de Joden en het geestelijk Israël

Wat is er nu in de loop der eeuwen met de kerk als geestelijk Israël gebeurd? Zij werd afvallig en viel uit de hemelse gewesten op aarde. Tot haar kon worden gesproken: 'Gedenk dan van welke hoogte gij gevallen zijt' (Openb.2:5). Zij verliet 'de grond des Heren'. Zij trachtte in de wereld heerschappij uit te oefenen in plaats van in de geestelijke regionen. Zij noemde zich nog wel het geestelijk Israël, maar haar domicilie was hier op aarde. Er was een hogepriester en er was een priesterstand, die zichtbaar waren door hun gewijde kledij. Er kwamen altaren en het dagelijks offer werd herhaald in de mis. De eredienst der kerk werd een oudtestamentische zaak. Zo had Jezus bijvoorbeeld bevolen, dat men de wedergeboren kinderen Gods zou dopen op hun geloof. Die hadden dan hun geestelijke woonplaats krachtens deze wedergeboorte niet op aarde maar in de hemel. In hun denken hadden zij zich met Jezus' dood en opstanding geindentificeerd, zodat de apostel kon schrijven: 'Hij heeft ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten' (Ef.2:6). Men ging echter geen kinderen Gods dopen, maar de kinderen van de leden der kerk. Men stelde daarmee de kinderdoop in de plaats van de oudtestamentische besnijdenis. Van een geestelijke besnijdenis des harten, waarbij getuigd wordt dat de gelovige het lichaam des vlezes aflegt, werd niet gerept (Col.2:11). Het resultaat van deze wijziging van het oorspronkelijke principe was, dat er toen twee verschillende volken, die zich Israël noemden, op 'aarde' waren. Dit werd bijvoorbeeld gesymboliseerd door de steden Rome en Jeruzalem. Gedreven door de wereldbeheersers dezer duisternis ging de aards gerichte kerk de Joden vervolgen. Zij die zeiden dat zij Joden waren doch het niet waren, maar die een synagoge des satans vormden, trachtten het 'heilige land' en de 'heilige stad' te onderwerpen (Openb.2:9). Dit onder het door de paus gestimuleerde motto: God wil het! Op hun weg naar het heilige land vermoordden de kruisvaders de Joden en staken zij hun synagogen in brand.

Het is opmerkelijk dat de afgevallen kerk ook haar gram richtte tegen het geestelijk Israël, dat bekend stond om zijn 'wereldmijding'. Ik denk bijvoorbeeld aan de Albigenzen, de Waldenzen, de Lollarden en de Dopers, die allen op de wreedste wijze werden vervolgd en vermoord. Hun namen vullen de martelaarsboeken, ook in ons land. Het grote Babylon dat hoereerde met de koningen der aarde, de nabootsing van het geestelijk Israël, heeft op allerlei wijzen getracht zowel het natuurlijke als het ware geestelijk Israël uit te roeien. Hoe weinig men de ware strijd in geestelijke wereld kende, bleek ook uit de moord op de honderdduizenden zogenaamde heksen, de stiefkinderen van het officiële christendom. Men bevrijdde ze niet in de naam van Jezus maar martelde hen op gruwelijke wijze.

Geen vijandschap

Tussen het ware geestelijk Israël en het natuurlijk Israël bestaat principieel geen vijandschap. Een bekeerde Jood behoort bijvoorbeeld tot beide categorieën. Paulus schreef aan een gemeente uit de heidenen, dat hij wel wenste van Christus verbannen te zijn ten behoeve van zijn Joodse broeders, zijn verwanten naar het vlees (Rom.9:3). Het ware geestelijk Israël is van boven en het natuurlijk Israël is ven beneden. Zij behoren tot twee verschillende dimensies. Als voorbeeld en vergelijking zou ik kunnen stellen dat Nieuw Amsterdam, het huidige New York, wel een zwakke historische verbinding heeft met het oude Amsterdam, maar de inwoners van Nieuw Amsterdam behoren tot een ander volk en spreken een andere taal. Ze zijn zover van elkaar verwijderd, dat er geen spanningen tussen die twee steden zijn. Het hemelse Jeruzalem heeft geen moeite met het aardse, behalve als dit aanspraak zou maken op het predikaat 'volk van God' en op de status van 'Koninkrijk Gods'. De apostel schreef immers, dat wie in de leer van Christus - die van het Koninkrijk der hemelen - niet blijft, God niet heeft, dus ook niet kan behoren tot het volk van (onze) God (2 Joh.9)

Hij wordt niet geleid door de Heilige Geest die van de Vader en de Zoon uitgaat. Elke leer die zich op de aarde richt en zich niet bezig houdt met de onzienlijke wereld van het Koninkrijk Gods, is een dwaalleer. De leer van Jezus is 'van boven' en die der Joden en zeer vele christenen 'van beneden'. De nieuwe schepping is hemels en niet van de aarde. De Heer sprak tot Pilatus: 'Nu is mijn Koninkrijk niet van deze wereld'. 'Nu' is de waarheid en de werkelijkheid. Dit Koninkrijk betreft geen natuurlijk volk en is niet verbonden met enig ras, bloed of Palestijnse bodem. Men behoort ertoe door geloof! Ik heb echter nooit gehoord dat de Joden aanspraak hebben gemaakt op de hemel. Ze hebben hun handen vol aan de problemen in het land van hun vaderen.

In onze dagen zijn vele christenen vanwege de prediking van het volle evangelie hun plaats gaan innemen in de hemelse gewesten. Zij strijden bijvoorbeeld bewust niet meer tegen bloed en vlees, maar alleen tegen de boze geesten. Wanneer hun kinderen lastig zijn, zeggen ze heel typerend: onze kinderen zijn niet moeilijk, maar hebben het moeilijk vanwege de pressie der boze geesten. Zij spreken over het hemelse Jeruzalem als 'onze moeder' en zijn bezig terug te keren naar 'eigen bodem' en naar 'de grond des Heren' (Verg. Gal4:26 en Jes.14 :1,2). Dit kan toch geen problemen geven met het natuurlijk Israël. Zij gunnen dit volk zijn land en zijn stad van harte. In hun bijeenkomsten houden zij zich niet bezig met de natuurlijke dingen, met de derde wereld of met Israël, maar met de inhoud van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat het hoofdthema was van de prediking van Jezus.

Een nieuwe leer van de aarde

Aan het einde van de vorige eeuw is een dwaling onder de christenen opgekomen, waarin het gemeente zijn wordt geloochend. Haar aanhangers ontkennen de bijbelse leiding van de gemeente door apostelen, profeten, herders en leraars. Zij komen op democratische wijze bijeen als 'dé vergadering der gelovigen'. In deze kringen vindt men de algehele verwerping van de uitingen des Geestes, waardoor het lichaam van Christus kan functioneren in de onzienlijke wereld. Daarom stellen zij zich ook vijandig op tegen het geestelijk Israël. Zelfs het gebruik van deze uitdrukking is hun een gruwel. Zij ontkennen dus het bestaan van het Israël Gods. Hun leer heeft daarom de aanzet gegeven dat men de Joden weer als volk van God is gaan beschouwen. De taktiek van de boze is dus gewijzigd. Israël wordt tegenwoordig met een aureool omgeven en erom heen ontstaat een cultus. Deze ongeestelijke dwaling is in haar uiterste consequenties de laatste decenniën in de evangelische en fundamentalistische kringen binnengedrongen, ja zelfs ook in de historische kerken. In deze leer is geen plaats voor een strijd in de hemelse gewesten en het hoogtepunt van deze geestelijke strijd wordt nu als Harmàgedon op aarde geprojecteerd te Megiddo in Beneden Galilea.

In Jesaja 11:9 staat de belofte, dat eenmaal de aarde vol zal zijn van de kennis des Heren, dit wil dus zeggen van de kennis die Jezus bezat, die van het Koninkrijk der hemelen. Door deze kennis bevrijdde en herstelde Hij de beschadigde mensen. Wat is nu het trieste van de Israël-leer? Dat zij deze kennis losmaakt van het lichaam van Christus, de gemeente, en haar met de Joden in verband brengt. In het duizendjarig rijk zou dan Israël het grote zendingsvolk worden. De Israël-leer ontneemt aan de gemeente de opdracht die Jezus haar gaf. Het plan van God is om door middel van de gemeente uit Joden en heidenen bestaande, een zuchtende schepping te herstellen. In deze kringen staat de gemeente echter niet centraal en is zij een aflopende zaak, waarvan het restant vóór de totale ineenstorting wordt weggenomen.

 

De oude vijandschap herleeft

De oude vijandschap tegen het Israël Gods die zoveel martelaars gemaakt heeft, is herleefd. Vergelijk deze strijd eens met die van Paulus tegen het judaïsme dat de eerste christengemeenten binnendrong. Ook die leer verbond het heil met het volk dat 'uiterlijk' besneden is. De apostel schreef echter: 'Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is (Gal.6:15). Hij schreef ook waarschuwend voor ons: 'Maar zoals hij, die naar het vlees verwekt was, hem, die naar de geest verwekt was, vervolgde, zo ook nu' (Gal.4:29). De aanhangers van de aards gerichte, ongeestelijke Israël-leer trachten nu zelfs in een soort monsterverbond ook sommige Joden tegen het geestelijk Israël op te zetten. In dit opzicht herleven de bijbelse tijden. Dan vergaderen de ongeestelijke christenen uit de heidenen en de volken van Israël tezamen, om te doen wat Gods hand en zijn raad te voren bepaald heeft, dat geschieden zal. Evenals het geestelijk Israël uit de eerste tijd bidden wij ook: 'En nu Here, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten - ook die van kvo - met alle vrijmoedigheid te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen - tot herstel van de mens - geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus' (Hand.4:27-29).

zie voor andere artikelen kvooverz