kvo 48e jaargang nummer 4 april 1984

J.E.v.d.Brink

Uit de pers

Is Jezus een Jood ?

Hoe de verwarring in het denken van bepaalde aanhangers van de Israël-leer toeneemt, bleek mij uit een artikel 'Anti-semitisme', dat ik las in een weekblad van 10 febr.1984. De inhoud van het woord 'antisemitisme' is tegenwoordig net zo uitgehold en evenveel misbruikt als die van rassehaat, fascisme of sektariër. Men gebruikt deze zwaar beladen uitdrukkingen veelvuldig om mensen waarmee men van mening verschilt, te discrimineren. Wie op maatschappelijk, politiek of religieus terrein anders denkt dan de progressieve koplopers, het kerkelijk establishment of de fundamentalistische smaakmakers, krijgt ze te horen. Om dit verschijnsel toe te lichten, citeer ik alleen maar de eerste zinnen uit een artikel:

'Wist je dat antisemitisme ook inhoudt tegen Jezus te zijn, want Hij is ook een Jood. Je ziet vaak over het hoofd dat Jezus een Jood is. Hier wordt met opzet het woordje 'is' gebruikt en niet 'was', omdat Hij, de Zoon van God, ter rechterzijde van zijn Vader met zijn verheerlijkt lichaam op de troon zit. Deze Jood Jezus leeft. En Israël, een land waar de Joden zijn, leeft ook als volk'.

De leer van Jezus houdt in dat wij zonder uitzondering alle mensen zullen liefhebben. Gods liefde heeft zich immers uitgestrekt naar alle mensen en het is vanaf het begin zijn bedoeling geweest, dat het ganse menselijk geslacht, door onderlinge liefde verbonden, één geheel zou vormen. God schonk zijn zoon voor de gehele wereld en er is geen ras dat door God is verworpen. De zichzelf gevende liefde van God die met de Heilige Geest woning heeft gemaakt in de harten der gelovigen, strekt zich niet alleen uit tot de broeders en zusters, maar zij richt zich ook op alle mensen (2 Petr.1:7). Daarom staat antisemitisme of Jodenhaat vijandig tegenover de leer van Jezus. Hetzelfde geldt uiteraard ook voor de afkeer die men kan hebben van Arabieren of Russen.

Eenmaal sprak Noach de eeuwen omvattende uitspraak uit: 'Geprezen zij de Here (als) God van Sem' en 'God breidde Jafeth uit en hij wone in de tenten van Sem'. Het woord 'sem' betekent naam. De naam van God wordt hier dus met de Semieten verbonden. De tenten van Sem zijn beeld van het rijk Gods. God woonde bij het Semitische volk Israël, want daar stond zijn tent of tabernakel. Deze tent was bij het volk dat zijn Naam moest bewaren.

De bijbel verhaalt dat het tienstammenrijk zich van het uitverkoren huis van David had losgescheurd en vanwege zijn afgodendienst werd weggevoerd naar Assyrië. Het had Baäl (heer)boven Jahweh verkoren. In de hemelse gewesten had Israël zich met de demonen verenigd. Daarom lezen we dat Jahweh hen van voor zijn aangezicht verwijderde. Om met Paulus te spreken: 'ter plaatse in de hemelse gewesten waar gezegd was: gij zijt mijn volk, werd nu gesproken: gij zijt mijn volk niet (2 Kon.17:7-23; Hos.1:10 en Rom.9:25,26). Dit deel van Israël werd dus voortaan gelijkgeschakeld met de andere volken. In Jezus'dagen verloor het andere deel van Israël zijn aparte status in de hemelse gewesten, want Hij sprak dat het Koninkrijk Gods van hen zou worden weggenomen en aan een volk zou worden gegeven, dat de vruchten ervan zou opbrengen (Matth. 21:43). Uit deze Joden werd wel een rest behouden, zoals Jesaja had geprofeteerd (Rom.9:27). Dit overschot werd op de Pinksterdag overgezet van het oude in het nieuwe verbond. Het werd 'de volheid der Joden' genoemd. Door hun geschriften zou ook de volheid der heidenen tot stand komen (Rom.11:12,25). Samen zouden zij dan de gemeente uit het nieuwe verbond vormen. Tot de joods-heidense gemeente te Corinthe sprak God: 'Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn' (2 Cor.6:16). Dit is het volk dat Hij geroepen heeft, niet alleen uit de Joden maar ook uit de heidenen' (Rom.9:24). In de gemeente is daarom geen onderscheid tussen Jood en Griek, besneden of onbesneden, barbaar of Scyth (Col.3:10). Allen zijn burgers van een rijk in de hemelen (Filip.3:20). Allen zijn 'gestorven en begraven" en 'overgezet in de hemelse gewesten'. Wanneer zij zich in de onzienlijke wereld bewegen, hebben zij hun aardse nationaliteit verloren. Zij vertegenwoordigen daar de nieuwe mensheid waarin geen verschil van ras meer bestaat. Zij zijn immers allen genomen uit de laatste Adam, Jezus Christus. Ze behoren nu tot het geestelijk Israël. Op de troon van God zit niet de Zoon uit het oude volk, maar de Zoon des mensen of die der mensheid. Hij is de eerste van de nieuwe schepping. De zoon des mensen leeft. Om zijn leven met het nationaal ontwaken van het aardse Israël te vergelijken is heiligschennis. Jezus sprak tot zijn discipelen: 'Ik leef en gij zult leven'. Deze woorden gelden alleen voor hen tot wie gezegd wordt: 'Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben, en gij in Mij en Ik in u' (Joh.14:19,20). 'Of is God alleen de God der Joden? Niet ook der heidenen? (Rom.3:29). Hij is de God der ganse aarde en de apostel onzer belijdenis, Jezus Christus, behoort toe aan de ganse wereld. In de hemel zijn geen Joden, Russen of Nederlanders, maar alleen vernieuwde mensen. Er staat: 'Zie, de tent van God - die van Sem - is bij de ménsen' (Openb.21:3). Het oude is voorbij en het is alles nieuw geworden!

zie voor andere artikelen kvooverz