kvo 48e jaargang nummer 2 februari 1984

J.E.v.d.Brink

uit de pers

hemels of aards Jeruzalem

Hoewel ik gereformeerd opgevoed werd, heb ik van mijn moeder in mijn prille jeugd heel wat evangelische liederen geleerd uit de 'Sankey-bundel', de 'Vluchtheuvelzangen' en de gezangen van de Nederlands Hervormde Kerk. Zij was een echte Ten Boom, Hervormd met een piëtistische inslag. Van haar leerde ik het mooie gezang van Gerhard Terstegen 'Komt laat ons voortgaan kinderen'. Het tweede couplet kan ik nog uit het hoofd opschrijven: 'Zij zal ons niet berouwen, de keus van 't smalle pad. Wij kennen de Getrouwe, die ons heeft liefgehad. Vest al uw hoop op Hem. Dat ieder 't aangezichte, ginds naar de Godsstad richte: daar ligt Jeruzalem'. De kinderen Gods oriënteerden zich ook toen als vanzelfsprekend op het hemelse Jeruzalem, hoe vaag hun voorstelling ervan verder mocht zijn. Over het aards Jeruzalem werd niet gesproken, want die stad was niet verbonden met het heil van Jezus Christus.

Toen ik twintig was, kwam ik in aanraking met de zienswijze van 'de vergadering van gelovigen'. In hun kringen was de zogenaamde Israël-leer ontstaan. Na de tweede wereldoorlog werden hun inzichten steeds meer verbreid, mede door het gruwelijk lijden dat de Joden hadden ondergaan en de stichting van de staat Israël. De aandacht voor het hemelse Jeruzalem werd ingewisseld voor de gelijknamige stad in het Midden-Oosten. Deze kwam ook in het centrum van het denken der Pinkstergelovigen te staan. Een leer die vreemd is aan een gezond geestelijk inzicht en in strijd met het abc van de pinksterervaring, drong met geweld door in de pinksterbeweging, hoewel haar aanhangers door de doop met de Heilige Geest op een geestelijke weg hadden moeten komen. In 'Kleine Kracht' van december 1983, een zendingsblad van pinkstersignatuur, las ik in een redactioneel artikel ondermeer:

'Het is diep bedroevend dat zovelen tegenwoordig denken, dat God het natuurlijke Israël heeft afgedaan. De geestelijke Israël-visie is in vele groepen en kerken doorgedrongen. Geen wonder, dat deze mensen niet waakzaam zijn. Want als je niet op de vijgeboom let (als symbool van Israël), kun je onmogelijk bepalen hoever we zijn in de wereldgeschiedenis. Open vensters aan de kant van Jeruzalem geven ons een geloofsblik in de toekomst. Want wat de Here God heeft beloofd, maakt Hij ook waar. Hij heeft zijn volk niet verstoten. Israël is de spil van het hedendaagse wereldgebeuren.

Als een stem van een roepende in de pinksterwoestijn wil ik opnieuw erop wijzen, dat men met de ongeestelijke Israël-leer op een verkeerd spoor zit. Hoe durft men als pinksterchristen te schrijven, dat men zijn vensters moet openen naar de zijde van het aardse Jeruzalem, om dan nog verder te spreken over een gelóófsblik. Jezus zou hierop reageren met de afwijzende woorden: 'Gij zijt van beneden, Ik ben van boven' (Joh.8:23). Het wenden van zijn geloofsoog naar het aardse Jeruzalem staat in schrijnende tegenstelling met het lied, dat ik aanhaalde en waarin wordt beleden, dat iedere christen het gelaat moet richten naar de Godsstad, het hemelse Jeruzalem. De geloofsblik van Abraham, de vader der gelovigen, was gericht 'op de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is' (Hebr.11:10). Hoe kan men ooit spreken van een uitverkoren volk, als de apostel schrijft: 'Indien iemand de Here niet liefheeft, hij zij vervloekt', dus prijsgegeven aan de boze machten? (1 Cor.16:22).

Waarom zou de christen zijn geloofsoog moeten richten op het aardse Jeruzalem? Ontmoet hij daar zijn Heer? Komt door de aandacht op deze stad te vestigen één zondaar tot bekering? Wordt er één zieke door genezen of één gebondene door bevrijd? Ik schrijf hier voor pinksterchristenen die in het herstel geloven. Paulus schreef: 'Het tegenwoordige Jeruzalem is met zijn kinderen in slavernij. Maar het hemelse Jeruzalem is vrij, en dat is onze moeder' (Gal.4:25,26). In het nieuwe Jeruzalem resideert onze Koning en daar voelen wij ons veilig.

In Mattheüs 24:32,33 wordt de eindgeschiedenis van de gemeente op aarde met de volgende vergelijking getekend: 'Leert dan van de vijgeboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur'. Na de barre, dorre wintertijd van een eeuwenlange kerkhistorie, waarin geestelijk leven ternauwernood merkbaar was, begint zich nieuw leven te openbaren. Zoals de levensgeest in de vijgeboom de stimulans geeft tot het ontwikkelen van nieuwe sappen, zo gaat de Heilige Geest, 'de geest des levens' van het lichaam van Christus, zijn gemeente, haar leden tot nieuw leven brengen. Om een ander bijbels beeld te gebruiken: wanneer de spade of late regen gevallen is, wordt het koren rijp. Dit is het teken van het naderende einde. Daarom is de Israël-visie in strijd met de grondbeginselen van de bijbelse pinksterleer.

Het getuigt van een ontstellend gebrek aan geestelijk inzicht, dat men als pinksterman het nationale ontwaken van het natuurlijk Israël in verband durft te brengen met de uitspraak van Jezus over het herlevingsproces van de vijgeboom. Tekenen van leven zijn in de bijbel: gehoorzaamheid aan de wetten van God naar geest, ziel en lichaam, en gemeenschap met Christus door de Heilige Geest. Het gaat in het nieuwe en eeuwige verbond enkel om de ontwikkeling van de gemeente onder haar hoofd Jezus Christus. In haar alléén is het léven te vinden en wat daarbuiten verkeert, heeft contact met de dood, is dus vervloekt. Daarom tast een visie waarin het natuurlijk Israël het middelpunt is, het wezen aan van het nieuwe verbond, dat gebaseerd is op het bloed van Jezus Christus. Lees in dit verband wat ik schreef in mijn boek 'de Olijfbergrede' over Mattheüs 24,25. Geef het dan ook eens te lezen aan (pinkster)mensen met een natuurlijk Israël-leer.

Ook ik weet zeker dat God het volk Israël niet heeft verstoten, maar het in Christus volkomen wil redden, zoals Hij dit ook met ons heeft gedaan. Maar dat het volk Israël de spil van het wereldgebeuren zijn zou, onken ik, want in Christus is geen Jood of Griek, geen barbaar of Scyth. De kreet dat Israël als volk de belangrijkste plaats in het wereldgebeuren innemen zou, is in strijd met de zintuiglijke werkelijkheid en met de schrift. Men heeft deze slogan zo dikwijls herhaald, dat men haar als waarheid is gaan geloven. De bijbel zegt evenwel tot de gemeente van Jezus Christus: 'Alles is het uwe... hetzij heden of toekomst' (1 Cor.3:22,23). Om een bekende, maar taalkundig aanvechtbare vergelijking te gebruiken: de gemeente is de kurk waarop de wereld drijft. Aan ons is de toekomst! Het herstel van een zuchtende schepping ligt in handen van de zonen Gods, die het beeld van hun Heer gelijkvormig worden. In het kerstnummer van 'Gouden Schoven', ook een pinksterblad, las ik het volgende:

'Uit 45 landen kwamen dit jaar (1983) bijna 6000 christenen naar Jeruzalem om er het christelijk loofhuttenfeest te vieren. De Israëlische regering ziet in dit enthousiasme een 'historisch keerpunt in de verhouding tussen christen en Jood'. Jeruzalems burgemeester Teddy Kollek begon zijn rede met: 'Ik behoef u niet welkom te heten, want u bent hier in uw eigen stad'.

De bijbel leert nadrukkelijk dat de ware christenen 'hier geen blijvende stad hebben, maar dat zij de toekomende zoeken' (Hebr.13:14). Ze zijn op aarde vreemdelingen en bijwoners. Toch is de Israël-gelovige enthousiast en voelt hij zich gestreeld, dat Jeruzalem 'zijn eigen stad' is. Het ging hier niet om het feit, dat deze plaats een toeristische trekpleister is, waar de vreemdeling een welkome gast is, maar de orthodoxe Israëli's zagen de komst van deze pelgrims als een vervulling van de schrift, 'want voordat de Messias komt, zullen de volken naar Jeruzalem optrekken om met ons het loofhuttenfeest te vieren'. Mijn stad is echter het hemelse Jeruzalem, de woonplaats van de grote Koning, Jezus Christus. Ik weiger mijn geloof te vermengen met een Israël-cultus. Mijn geestelijk Israël-visie is gebaseerd op de uitspraak van Jezus: 'De ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden... Maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid' (Joh.4:21-24). De gedachte dat de moderne staat Israël ten koste van alles een door God gewilde natie zou zijn om de profetieën te vervullen, wijs ik daarom van de hand. Petrus sprak dat de profeten over de voor óns bestemde genade hebben gesproken, want wij zijn het Israël Gods (1 Petr.1:10).

In de pinksterkringen is men benauwd om tegen de Israël-leer in te gaan. Er heerst daar 'een vrees voor de Joden'. Men durft niet vrijuit meer over dit onderwerp te discussiëren, teneinde niet apart te worden gezet of geboycot. Achter deze leer zit immers religieus geweld. Deze 'vrome' geest openbaart zich aan de ene kant als intolerant en aan de andere kant is hij doordrenkt met vals sentiment. Paulus had van deze macht veel hinder, toen hij in aanraking kwam met judaïserende broeders in Judéa, te Jeruzalem en zelfs in zijn eigen gestichte gemeenten. De apostel wilde echter wat hemzelf betrof, wel de broederband bewaren. Daarom had hij ook een grote collecte bij de gemeenten uit de heidenen opgehaald om deze aan de arme christenen te Jeruzalem en in Judéa te overhandigen. Hij ging evenwel met lood in de schoenen naar hen toe. Hij vroeg daarom zijn achterban om voorbede, 'opdat ik behoed wordt voor de weerspannigen in Judéa, en dat mijn dienstbetoon gunstig wordt opgenomen door de heiligen' (Rom.15:31). Hij onderscheidde deze religieuze macht zo duidelijk, omdat hijzelf door deze geest was bezet geweest. Hij was vroeger immers ook een geestelijke 'geweldenaar' (1 Tim.1:13).

Van de discipelen lees ik dat zij achter gesloten deuren vergaderden uit vrees voor de Joden. Te Antiochië trok Petrus zich haastig terug 'uit vrees voor de besnedenen' (Gal.2:12,13).Ik weiger evenwel achter gesloten deuren te blijven zitten, omdat de Israël-vrienden zo'n geweldige pressie in de pinksterbeweging uitoefenen. De nood is mij opgelegd. Ik heb de kosten overrekend en aanvaard de verguizing van de Israël-gelovigen vanwege het evangelie van het Koninkrijk der hemelen dat mij lief is. Er is maar één Jeruzalem dat ik bemin. Er is maar één Godsstad waar ik wil wonen. Het deed mij daarom goed te lezen, dat de geestelijk Israël-visie terrein wint. Ik hoop het mijne ertoe te hebben bijgedragen. Ik bid dat de Heer in de laatste jaren van mijn leven mij nog de gelegenheid schenkt om zijn evangelie met meer kracht dan te voren te mogen verkondigen, en 'waakzaam' te zijn ten opzichte van dwalingen, die zelfs uitverkorenen verleiden.

zie voor andere artikelen kvooverz