kvo 48e jaargang nummer 1 januari 1984

K.Goverts

Het lichaam des Heren

Het lichaam is voor de Here, en de Here voor het lichaam (1 Korinthiërs 6:13).

Sommige christenen denken dat het lichaam de bron van alle kwaad is. Men ziet zonde als een biologische aangelegenheid. Daarmee staat ook in verband de gedachte van de erfzonde, die langs biologische weg zou worden overgedragen, volgens sommigen zelfs via het bloed van de ouders, of liever van de vader. Zonde is echter een geestelijke zaak, zonde is een macht; dat kunnen we zonder meer al heel duidelijk opmaken uit het feit dat alle zonde haar oorsprong vindt in de satan en deze heeft niet eens een lichaam, hij is een geest. Alleen vanuit dit gezichtspunt al is het glashelder dat zonde tot de geestelijke wereld behoort en niet tot de lichamelijke.

Wanneer men de zonde tot een biologisch gegeven maakt, verduistert men de ware oorsprong van het kwaad en de eigenlijke veroorzaker blijft buiten schot. Het is wel duidelijk wie belang heeft bij een dergelijke misleiding.

Dan wordt een geestelijke strijd bijvoorbaat onmogelijk. Immers, hoe kan men ooit iets geestelijks aanpakken wat er, naar men meent, op een lichamelijke wijze is ingekomen? Men is nu eenmaal, van de geboorte af aan, misvormd door duizend zonden? Wie gelooft dat zonde met het lichaam gegeven is, kan niets beginnen met vernieuwing van denken. Erfzonde en vernieuwing van denken sluiten elkaar in feite uit. Want wat baat vernieuwing van de geest als de zonde onlosmakelijk verbonden is met het lichaam? Dan baat niet alleen de vernieuwing niet; zij is zelfs onmogelijk, want in de geest blijft dan altijd de gedachte zitten dat men toch zondaar is tot de dood. Men is immers met zijn fysieke bestaan volledig met de zonde verweven

Wanneer de zonde behoort tot het lichaam, dan volgt daaruit dat men pas verlost wordt als dit aardse lichaam sterft. De ene gedachte hangt met de andere samen: de zonde komt erin reeds voor de geboorte en de zonde verdwijnt pas met de dood. Wat blijven er bij deze voorstelling van zaken nog voor mogelijkheden over voor de geest van de mens? De mens zou de neiging krijgen zijn lichaam te gaan haten omdat dit de bron van alle ellende zou zijn, waar men zijn leven lang mee opgescheept zit. Wat voor gedachte krijgt men dan over zichzelf? Of men berust er maar in dat men nu eenmaal levenslang zondaar blijft, of men kweekt een soort gespleten denken aan, waarbij de geest met bitterheid en afschuw naar het lichaam ziet en er op neer kijkt. Het is immers een blok aan het been!

De geest krijgt het idee: zolang ik in het lichaam ben, blijft het tobben. Het enige wat de geest misschien probeert, is het lichaam te onderdrukken, als een boosdoener die voortdurend in bedwang gehouden moet worden. Resultaat: geest en lichaam leven beide in een eindeloze kramp, en ze bevinden zich konstant op voet van oorlog met elkaar. Men troost zich dan maar met de gedachte dat dit alles onvermijdelijk is: We hebben hier nu eenmaal te maken met de strijd tussen de oude en de nieuwe mens of, anders gezegd: de twee naturen van de gelovige.

Paulus dacht daar kennelijk anders over: Hij schreef: 'En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te blijven' (1 Thess.5:23). De apostel geloofde niet in gespletenheid, hij geloofde in de eenheid van de mens.

De geest is niet geroepen om het lichaam te onderdrukken, maar om over het lichaam een heilzaam bewind uit te oefenen.

Zonde behoort niet bij het wezen van de mens

Een mens kan wel zondigen met zijn lichaam, maar dan is het de innerlijke mens die zondigt. Het lichaam is dan alleen het instrument waar die geest zich van bedient. Het lichaam leeft dan onder de tirannie. Dan moeten we niet zeggen: dat lichaam deugt niet, dat is verdorven. We moeten de oorzaak onderkennen. Wie inspireert je geest? Wie zit daarachter, die je voortdurend influistert: dat is nu eenmaal je aard?

Zonde doet het lichaam geweld aan. Trouwens, de hele mens wordt ontregeld door de zonde. Daaruit blijkt al duidelijk: zij hoort niet bij het wezen van de mens; zij is een vreemd element.

Wanneer de geest en de ziel tot herstel komen, is dit een verademing voor het lichaam. Eindelijk kan het lichaam zich gaan ontplooien in een sfeer van vrede en harmonie.

Soms heeft een lichaam tijd nodig om te wennen aan het nieuwe bewind. Er is een relatie tussen het herstel van de ziel en het vernieuwd worden van het lichaam. Op alle terreinen probeert de boze de mens af te houden van het mooie dat God voor hem bedoeld heeft. Wanneer de ziel gespannen en verkrampt blijft, ook na de bekering, komt ook het lichaam niet tot rust. Wanneer de ziel geteisterd wordt door aanhoudende felle stormen, draagt ook het lichaam mede dit leed. Vaak behoort het lichaam ook tot de zuchtende schepping.

De heerschappij van de geest bewerkt herstel

Maar Gods gedachte is: herstel. Zo stelt Paulus het ook voor in Romeinen 8:11: 'En indien de Geest van Hem, die Jezus uit de doden heeft opgewekt, in u woont, dan zal Hij, die Christus Jezus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen levend maken door zijn Geest, die in u woont'. Hier zien we dus: door de Geest wordt ook het sterfelijk lichaam levend gemaakt. Er is herstel van binnenuit. Een restauratie door de macht van de Geest. Dat herstel dat in de inwendige mens begint, in de geest en in de ziel, werkt door tot in het lichaam toe.

De sleutel is: het onderkennen dat de Geest machtig is. Het is immers de Geest des levens. Waar de Geest komt en heerschappij krijgt, daar brengt Hij heil, Hij brengt genezende gedachten, Hij brengt leven in de mens.

Vaak onderschatten wij de macht van de Geest. Of we hebben een verkeerd idee van de wijze waarop de Geest zijn macht uitoefent. De Geest heeft macht op basis van zijn karakter. Zijn karakter is: licht, leven, gerechtigheid. Daarom is het zo belangrijk te ontdekken wat voor Geest we ontvangen hebben. Anders leven we in onkunde en worden we beroofd van onze mogelijkheden.

De bekwaamheid van de Geest is: regeren

De Geest heeft de bekwaamheid om te regeren. Hoe? Door zijn innerlijke waarde, door zijn innerlijke kracht. Zoals de psalmist zegt: 'Die door zijn sterkte voor eeuwig heerst' (Ps.66:7). Hij heerst niet door geweld, niet door tirannie en pressie, maar door sterkte, dat is geestelijke kracht. Het is zijn wezen dat wint. De duivel verliest, omdat zijn wezen geen waarde heeft. De Geest van God wint, omdat zijn wezen waardevol is. Wat waarde heeft, houdt stand. De Geest bezit waarden die eenvoudig niet kunnen vergaan. In alles wat de duivel werkt, zit de afbraak, de ontbinding. Het rijk der duisternis zal ten onder gaan door gebrek aan wezen, gebrek aan identiteit. De duivel kan nooit zeggen: ik ben.

De Geest kan het uitspreken: Ik ben. Dat is zijn sterkte in de geestelijke wereld. De Geest heerst krachtens karakter. In zijn karakter is geen ontbinding. In zijn karakter is geen verderf. In zijn karakter is puur, onvermengd leven. Dat leven valt niet uit elkaar. Dat leven is onvernietigbaar.

Wat voor de gemeente in de eindtijd van fundamenteel belang is, dat is: het heersen van de Geest. We kunnen ook zeggen: het heersen van de geest. Want daar gaat het immers juist om: dat Gods Geest en onze geest samengaan. Samen zullen ze getuigen, samen zullen ze overwinnen

In de eindtijd gaat de geestelijke mens heersen

Dat is de sleutel voor de laatste tijden: de geest zal heersen, de geestelijke mens zal heersen.

Daar verlangt God naar. Daarom formeerde Hij in de mens een geest, opdat hij zou heersen. God ziet in gedachten voor zich die nieuwe mens, die mens wiens geest de teugels in handen neemt. Eeuwenlang is de schepping teugelloos geweest. Totdat hij komt die er recht op heeft. Bij God is er altijd een 'totdat'.

Er zal gezag uitgaan van de geest. Van Sion zal de wet uitgaan. Sion is het volk dat gegrond is in de Geest van God. Daar gaat de wet van uit. Welke wet? De wet van geboden en inzettingen? Neen, want God doet in zijn plan nooit een stap terug. God gaat niet terug naar de wet van het oude verbond, de wet van de Sinaï. Hier kan derhalve alleen bedoeld zijn de wet van het nieuwe verbond. Hier is sprake van de wet des Geestes. Dit is de wet waar Jacobus over spreekt: de volmaakte wet, die der vrijheid. Dit is de wet van herstel. De wet van het Koninkrijk Gods. Deze wet gaat van Sion uit. Sion wordt de wetgevende macht. Heilzame wetten gaan uit, ook over het lichaam.

God wil ons leren, hoe de Geest zal heersen. God strekt vanuit Sion zijn machtige scepter uit. De tijd van heerschappij van de geest is aangebroken. De geest zal gedachten Gods nemen en zo zal de geest zijn scepter uitstrekken, ook over het lichaam.

De mens zal delen in de troon. Deelgenoot van de troon, dat is zijn roeping. En naarmate de geest van de mens deelt in de troon, deel krijgt aan de troon in de hemel, naar die mate zal ook het lichaam er wel bij varen. De kracht van de troon Gods gaat dan doorwerken in elke vezel van ons bestaan.

Zo lezen we het immers ook op de laatste bladzijde van de bijbel: 'En Hij toonde mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam (Openb.22:1). Vanuit de troon gaat het stromen. Vanuit de troon komt het leven. Vanuit de troon wordt alles helder. Helder als kristal. Alle heerlijkheid, alle glans, alle nieuwheid ontspringt uit de troon.

In de geest vestigt God zijn wetgevende macht. Wanneer de geest helder wordt, zal de hele mens tot helderheid komen.

De geest moet regeren over het lichaam

Dat is Gods doel voor ons: de geest zal regeren over het lichaam. We zien dit zo schitterend tot uiting komen in Jezus. Als Hij verzocht wordt in de woestijn, dan klinkt de stem tot Hem: zeg tot deze stenen dat ze broden worden. Daar speelt het probleem van de honger. En de verzoeker haakt daar op in.

Maar nu komt de reaktie van Jezus. En let er op dat Jezus hier staat als mens tegenover de vorst der duisternis. Wat zal Hij doen? Eeuwenlang hebben mensen gefaald, zijn mensen bezweken voor de stem die tot hen kwam. Wat zal deze mens doen?

Toen de satan sprak tot Adam en Eva: eet, toen aten ze. Maar toen de boze tot Jezus zei: eet, toen at Hij niet. Niet alleen van brood zal de mens leven. Waar dan wel van? Van alle woord dat uit de mond Gods uitgaat. Dit is het program voor de mens, voor de ware mens, de mens Gods. Deze mens is niet meer een slaaf, niet meer een willoze pion op het schaakbord van de machten, niet meer een marionet in de vingers van het noodlot. Jezus was de eerste mens die heerste over de duivel.

Dit deed Jezus als een teken. Dit was een teken van de nieuwe tijd. Hier toonde Jezus: zo leeft de mens Gods. Dit beeldde Hij uit. En wat zien we? Bij Jezus heerste de geest over het lichaam. Hij had het niet nodig van stenen brood te maken. Hij liet zich niet overheersen door pressie van de boze. Hij kon wachten. Bij Hem was de geest op de troon en zijn geest werd gevoed vanuit de gedachten van de Vader. En daarom kon zijn lichaam het volhouden. Zijn lichaam bezweek niet in de woestijn, zijn lichaam bezweek niet voor de verzoeking, omdat zijn geest vast stond. Zijn geest was onwankelbaar en daarom bleef zijn lichaam overeind. Zo werd Jezus de eerste van een nieuwe mensheid.

zie voor andere artikelen kvooverz