kvoo 47e jaargang nummer 11 november 1983

J.E.v.d.Brink

Spreken in tongen

(uit de pers)

'In vele Pinksterkringen wordt geleerd dat je gedoopt moet worden met de Heilige Geest, en dat het spreken in tongen bewijst dat je die doop hebt ontvangen. Dat gaf vaak in evangelische zowel als in kerkelijke kringen verwarring bij ernstige gelovigen die vaak misschien onbedoeld, door deze Pinkstergelovigen, als halve en niet als volle-evangeliechristenen werden aangezien of aangeduid, als ze op grond van Gods Woord meenden, het anders te moeten zien'.

Dr. J.Kits in 'het Zoeklicht'

Wanneer ik over het volle evangelie schrijf, bedoel ik dat wij ons uitstrekken naar 'de volle waarheid'. De uitdrukking 'halve-evangeliechristenen' heb ik nooit gehoord. Jezus sprak: 'Wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid' (Joh.16:13). Het gaat er dan niet alleen om of deze waarheid bij ons bekend is, maar dat zij ook in ons wordt gerealiseerd. Eeuwen lang was de waarheid aanvaard, dat het volk van God waarneembare onderscheidingstekenen bezat zoals de besnijdenis en de sabbatsviering. Ook kenmerkte het zich door tradities en inzettingen. De prediking van Jezus over het Koninkrijk der hemelen had evenwel de oude waarheid achterhaald. De volle waarheid was de realisering van het plan Gods in de geestelijke mens. Deze is voortaan een burger van een rijk in de hemelen (Filip.3:20). Hij wordt als zodanig niet op aarde geboren maar in de stad Gods, het nieuwe Jeruzalem. Daarom is hij de geestelijke Israëliet in de onzienlijke wereld. Wanneer bijvoorbeeld wordt geleerd dat de (kinder)doop in plaats van de besnijdenis is gekomen en daarom de gedoopte kindertjes tot het volk van God behoren en opgenomen zijn in het verbond wordt met achterhaalde begrippen van de oude bedeling gewerkt. Alleen door de onzichtbare wedergeboorte komt men in het rijk Gods. Daar vindt de besnijdenis van het hart plaats, 'die geen werk is van mensenhanden' (Col. 2:11). In de zichtbare wereld geeft men verder van deze ervaring getuigenis door de waterdoop, het bad der wedergeboorte. Deze doop geschiedt uiteraard wel door mensenhanden. De ongeestelijke christen vraagt: hoe kan men weten dat men wedergeboren is? Het ontbreekt hem immers aan de zichtbare en tastbare bewijzen ervan. Met het geloof, dat het bewijs schenkt van de dingen die men niet ziet, is hij evenwel niet genoegzaam vertrouwd (Hebr.11:1).

In de onzienlijke wereld waarin het kind van God vanwege zijn wedergeboorte overgeplaatst is, moet het nog de doop in de Heilige Geest ontvangen. Deze is uiteraard weer onzichtbaar, maar gaat wel gepaard met een hoorbaar verschijnsel, namelijk het spreken in een vreemde taal.

In 1 Corinthiërs 14:22 schrijft Paulus dat de tongen een teken zijn voor de ongelovigen. Ik zou liever zeggen: een signaal voor niet gelovigen. In het gezin van Cornelius viel de Heilige Geest op allen die het woord hoorden. De huisgenoten geloofden de prediking van Petrus en daarop ontvingen zij de Heilige Geest. 'En al de - niet gelovige - gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus meegekomen waren, stonden verbaasd, dat de gave van de Heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort, want zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken' (Hand.10:44,45)

Wanneer iemand in tongen begint te spreken, bemerkt de buitenstaander of ongelovige wel dat er bovennatuurlijke krachten in zo'n christen werkzaam worden. Dit spreken is voor hen een teken of signaal uit een andere wereld. Ook voor de machten der duisternis is de glossolalie een teken. Die geloven immers niet dat een christen als geestelijk mens kan functioneren. Zij geloven ook niet dat door de doop in de Heilige Geest de geestelijke begaafdheden in werking worden gesteld, zodat de christen tot alle goed werk volkomen wordt toegerust en hij kan heersen over al de werken van Gods handen. Door het spreken in tongen identificeert hij zich in de geestelijke wereld als geestelijk mens. Het is een teken voor de ongelovige engelen wier talen hij kan spreken. Wanneer wij daarom deze plaats in de hemelse gewesten volgens Efeziërs 2:6 bewust gaan innemen en in tongen spreken, die daar gehoord en begrepen worden, is dit voor de engelen een aanduiding dat wij ons uitstrekken naar de volmaaktheid die onze Heer Jezus Christus reeds heeft bereikt. Aan Hem is de heerschappij in de hemel en op aarde overgegeven met de opdracht om vele zonen tot dezelfde heerlijkheid te leiden. Dan openbaren zich in een ontwikkelings proces ook de geestelijke begaafdheden in de mens Gods, zoals die van kennis en wijsheid, welke men niet kan zien maar wel opmerken. In de onzichtbare wereld mogen de volle evangeliechristenen door het spreken in talen van engelen ook autoriteit uitoefenen, want het is de Heilige Geest die in en door hen spreekt (Hand.2:4).

Er zijn geestelijke en ongeestelijke christenen, waarbij niet gezegd kan worden dat alle tongensprekers geestelijke mensen zouden zijn. Tot hen schreef de apostel: 'En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts tot vleselijke nog onmondigen in Christus' (1 Cor.3:1) Het woord 'geestelijk' duidt niet op een gevoelswaarde noch op dierbare vroomheid en ernst, maar op een wandel, een strijd, een overwinning in de hemelse wereld waar men zijn schatten bijeen vergadert. Het is jammer dat vele Pinkstermensen niet weten wat ze met de glossolalie aan moeten. Zij spreken in tongen vanuit een geloof in de schriften, maar zonder inzicht, want dat zij hierdoor bewust hun plaatsen tussen de hemelingen kunnen gaan innemen, is hun onbekend. Daarom verwaarlozen zij deze gave zo gemakkelijk.

Voor vele gelovigen vormen ook het aardse Israël en het oude Jeruzalem een belangrijke factor in hun denken. Zij hebben hun geloof verbonden met het oude volk van God. Daarom kunnen zij zich slechts met de grootste moeite naar het hemels Jeruzalem verplaatsen. Schreef de apostel niet in tegenstelling met de oude bedeling: 'Gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen'? (Hebr.12:22). Zulke christenen zien niet in dat hun natuurlijk-Israëlvisie een surrogaat is van de Nieuw Testamentische geestelijk-Israëlleer. Religieus gezien kun je evenwel niet met je ene been in het aardse Jeruzalem staan en met het andere in het hemelse. Het is het een of het andere.

Broeder Kits merkt in zijn recensie nog op dat hij geen ervaring heeft van het spreken in tongen en er ook nooit naar heeft verlangd. Ik denk dat deze uitspraak verband houdt met onbekendheid aangaande het geestelijk nut en de belangrijkheid van deze gave voor de mens die wandelt in de hemelse gewesten. De vernieuwing van het kontakt met Karel Hoekendijk, de leider van een beweging die destijds de glossolalie centraal had staan, heeft in deze zienswijze blijkbaar geen wijziging gebracht. Ik denk aan een soortgelijk kontakt dat ik in februari 1962 in het jaarbeursrestaurant met deze bekende evangelist had. Hij was in een bijeenkomst van de volle-evangeliezakenlieden uitgenodigd. Hij sprak daar over de herbouw van de tempel in onze tijd en wel op het fundament van verzoening en de verlossing door Jezus Christus. Ik meende dat er door de broeders sinds die tijd heel wat is gebouwd. Dat men bij dit optrekken in de loop der jaren verschillende gebouwen gekregen heeft, is wel duidelijk. In kvo heb ik getracht toe te zien dat van onze zijde niet met hout, hooi of stro - dus vergankelijke zaken - werd gebouwd, maar met goud, zilver en kostbaar gesteente - beeld van de onvergankelijke zaken (1 Cor.3:12). Men moet deze belangrijke verschillen in de opbouw niet trachten te verdoezelen, maar ze als een concreet gegeven accepteren. Anders misleidt men zichzelf en de schare, of wordt men een opportunist. Men kan de broeders die er anders over denken naar hun persoon toch wel liefhebben zonder aan de liefde tot de waarheid tekort te doen. Wat mijzelf betreft, sluit ik geen enkel compromis tussen een hemelse en aardse leer.

Voor een ieder christen en zeker voor een geestelijk leider gelden de woorden van Paulus: 'Ik wilde wel - of liever ik begeer - dat gij állen in tongen spreekt'. De apostel kende de geestelijke waarde en de kracht ervan, want hij dankte God, dat hij meer dan allen in tongen sprak (1 Cor.14:5,18). Paulus kende deze ervaring en verlangde er intens naar, dat zijn volgelingen haar ook zouden beleven.

'Dit is het', riep Petrus vol blijdschap uit. Dit is nu waarvan de profeet Joël destijds sprak, toen hij profeteerde over de heerlijkheid en onuitsprekelijke vreugde die aan ons zou geschieden. Maar Joël had het toch niet over het spreken in tongen, maar over gezichten zien, dromen dromen en profeteren. Toch kon Petrus zeggen: dit is het, dit spreken in vreemde talen, waarover Joël sprak, toen hij het machtige revival voorspelde tegen de achtergrond van de dag des Heren. Dit verstandloze spreken in tongen, dit zich bewust overgeven aan de leiding van de Heilige Geest, deze machtige doorbraak van omhoog, dit opspringen van het nieuwe leven zonder enige remming in het denken, baant de weg tot een direct kontakt met de eeuwig levende God die geest is, en met de hemelingen in de stad Gods. De engelen die als gedienstige geesten bestemd zijn om uitgezonden te worden ten behoeve van hen die de zaligheid beërven, horen het en verblijden zich. Zij horen ons een iegelijk in zijn eigen engelentaal. De duivelen horen deze tongentaal die soms hun taal is, en zij sidderen, omdat de Heilige Geest zelf in ons de woorden inspireert. Wij weten toch dat boze geesten uitdrijven en in nieuwe tongen spreken ten nauwste aan elkaar zijn verbonden (Marc.16:17).

De volmaakte eindtijdgemeente staat bij de troon van God. Haar leden horen zijn stem en spreken zijn woorden. Ze zijn een deur binnengegaan die hen in het Koninkrijk der hemelen voert. Paulus sprak over een weg die omhoog voert, tot de top van de berg Sion. Verbonden met de liefde leidt het spreken in tongen zelfs 'veel verder omhoog' (1 Cor.12:31).

zie voor ander artikelen kvooverz