kvo 47e jaargang nummer 9 sept.83

J.E.v.d.Brink

(brieven van lezers)

Kent satan onze gedachten

Vraag: 'Kent de satan (al) onze gedachten? Of is het zo dat elke gedachte óf van God óf van een boze geest komt?

Antwoord:

Wanneer op zekere dag de vorsten in de hemelse gewesten voor de troon van God vergaderd zijn, stelt Deze de vraag aan de satan: 'Hebt gij ook acht geslagen op mijn knecht Job? Want niemand op aarde is als hij, zo vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad' (Job 1:8,9). In de septuaginta staat: 'Hebt gij ook ijverig op hem gelet?' De boze had deze knecht van God intensief gadegeslagen en bestudeerd vanuit de onzienlijke wereld, waarin gedachten en overleggingen des harten worden geboren. Kende de satan nu de gedachten van Job werkelijk? Het antwoord is: neen, want hij zei tot God: 'Is het om niet dat Job God vreest?' De satan kon dus de diepste gedachten van deze godsman niet peilen en hem dus in zijn denken niet volgen. De liefde die Job in zijn hart voor God koesterde en van waaruit zijn gedachten ontsproten, was voor de boze een geheimenis en een onbekend begrip geworden. Jobs hoger gedachtenleven was voor hem verborgen. Ditzelfde merken we op bij mensen, die beweren dat al onze gedachten met zonde zijn bevlekt. Die kunnen zich ook niet indenken wat de eigenlijke beweegredenen van de ware christen zijn. Zo sprak Elifaz tot Job: 'Zou een sterveling rechtvaardig zijn tegenover God, of een man rein tegenover zijn Maker? Zie, in zijn dienaren stelt Hij geen vertrouwen, en bij zijn engelen vindt Hij dwaling ; hoeveel te meer bij hen die in lemen hutten wonen' (Job 4:17-19). Elifaz tastte hiermee de naam van de Maker aan en ontheiligde deze, 'want God wordt sedert de schepping der wereld uit zijn werken met het verstand doorzien (Rom.1:20).

Job was een rechtvaardig en onberispelijk mens en dit kon Elifaz zich niet indenken. Zonder enig bijoogmerk, maar alleen omdat hij de Here liefhad, kon Job getuigen: 'Ik redde de ellendige die om hulp riep, de wees en hem die geen helper had; de zegenwens van wie onder dreigde te gaan, kwam op mij, en het hart der weduwe deed ik jubelen; met gerechtigheid bekleedde ik mij, en mijn recht bekleedde mij als een mantel en hoofddoek; tot ogen was ik voor de blinde, en tot voeten voor de kreupele; een vader was ik voor de armen', of even later deze uitspraak: 'Ik had met mijn ogen een verbond gesloten, hoe zou ik dan een maagd hebben aangezien?' (Job 29:12-16; 31:1). God doorgrondde en kende Job en Hij verstond van verre diens gedachten (Ps.139:1,2). Hij getuigde dat Job vroom en oprecht was, godvrezend en wijkend van het kwaad, maar uit de woorden van Elifaz blijkt dat deze 'vrome' gebonden man de gedachten van Job niet verstond en niet aanvaardde. Ze waren voor hem dwaasheid.

Maar kent de satan dan de gerechtigheid niet vanuit herinnering aan zijn volmaakt verleden? In Ezechiël 28:17 staat dat hij met zijn vergane luister ook zijn wijsheid had verloren. In dit opzicht lijdt hij aan seniele aftakeling. Hij kan niets meer van zijn oude luister grijpen. Zijn vijandschap tegen het plan van God met de mens om deze boven alle schepselen te verheffen, heeft hem geheel verblind. Hij kan nog alleen maar denken vanuit zijn negativisme en daarom vindt de leugen in hem zijn oorsprong. Uit hem komt de slagzin: wij zijn allemaal zondaars. Daarom zijn bevrijding, verlossing, herstel en genade onbekende begrippen voor hem en ook voor hen wier denken hij heeft vergiftigd. Jezus sprak: 'Bij een ieder die het woord van het Koninkrijk hoort en het niet verstaat, komt de boze en rooft wat in zijn hart gezaaid is'. Het woord der waarheid wordt dan overwoekerd door de leugen.

Met zijn geest schept de natuurlijke mens ook gedachten. Hij denkt aan zijn tuin, aan de wiskundesom, aan zijn zaak, aan zijn vrouw en kinderen. Hij heeft natuurlijke wijsheid en ziet aan wat voor ogen is en daarnaar beoordeelt hij zijn medemens. Zo dacht Samuël dat Eliab, de oudste zoon van Isaï, wel vanwege zijn eerstgeboorterecht en zijn rijzige gestalte, koning zou worden. God sprak evenwel tot Samuël: 'Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens ziet toch aan wat voor ogen is, maar de Here ziet het hart aan' (1 Sam.16:6,7). Komt de natuurlijke mens in aanraking met Gods gedachten, dan kan hij deze niet accepteren, indien hij niet door het woord van God wordt wedergeboren, dus vernieuwd in zijn denken: 'Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is' (1 Cor.2:14,15) Zo sprak Festus met luider stem: 'Gij spreekt wartaal, Paulus, uw vele studie brengt u in de war' (Hand.26:24). De demonen spelen in op de menselijke wijsheid, die op zichzelf natuurlijk niet verkeerd behoeft te zijn (Jac.3:15). Daarom moet de mens vernieuwd worden in zijn denken en de gedachtenwereld van het rijk van God overnemen. Daar staat de satan buiten en kan hem hierin niet volgen.

Tot Petrus sprak de Heer: 'Ga weg, achter mij, satan; gij zijt Mij een aanstoot, want gij zijt niet bedacht op de dingen Gods, maar op die der mensen' (Matth.16:23). Op de zuiver menselijke gedachten kon de satan inspelen. Petrus had medelijden met Jezus en reageerde emotioneel op de mededeling van zijn Heer dat deze moest lijden en sterven. De gedachten van God en die van Jezus en van allen die door de geest geleid worden, liggen bij de onwedergeboren en natuurlijke mens buiten zijn voorstellingsvermogen. Het komt in de 'gedachten' van een rups niet op zich in de lucht te verheffen en te gaan vliegen. Maar voor een vlinder is dit een doodgewone zaak.

In 2 Corinthiërs 2:6-8 staat: 'Toch spreken wij wijsheid bij hen, die daarvoor rijp zijn, een wijsheid echter niet van deze eeuw, noch van de beheersers dezer eeuw, wier macht te niet gaat, maar wat wij spreken, als een geheimenis, is de verborgen wijsheid Gods, die God reeds van eeuwigheid voorbeschikt heeft tot onze heerlijkheid. En geen van de beheersers dezer eeuw heeft van haar geweten, want indien zij van haar geweten hadden, zouden zij de Heer der heerlijkheid niet gekruisigd hebben'. Het is niet omdat de boze vorsten des hemels de profetieën aangaande het lijden en sterven van Jezus niet kenden, maar omdat ze deze dwaas en onzinnig vonden. Zij dachten het beter te weten dan God Zelf. Zij meenden, dat wanneer zij Jezus op aarde uit de weg hadden geruimd, zij het dan gewonnen hadden. Deze suggestie had de satan ook aan Petrus gegeven. Deze meende ook dat het bij het sterven van Jezus een afgelopen zaak was. De overste dezer wereld kon zich niet voorstellen dat dan juist in de hemelse gewesten zulke veranderingen zouden plaats grijpen, die Jezus alle macht in hemel en op aarde zouden schenken.

Jezus sprak later tot zijn discipelen: 'Ik noem u niet meer slaven, want de slaaf weet niet, wat zijn Heer doet; maar u heb Ik vrienden genoemd, omdat Ik alles, wat IK van mijn Vader gehoord heb, u heb bekend gemaakt' (Joh.15:15). Natuurlijk ziet de slaaf wel wat zijn heer doet, maar hij heeft er geen deel aan. Hij staat buiten het gedachteleven van zijn meester. Hij leeft in een andere wereld dan zijn heer. Hij kent diens beweegredenen niet.

Blinde haat tegen God heeft het verstand van de boze verduisterd en zijn wijsheid teniet gedaan. Hij trekt alles in zijn eigen vlak, in het rijk der duisternis, en tracht daar ook de mens blijvend te lokaliseren. Wanneer iemand een valse profeet aan de deur krijgt, heeft hij in feite met een boze geest te doen. In 1 Johannes 4:1 staat: 'Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan'. Zo'n valse profeet kun je niet met de waarheid overtuigen, omdat je met een religieuze demon niet kunt redeneren. Denk maar eens aan een gesprek met een of andere leider van het Wachttorengenootschap. Het interesseert de geest niet wat je zegt, maar hij wacht slechts op de gelegenheid om je te infiltreren. Zo kan men ook een geesteszieke niet overtuigen door redenering. Een boze macht heeft de schizofrene patiënt zo in zijn greep, dat deze zelfs stellig gelooft de zoon van de koningin te zijn of de directeur van de inrichting. Hij voelt zich bespioneerd, vergiftigd en beïnvloed, en dat op de meest bizarre en onmogelijke wijzen. Geen wonder dat men deze ziekte tot de 'onge- neeslijke' rekent. Ze draagt het wezenskenmerk van het rijk der duisternis in zich, namelijk de verleugening.

Wanneer wij in de hemelse gewesten als zonen Gods geindentificeerd worden, staan wij tegenover de boze geestenwereld. De onderling verdeelde machten bevinden zich dan tegenover de menselijke geest die niet meer verdeeld is maar één. De demonen staan dan tegenover het voor hen grote onbekende, namelijk de sfeer en het klimaat van Jezus Christus. Daar zijn ze bang voor en komen er door in paniek. Op deze wijze verdrijft het licht de duisternis. Niet omdat we hard tegen de boze geesten schreeuwen of hen overtuigen door diepzinnige theorieën, maar omdat het leven van Jezus in ons is en wij zijn naam die boven alle naam is, in ons binnenste geschreven hebben. Wij spreken onze vijanden dan aan in hun eigen taal, die de Heilige Geest ons doet uitspreken. Dit is bij ons een zaak des geloofs, een zekerheid aangaande de dingen die wij hopen en een bewijs der zaken die wij niet zien (Hebr.11:1). Hun eigen oversten dwingen hen ook door middel van engelentalen te gehoorzamen. Ze staan nu evenwel tegenover de zonen Gods uit de mensenwereld, die hen dwingen 'de knie te buigen', dus zich te vernederen, en te 'belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God de Vader' (Filip.2:10). De boze geest is immers van nature een dienaar van de mens. Zo werd hij geschapen en nu zal hij zijn oude positie ten opzichte van de mens - al is het tanden knarsende - moeten erkennen.

De boze geesten voelen zich minderwaardig, want ze hebben allen een geest van verwerping. Zij tellen bij God niet meer mee. Wanneer wij ons verheffen zoals Paulus dit deed, zullen zij klein worden (2 Cor.12:7). Zo begonnen zij Jezus eenmaal te smeken hen niet buiten het land te zetten, dat hun vorsten hun aangewezen hadden om daar te opereren.

De conclusie is: de boze geesten kennen de natuurlijke gedachten van de mens en spelen daar op in. Zij kennen ook de boze en leugenachtige inspiraties, die zijzelf in de mens brengen. De gedachten van de wedergeboren mens Gods, die door de Heilige Geest geïnspireerd worden, zijn evenwel voor hen een onbegrijpelijke dwaasheid. Het enige wat de satan en zijn trawanten hiertegen kunnen doen, is, ze ondermijnen en roven door leugens. Zo trachtte een engel van de satan Paulus met geweld te verhinderen het goddelijk zaad, het woord der waarheid, uit te zaaien en op te kweken. Deze engel sloeg hem met vuisten, bezorgde hem dus overal zorg, lijden en strijd, opdat hij zich maar niet in de hemelse gewesten zou verheffen. De boze geesten zijn evenals de goede engelen wel begerig Gods plan en zijn gedachten die wij overnemen, te kennen. Het is evenwel alleen aan de zonen Gods toevertrouwd Gods gedachten ook te verstáán en te realiseren in het menselijk leven.

zie voor andere artikelen kvooverz.