kvo 47e jaargang nummer 9 september 1983

K.Goverts

A A N B I D D I N G

Het motief van aanbidding ligt ten diepste verankerd in het wezen van de mens. De mens is het enige schepsel dat de mogelijkheid heeft, God te leren kennen als Vader. Alleen de mens kan op deze wijze komen tot een familieband, een wezensverwantschap met God.

De hele schepping kan Gods lof verkondigen. Maar alleen de mens kan God leren te waarderen, Hem op zijn waarde te schatten. De mens is immers geschapen als Gods gelijkenis. En het gelijke wordt door het gelijke gewaardeerd. Omdat de mens een geest bezit, kan hij God die geest is, waarderen. Een vogel kan jubelen voor zijn schepper, maar hoe zal hij ooit Gods gedachten kunnen waarderen? Zelfs de engelen zijn slechts toeschouwers wanneer het gaat om het diepste geheim tussen Christus en de gemeente.

Gods verlangen is: gekend te worden. Daarom maakte Hij de mens. Zo is de mens van huis uit een aanbidder. Dat is zijn bestemming: God te waarderen. Daaruit volgt: alleen de mens die aanbidt, vindt zijn levensbestemming, alleen hij vindt zijn identiteit. Hij ontdekt wie hij is. In de aanbidding vindt de mens de vervulling van zijn wezen. We zouden kunnen zeggen: het is niet goed dat de geest van de mens alleen zij. Een mens zonder aanbidding is als een verdwaalde, een van het anker losgeslagen schip, een van zichzelf vervreemde, eenzaam dolende, op reis naar niemandsland.

De mens zonder God is gaan zoeken: waar kan ik iets vinden dat ik aanbidden kan? Maar al wat hij vond, was te klein. Hij aanbad, maar het was zijn aanbidding niet waard. Hij zocht iets voor de honger van zijn geest, vulling voor de leegte van zijn ziel. Tastend, vragend ging hij rond, maar de honger bleef.

Iets onpersoonlijks kon zijn geest niet verzadigen. Uit heel zijn wezen kwam de roep om een ander persoonlijk genoeg om lief te hebben, groot genoeg om te aanbidden; persoonlijk genoeg om aan te spreken, oneindig genoeg om alle waardering waard te zijn. De oprechte mens, zoekend naar waarheid, zag alle goden aan zich voorbijgaan, maar hij zei: 'Neen, zij zijn het niet; zij zijn te klein'. 'Wij zijn goden', zeiden zij. 'maar te klein voor een hongerig hart', zei hij.

Toen kwam Jezus en Hij zeide tot de mens: 'Kom maar, Ik breng je bij God'. En Hij nam hem mee en de mens kwam waar hij nog nooit geweest was en hij stond in ademloze verbazing, heel zijn wezen werd vervuld met verwondering. Hier was eindelijk Iemand tot wie hij met al wat in hem was, kon zeggen: 'Gij!' Toen wist hij: dit is wat ik heb gezocht, dit is God, dit is mijn God, mijn aanbidding waard. Gij zijt mijn God, U zal ik loven, verhogen uwe majesteit.

Jezus kwam en de mens ontdekte de waarde van God. Jezus sprak erover met de Samaritaanse vrouw: de Vader zoekt aanbidders. Uitgerekend met deze vrouw, beeld van de mens die altijd zoekt en nooit vervulling kent. Haar dorst werd nimmer gelest. Jezus leerde haar aanbidden in geest en waarheid, vanuit de gedachten Gods. Zo wordt deze vrouw weer mens, zo vindt zij haar bestemming, zo vindt zij haar identiteit in God.

Door de eeuwen zien we enorme krachten in het geweer komen rondom de aanbidding. Daar is blijkbaar het een en ander aan de hand. Het is de worsteling die de Psalmist ervoer in zijn eenzame strijd, toen hij moest verzuchten: 'Denk ik aan God, dan kreun ik' (Psalm 77:4). Om dan tenslotte daar doorheen te komen tot de uitroep: 'Wie is een God, groot als God?' (Psalm 77:14).

Dat is geen oppervlakkige blijdschap doch een lied dat door het vuur heengegaan is. In dit verband is er een merkwaardig feit dat we door de bijbel heen telkens weer tegenkomen: steeds opnieuw zijn daar de pogingen om de aanbidding te blokkeren.

God sprak bij monde van Mozes: 'Laat mijn volk gaan om te mijner ere in de woestijn feest te vieren' (Ex.5:1). Maar de farao verzet zich; hij heeft liever een klagend volk in Egypte dan een zingend volk in de woestijn. In wezen zit het hierop vast: hij is tegen aanbidding. En waarom? Hij zegt: 'Ik ken de Here niet' (Ex.5:2). De farao is gewend om zelf aanbeden te worden.

Nebukadnezar maakte een beeld. Iedereen moest daar voor buigen. Dan zijn er drie die verklaren: wij eren alleen God. En op dat moment wordt het duidelijk welke krachten er loskomen uit de geestelijke wereld in verband met de vraag: wie heeft er nu recht op aanbidding? De koning wordt woedend, de oven wordt opgestookt, dat is de ene kant van de zaak. Maar aan de andere kant zien we: in het vuur worden de zonen Gods openbaar.

Daniël werd in de leeuwekuil geworpen. Waarom? Omdat hij een aanbidder was. Hij was waarlijk mens. Hij hield vast aan zijn bestemming. Hij wist: ik ben er voor God. Hij hield zijn vensters open, want hij besefte: als ik mijn vensters sluit, sterft mijn geest. Dan krijgt mijn geest geen adem meer, dan wordt mijn hart verstikt. Daarom gooi ik onverminderd mijn ramen open, want mijn levensadem en mijn levenslicht is God.

God sprak reeds door Jesaja: 'Mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken' (Jes.56:7). Huis van aanbidders. Maar waarom? met welk doel? Dat ontdekken we als we wat dieper ingaan op de inhoud van die aanbidding. In Openbaring 4 wordt verteld van de oudsten dat ze zich zullen neerwerpen voor Hem die op de troon gezeten is, en Hem aanbidden. Dan wordt er ook bij vermeld wat ze zeggen: 'Gij, onze Here en God, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de macht' (vers 11).

Het sleutelwoord van deze tekst is: waardig. Het onderwerp dat byzonder wordt, is de waardigheid van God. De eindtijd betekent de onthulling van de waarde van God. De tijd gaat aanbreken dat God weer op zijn waarde geschat wordt. Dan zal men zingen: 'Allen die als goden blonken, zijn bij U in't niet gezonken'. God wint niet door kracht en geweld. Dat heeft Hij niet nodig. Want God bezit iets beters: zijn waardigheid, daar kan geen kracht tegenop.

zie voor andere artikelen kvooverz