kvo 47e jaargang nummer 5 mei 1983

J.E.v.d.Brink

HET ROEPINGSVISIOEN VAN JESAJA

'Een profetie van de voor ons bestemde genade'

Ook voor het roepingsvisioen van Jesaja geldt de waarheid uit 1 Petrus 1:10-12, dat de Geest van Christus die hem inspireerde, doelde op het lijden dat over de Christus zou komen en op de heerlijkheid die daarna zou volgen. Ook aan Jesaja werd geopenbaard dat hij niet zichzelf diende, maar ons. Wij willen daarom het gezicht uit Jesaja 6 - het enige dat van hem bekend is - transponeren in de bedeling van het Koninkrijk der hemelen en aantonen, dat deze profeet 'uit de verte' of in geestvervoering de realiteit van het onzienlijke Koninkrijk Gods zag, en 'omhelsde'. Ook Ezechiël profeteerde rijkelijk over deze geestelijke wereld, maar deed dit veelal in beelden die moeilijk te verklaren zijn. Het visioen dat Jesaja ontving, gaf hem voortaan een hemelse visie bij zijn profeteren. Daarom begint zijn boek met de woorden: 'Het "gezicht" van Jesaja, de zoon van Amoz, dat hij heeft gezien over Juda en Jeruzalem in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Jehizkia, koningen van Juda'. Hij profeteerde dus al een tijd, voordat hij plotseling een totale vernieuwing van denken onderging. Zijn roeping viel immers in het sterfjaar van Uzzia, dus kort na diens dood, toen grote politieke veranderingen plaatsvonden. Het verging hem als de blinde op wie Jezus tweemaal de handen legde. De eerste maal zag hij de mensen als bomen wandelen, maar de tweede maal zag hij alles duidelijk.

In het hemelse heiligdom

Uzzia was een machtig vorst geweest. Hij had zijn land tot grote bloei gebracht. Hij diende God zolang de profeet Zacharia - ons verder niet bekend - leefde. Toen deze geestelijke leidsman stierf, week de koning evenwel af, omdat hij geen leven had in zichzelf. Hij werd hoogmoedig en handelde snood, want hij trachtte zijn koninklijke waardigheid met een priesterlijke te verbinden. Hij drong het heiligdom binnen om reukwerk te ontsteken. Dit werd hem evenwel door de hoge-priester bijgestaan door tachtig priesters, belet. Toen hij zich hierover toornig maakte brak bij hem de melaatsheid uit aan het voorhoofd als teken, dat zijn denken onzuiver was en hij door een onreine geest gegrepen was. Tot aan zijn dood werd deze koning als een onreine apart gesteld en zelfs daarna 'in het veld naast de begraafplaats der koningen' ter aarde besteld. De naam Uzzia betekent 'kracht Gods', maar deze kracht week van hem vanwege zijn ongehoorzaamheid aan Gods instellingen (2 Kron.26).

Natuurlijk was het tempeldrama van koning Uzzia het onderwerp van gesprek, temeer daar spoedig na een tijd van welvaart een recessie volgde en de dreiging opkwam van het wereldrijk Assyrië en nog later van Babel. In dat kritieke jaar zag Jesaja evenals de ziener van Patmos een deur geopend in de hemel - er is sprake van dorpelposten - en kwam hij in vervoering des geestes. Hij werd in tijd en ruimte verplaatst en zag wat na hem in een andere tijdsbedeling zou geschieden. Hij trad het hemelse heiligdom binnen waarvan de aardse tempel slechts een schaduw was. Daar aanschouwde hij de Zoon des mensen op de troon van zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem. Hij zag de Heer zitten, dus niet Jaweh, die in onze vertalingen meestal met kapitale letters wordt aangeduid als HERE, maar Adonia, een naam die in het Grieks door kurios is vertaald, dus onze 'Here' Jezus. De profeet zag de komende Christus op de troon van God 'omdat hij zijn heerlijkheid zag en van Hem sprak' (Joh.12:41). Hij zag daar Jezus zitten, met heerlijkheid en eer gekroond, een teken dat hij op dat tijdstip alle macht in hemel en op aarde bezat. De sleep van zijn koninklijke gewaad vervulde de tempelruimte en bezat een glorie en kracht als teken dat het herstelplan van God in werking was getreden. Denk maar aan de symbolische daad van de bloedvloeiende vrouw, die de zoom van zijn kleed had aangeraakt en onmiddellijk genezen was.

Boven of liever om onze Heer waren de engelen die voor God staan. De Bijbel onderscheidt hen in twee groepen, namelijk de cherubs van wie een afbeelding boven het verzoendeksel van de ark was, en over wie wij de vorige maal schreven in verband met het beschutten van het Woord Gods, en verder in dit visioen de serafs. Deze verheerlijken het offer van Christus. Zij strijden met de zonen Gods uit de mensen mee om de waarde van dit offer te accentueren en de vrucht ervan te genieten. Zij verblijden zich immers als een zondaar zich bekeert. Zij richten zich op de vrijmaking van de zuchtende schepping en staan onder hun aanvoerder Michaël, 'die de zonen van uw volk terzijde staat' (Dan.12:1). Zonen Gods zijn altijd hemelburgers, hetzij engelen of mensen.

Jesaja zag de serafs als gevleugeld, waarbij niet gedacht moet worden aan iets natuurlijks, want engelen behoren tot de geestenwereld. Met hun zes vleugels beeldden zij iets uit. Met twee bedekten allen het gelaat, omdat zij de uitwerking van de verzoening niet konden begrijpen. Engelen begeren immers een blik te slaan in het evangelie, maar hebben zelf geen deel of kennis aan de redding, die door Hem die op de troon zit, als Lam van God, voor mensen was bewerkt (1 Petr.1:12). Met twee vleugels bedekten zij hun voeten, omdat zij als hemelboden ook dit evangelie Gods niet kunnen doorgeven. Het eeuwige voornemen van God met de mens kan slechts door mensen worden gepredikt, zoals Jesaja later schreef en door Paulus verkort werd geciteerd: 'Hoe lieflijk zijn de voeten van hen, die een goede boodschap brengen' (52:7 en Rom.10:15). Met de overige twee vleugels vlogen zij, een beeld dat zij actief functioneren in de hemelse gewesten.

De tempel is de gemeente

De apostel Johannes hoorde later een stem van vele engelen 'rondom' de troon. Ook hij merkte twee categorieën engelen op, want hij verdeelde hen in aantallen: tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen. Tezamen beaamden ze daar, dat de Zoon gesteld is 'tot erfgenaam van alle dingen'. Hun zevenvoudige lofprijzing duidde aan, dat alles wat de Vader bezit, aan Jezus is overgegeven: macht, rijkdom, wijsheid, sterkte, eer, heerlijkheid en lof (Openb.5:11,12).

Jesaja staat hier onverwacht in de toekomstige tempel van God, die niet op aarde maar in de hemel is. Dit heiligdom is de woonstede van God in de geestelijke wereld. Binnen haar muren kan men niet onheilig leven, want 'gij kunt niet de beker des Heren drinken èn de beker der boze geesten, gij kunt niet aan de tafel des Heren deel hebben èn aan de tafel der boze geesten' (1 Cor.10:21). Daarom weerklinkt de beurtzang der engelen: 'Heilig, heilig, heilig is de Here Zebaoth', de Here in wiens dienst het geallieerde leger van de zonen Gods - engelen en mensen - staat. Willen zij overwinnen, dan zullen zij heilig moeten zijn, dus geheeld en gescheiden van de demonen, want het oordeel of de scheiding begint bij het huis Gods.

Op de troon zijn de Vader en de Zoon, want de vraag wordt gesteld: wie zal Ik, Jezus, zenden, en wie zal voor Ons, Vader en Zoon, heengaan? Het positieve antwoord komt dan niet alleen van de profeet, maar door middel van de gemeente zal in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid van God worden bekend gemaakt. Dit zag Jesaja toen hij van Hem en over de voor ons bestemde genade profeteerde. Als hij uitroept: zend mij, is hij de representant van de zonen Gods in het nieuwe verbond, zo goed als hij later als type van Christus sprak: Wie gelooft onze prediking?'.

Jezus is de deur

Jesaja zag het lijden van Christus en zijn heerlijkheid daarna. Voor een man uit het oude verbond zag hij het ongelofelijke gebeuren, namelijk dat de toegang tot de tempel ontsloten werd, want de dorpelposten beefden. Vergelijk de situatie van Paulus en Silas in de kerker te Filippi, toen de grondvesten van de gevangenis schudden en alle deuren opengingen (Hand.16:26). Er gebeurde iets dat de onzichtbare wereld in beroering bracht. Voor het eerst in de heilsgeschiedenis werd een mens overgeplaatst naar de hemelse gewesten. Heeft de Heer der heerlijkheid niet gezegd: 'Als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot mij trekken'? (Joh.12:32). Een schare heiligen, gewassen en gereinigd door het bloed van het Lam, zou binnengaan als volmaakt rechtvaardigen en priesters van de Allerhoogste. Jesaja ziet dit alles met verbijstering. Deze omgeving en deze geopende deur behoorden niet meer tot zijn bedeling. Hij had er geen deel aan. Volgens de overlevering behoorde hij tot het Davidische huis, dus was hij evenmin een priester als koning Uzzia. De profeet staat nu bij een mijlpaal in zijn leven. Hij ziet Jezus, de Koning der koningen en de Here der heren en roept uit: wee mij, ik verga, want ik ben ook onrein evenals Uzzia en woon onder een volk dat melaats is van de voetzool tot de hoofdschedel. Dan ziet de profeet hoe de tempel geheel gevuld wordt met wierookwalm. ieder morgen en ieder avond werd op het reukofferaltaar edel wierook gebracht, maar op de Grote Verzoendag nam de hogepriester zelf een vat met gloeiende kolen van het brandofferaltaar in de voorhof en vulde beide handen met kostbaar, welriewkend reukwerk. Dit bracht hij achter de voorhang, opdat de rook ervan hem zou verhinderen de ark te zien, wat hem het leven kon kosten (Lev.16:13,14). Op de Grote Verzoendag werd driemaal zoveel kostbare wierook gebruikt als op andere dagen. De tempel werd dan vervuld met rook.

Wij weten wat de Grote Verzoendag werkelijk betekent. Christus is niet alleen het altaar maar ook het offer. Het 'vuur' beeldde de demonen uit, die zich verzadigen aan het offer, aan Christus, die de schuld der wereld heeft gedelgd. Ook Jesaja kreeg hier deel aan. Een seraf naderde hem met een (houts)kool of gloeisteen van het brandofferaltaar en raakte zijn lippen aan. Zijn mond en zijn gedachtenleven werden hierdoor gereinigd en vernieuwd. Vanaf dat moment was zijn prediking verbonden met de geest van het nieuwe verbond. Ook ontving hij een 'getuigenis'. Hij verkreeg wel niet de belofte om het hemelse vaderland binnen te gaan, maar zag haar uit de verte in een visioen en omhelsde haar (Hebr.11:13,39).

De moeilijke opdracht

De profeet hoeft nu niet meer te zeggen: ik kom om. Hij weet zich nu een rechtvaardige, die in de geest had ervaren wat later zou gebeuren. Ook voor hem zou Jezus sterven. Op de vraag wie nu met deze heilsboodschap wil uitgezonden worden, is zijn antwoord: hier ben ik, zend mij. Vanaf dit ogenblik begreep de profeet dat hij over een komende heilstijd moest spreken. Daarom stijgen zijn profetieën hoog op. Hij is de heraut des heils en zijn naam is een teken en zinnebeeld onder Israël, want hij betekent God des heils. Zijn godsspraken nemen in het Oude Testament een eerste plaats in en worden in het Nieuwe Testament het meest geciteerd. Hij kon zeggen: 'De Geest des Heren is op mij, omdat de Here mij gezalfd heeft' (61:1). Hij profeteerde: 'Troost, troost mijn volk' en wees erop dat het volk een dubbel deel zou ontvangen uit de hand des Heren, namelijk verzoening en de Heilige Geest (40:1). Hij sprak over de Here der heerscharen als de God van de ganse aarde (54:5). Hij nodigde de volken uit met: 'O, alle dorstigen, komt tot de wateren' (55:1). Hij profeteerde over een rijsje dat zou voortkomen uit de afgehouwen tronk van Isaï (11:1), maar beschreef ook de val van Lucifer in de hemelse gewesten (14:12). Hij voorspelde de herschepping van hemel en aarde (65:17).

Jesaja was dus een begenadigd en uitverkoren prediker, maar moest toch erkennen: ' Tevergeefs heb ik mij afgemat en vruchteloos mijn kracht verbruikt' (49:4) en 'wie gelooft, wat wij gehoord hebben?' (53:1). Zijn prediking had een negatief effect, want zijn Opdrachtgever sprak: 'Maak het hart - bij de Joden beeld van het verstand - van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich zou bekere en geneze worde'. Onze Heer nam deze woorden over, toen Hij zijn evangelie over het Koninkrijk der hemelen begon te prediken (Matt.13:13-15). Ook in Johannes 12:37-41 haalde Jezus deze woorden aan, toen Hij er zo uitdrukkelijk op wees dat Jesaja Hem had gezien en van Hem sprak.

Waarom moest dit volk de prediking van Jesaja en later die van Jezus afwijzen? Omdat de machten erdoor actief werden. Ze worden er immers door tentoongesteld en ontmaskerd. Dan wordt het juk dat drukte verbroken, evenals de stang op de schouders en de roede van de drijver (9:3). De demonen maken de religieuze mens, die zich oriënteert op de zichtbare dingen, blind en doof en zijn verstand wordt verhard. Daarom sprak Jezus tot het godsdienstige volk dat de poort die toegang geeft tot zijn Koninkrijk, nauw en de hoge weg smal is, en dat slechts weinigen hem kunnen vinden (Matt.7:13). De massachristen aanvaardt dit evangelie van de onzienlijke wereld niet. Daarom eindigt dit visioen met een beeld van een overblijfsel van het volk van God dat gered wordt: 'Evenals van een terebint en een eik na het vellen een tronk overblijft, zo zal mijn tronk een heilig zaad zijn'. Dit heilig zaad is de gemeente van eerstgeborenen die medearbeiders zijn van Christus bij het herstel van de ganse schepping.

zie voor andere artikelen kvooverz