kvo 47e jaargang nummer 4 april 1983

J.E.v.d.Brink

Het grote schisma in de hemel

Het woord 'schisma' komt van het Griekse werkwoord 'schizo' dat splijten betekent. In het spraak gebruik komt het alleen voor als scheuring in de kerk, waardoor de eenheid wordt verbroken. Het duidt op een afsplitsing waar allereerst organisatorische redenen in het geding zijn, maar verder ook leerstellige. Bekend is het grote schisma, toen in 1054 de scheiding plaatsvond tussen de oosters-orthodoxe kerk en de rooms-katholieke kerk. Sinds die tijd is het aantal scheuringen in de kerken zeer groot geweest. Ik noem bijvoorbeeld de reformatie, de scheiding tussen rooms en protestant. In ons land kennen wij dan nog de afscheiding en de doleantie, een splitsing tussen hervormden en gereformeerde gezindten. Er is zelfs een boek geschreven over de (staal)kaart van kerkelijk Nederland met haar vele denominaties, die voor een buitenstaander moeilijk uit elkaar zijn te houden. Men onderscheidt ook vele Pinksterstromingen waarvan de verschillen alleen aan insiders bekend zijn.

Tot troost van hen die een Gods naam onterende scheuring meemaakten, mag ik erop wijzen dat alleen de wijze en goede God ook betrokken was bij een verschrikkelijk schisma dat desastreuze gevolgen heeft gehad. Naast het Koninkrijk van God was daarna sprake van het koninkrijk van de satan. Ook onder de hemelingen moest er een scheuring zijn om te doen blijken wie onder de engelen de toets zouden kunnen doorstaan (1 Cor.11:9). Wij willen dit drama van de begintijd nader bezien.

Het doel van de schepping

Het was van eeuwigheid een verlangen van God, dat er een mensheid zou komen, die zijn beeld zou dragen en van zijn niveau zou zijn. Hij zocht een levenspartner die bij Hem paste, die zijn troon zou delen en in wie de ganse volheid der godheid lichamelijk zou wonen, dit wil zeggen die door de inwoning van de Heilige Geest zijn natuur zou deelachtig zijn. Deze schare mensen zou zeer talrijk moeten zijn, want in hen zou het ganse creatieve vermogen en de veelkleurige wijsheid van de Almachtige worden geopenbaard. God wil immers alles zijn in allen, zodat Hij eenmaal zijn scheppingswerk kan voortzetten met een hemels parlement waarmee Hij een onverbrekelijke eenheid vormt. Omdat de mens in twee dimensies zou moeten functioneren, eiste het verheven voornemen van God een zorgvuldige voorbereiding zowel in de onzienlijke als in de zienlijke wereld. Er zou eerst in de hemel en op aarde een voor de mens passende omgeving moeten komen, waardoor hij in staat zou zijn deze dubbele functie goed te vervullen. Zo ontstonden op aarde een flora en een fauna waarover de mens zou heersen en waarvan hij gebruik kon maken. Opdat hij zijn aardse macht zou kunnen uitoefenen, begiftigde de Schepper hem met kennis, wijsheid en creativiteit, 'met heerlijkheid en luister'. Hij maakte hem naar zijn beeld 'bijna' goddelijk (Ps.8:6,7).

Er staat dat God de mens naar zijn beeld schiep (Gen.1:27). De volgende fase zou dan zijn dat hij ook als gelijkenis zou functioneren. Hij zou daartoe moeten metamorfoseren of van gedaante veranderen, zoals er staat: 'De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel' (1 Cor.15: 47). De apostel Johannus drukt deze verandering zo uit: 'Het is nog niet openbaar geworden wat wij zullen zijn. Toch weten wij, dat wanneer de openbaring gekomen is, wij aan Hem gelijk zullen zijn' (1 Joh.3:2 Can.Vert.). De herschapen mens zal dan de heerschappij hebben in hemel en op aarde. Hij zal op de troon van God zitten als een volmaakt geestelijk wezen zoals Jezus daar op dit ogenblik reeds is.

Er staat dat God eerst de hemel schiep, dat betekent dat Hij eerst de geestenwereld formeerde tot wie Hijzelf behoorde. Deze wezens zijn volkomen onzichtbaar voor het natuurlijke oog. Ook de ziel en de geest van de mens zijn onzichtbaar, hoewel ze bij de natuurlijke mens alleen gericht zijn op wat van de aarde is, evenals dit met levensgeest van planten en dieren het geval is. De natuurlijke mens is dus geen 'burger' van een rijk in de hemelen (Filip.3:20).

De engelen zijn zonder uitzondering geschapen ten dienste van de mens, die het heil zal beërven (Hebr.1:14). Zij kennen geen ontwikkeling of groeiproces en ook geen voortplanting: 'Toen gij geschapen werd, waren zij gereed', te weten de schitterende talenten, die vergeleken kunnen worden met allerlei edelstenen, die hen als het ware versierden en hun schoonheid uitdrukten (Ez.28:13). Ook was hun aantal af. Er waren ontelbare engelen. Onder de heilige engelen is sprake van een groepering van tienduizend maal tienduizendtallen die voor God stonden (Dan. 10:7 ; Hebr.12:22 en Openb.5:11). Van de afgevallen engelen wordt alleen al een aantal vermeld van tweemaal tienduizend tienduizendtallen, dat bij de grote rivier, de Eufraat, nog gebonden is (Openb.9:16).

De dienst der cherubs

Toen God Zich aan de priester-profeet Ezechiël in Babel openbaarde, zag deze in een wonderlijk visioen tijdens een storm in de donkerte van een zware wolk met uitschietende bliksemflitsen zoiets dat de vorm had van een troon. In dit visioen stond de hemelse troon in verband met de heerlijkheid van de Here God, maar tegelijkertijd zag de profeet op die troon 'een gedaante, die er uitzag als een mens' (Ez.1:26). Men kan hierbij met een kleine wijziging de woorden uit Johannes 12:41 toepassen: 'Dit schreef Ezechiël op, omdat hij zijn heerlijkheid zag en van Hem, Jezus sprak'. In zijn verheerlijkt lichaam blijft Hij uitgebeeld in de gedaante van een mens. De altaar-achtige wagentroon werd gedragen door vier cherubs. De profeet is vaag in zijn beschrijving, want hij moet als het ware tegen een verblindend licht opkijken. Boven de troon zag hij - genade en zegen voorspellend - nog de regenboog, het teken van Gods eeuwig verbond met de mens. Alles wijst erop dat Ezechiël hier over de voor ons bestemde genade profeteerde en de Geest getuigenis gaf van al de heerlijkheid die op het lijden van Christus zou volgen (1 Petr.1: 10,11). Later kreeg de apostel Johannes een soortgelijk gezicht, toen de hemel voor hem op een bijzondere wijze werd geopend. Rondom de troon waren dan nog 24 tronen van de 24 priester-koningen in het hemelse Jeruzalem. Deze tronen vormden een onderdeel van de grote witte troon, waarop allen zullen zitten, die in de strijd tegen de boosaardige geesten op dezelfde wijze zullen overwinnen als hun Heer (Openb.3:21).

In het begin spreekt Ezechiël over de vier merkwaardige troondragers als over vier 'wezens' of vier 'gestalten', maar later is het alsof het hem duidelijker wordt, en heeft hij in hoofdstuk 10 veelvuldig over cherubs. Johannes gebruikt in de openbaring het vagere 'de vier levenden' of 'levende wezens' hetgeen een betere vertaling is dan 'dieren'. Hij gebruikt trouwens hetzelfde woord dat ook in de septuagint, de Griekse vertaling van het Oude Testament, voorkomt. We hebben dus te maken met een groep engelen of hemelboden, die de naam 'cherubs' dragen. Dit woord betekent 'lichtgestalten' (Babylonisch kariboe, dat is lichtwezen). Een cherub zag er volgens Ezechiël aldus uit: vier aangezichten: vóór mens, terzijde leeuw en stier, achterzijde adelaar. Ook de verdere beschrijving heeft te maken met de levende aardse schepping, die zij in het bijzonder moeten dienen of beschutten. Zomin wij evenwel ons een voorstelling mogen maken van de troon van God als een stoel in de hemel, zomin moeten wij ons daar concreet natuurlijke 'dieren' voorstellen. Wanneer de boze en onreine geestenwereld veelvuldig als dieren worden uitgebeeld, zo zien wij dit hier bij de cherubs.

De taak van Lucifer

In de profetieën van Ezechiël krijgt men in kort bestek een overzicht van het verlossingsplan van God. Aan het einde leest men over een herstelde tempel en een herbouwd Jeruzalem, maar men vindt er ook de klaagzang over de trotse vorst van Tyrus en krijgt daarmee plotseling een doorkijkje in de hemelse gewesten, waarin de val van de satan wordt beschreven. De hoogmoedige en gewelddadige vorst van Tyrus in Ezechiël 28:11-19 is de personificatie van de 'lichtdrager', die in Jesaja 14:12 de 'morgenster' of met de Latijnse benaming 'Lucifer' wordt genoemd. Hier wordt dan de val van de antigoddelijke macht uit Genesis 5 beschreven:

'In Eden waart gij, Gods hof; allerhande edelgesteente overdekte u... Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels; Ik had u een plaats gegeven: gij waart op de heilige berg der goden, wandelende temidden van vlammende stenen. Onberispelijk waart gij in uw wandel, vanaf de dag dat gij geschapen werd, totdat er onrecht in u werd gevonden: door uw uitgebreide handel zijt gij vervuld geraakt met geweldenarij en kwaamt gij tot zonde. Van de berg der goden verbande Ik u en deed u weg, gij beschuttende cherub, van tussen de vlammende stenen. Trots was uw hart op uw schoonheid - met uw luister hebt gij ook uw wijsheid te niet doen gaan. Ter aarde wierp Ik u neer... een verschrikking zijt gij geworden, verdwenen zijt gij - voor altijd!'

Wij zien hier duidelijk wat de taak der cherubs is: zij moeten het hoogste wezen van God beschermen, beschutten of dragen, namelijk zijn gedachten en zijn woord. Vers 14 zegt: 'Gij waart een beschuttende cherub. Ik had u een plaats gegeven'. Lucifer was het hoofd van deze hoogste engelenorde. Hij wandelde temidden van vlammende stenen, de lichtdragende engelen, die de troon dragen zoals de priesters dit de ark deden. Zij zijn uitverkoren om het licht van het woord van God door te geven, het eeuwige evangelie (Openb.14:6). In Psalm 103:20 staat van hen: 'Looft de Here, gij zijn engelen, gij krachtige helden die zijn woord volvoert, luisterend naar de klank van zijn woord'. Deze zonen Gods, deze vorsten in de geestelijke wereld, stellen zich voor de Here op om geïnstrueerd te worden door diens gedachten en zij geven dit weer door aan degenen die onder hen staan (Job.1:6). Een aartsengel of zeer voorname engel onder hen is Gabriël, 'die voor God staat' (Luc.1:19). De cherubs weten niet alles, maar zij begeren in het plan van God een blik te slaan (1 Petr.1:12).

Als hoofd van ontelbare hemelingen had Lucifer een 'uitgebreide handel'. Hij was de organisator die de zorg had dat de engelen overeenkomstig zijn instructies handelden. Lucifer, de morgenster, wordt in Jesaja 14:12 ook 'zoon des dageraads' genoemd, want hij was de eerste van de oude schepping. Later komen de andere zonen Gods en dan de gewone engelen. Ook Jezus wordt de blinkende morgenster genoemd, omdat Hij het begin is van de nieuwe schepping Gods (Openb.3:14,22:16). Voor allen die met Hem het rijk van satan onderwerpen, geldt: 'Wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart...Ik zal hem de morgenster geven', dit wil zeggen Ik voeg hem bij de machtige Overwinnaar , Jezus Christus, de Zoon van God.

De val van Lucifer

Lucifer was het hoofd van de beschuttende cherubs. Hij had de opdracht ervoor te zorgen dat al wat uit Gods mond kwam, pre-cies werd uitgevoerd. Zijn voornaamste taak was om de lege plaats op de troon van God te beschutten, dus toe te zien dat het volle woord Gods daar gestalte kreeg. Zo had Adam later in het Eden op aarde ook een beschuttende taak. Hij moest deze hof bewerken, instandhouden en bewaren.

Na de schepping van de hemel koos God de planeet aarde, die evenals alle hemellichamen nog woest en ledig was, uit om haar te ordenen. Deze chaos en duisternis was niet een gevolg van een pre-Adamitische val der engelen, maar de Schepper handelde als een beeldhouwer die langzaam een ruwe klomp steen gestalte geeft. Hoemeer de schepping vorderde, temeer blijdschap er in de hemel was en hoemeer eer voor de Schepper. Ook toen de mens geschapen werd, waren alle engelen vol blijdschap en lof, want er staat dat 'al de zonen Gods jubelden, terwijl de morgensterren tezamen juichten' (Job 38:7). De 'handel' van de beschuttende cherub werd hiermee uitgebreid. De volledige gedachte van God aangaande de mens was evenwel niet aan de engelen bekend gemaakt. Zo lang Adam nog niet in een hemels wezen gemetamorfoseerd was, moest hij nog beschut worden door cherubs, zoals een onvolwassen kind door zijn ouders. Voor hem gold: 'Gij hebt hem voor een korte tijd benéden de engelen gesteld' (Hebr.2:8). Ook voor Adam gold: 'Want hij zal aangaande u zijn engelen gebieden, dat zij u behoeden op al uw wegen; op de handen zullen zij u dragen, opdat gij uw voet niet aan een steen stoot' (Ps.91: 11,12). Ook Jezus werd in de tijd dat Hij door de Vader geheiligd werd, beschut door engelen. Denk er maar aan hoe de engel Jozef opdroeg om met het kind en zijn moeder naar Egypte te vluchten. Ook Jezus kende deze bescherming, want tot zijn discipel sprak Hij: 'Breng uw zwaard weder op zijn plaats...of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen?' (Matth.26:52,53). Volwassen als de Heer was, had Hij noch de bescherming van een medemens noch die van de engelen nodig, want Hij wist dat Hij de strijd alleen zou strijden en overwinnen zou! Bij de verzoeking van onze Heer in de woestijn was gebleken hoe de afgevallen cherub Lucifer nog deze taak der engelen kende, toen hij Psalm 91 aanhaalde.

Op de heilige berg der 'goden' was Lucifer de allergrootste. 'Goden' zijn volgens exodus 4:16 inspirators. Mozes werd daar de god van Aäron genoemd. Ook de engelen waren geroepen de woorden Gods te inspireren of over te brengen. Denk maar aan de wetgeving die door middel van de engelen plaats vond. Het is wel duidelijk dat Lucifer na zijn val dit vermogen zwaar misbruikte door de waarheid te veranderen in de leugen.

Oorspronkelijk wandelde Lucifer te midden van de vlammende stenen'. Hij was vol wijsheid en de organisator in het Koninkrijk Gods. Zo lang de mens op aarde verbleef, beschutte Lucifer hem zodat hij zich ongestoord kon ontwikkelen. Toen Adam evenwel in de hof van Eden werd geplaatst en de vrucht van de boom des levens begon te nuttigen, veranderde Lucifer van houding. Het hield immers in dat de mens 'aan de tafel van God ging eten en drinken'. God ging hem het Koninkrijk beschikken, dat wil zeggen dat het Koninkrijk Gods voor hem 'nabij kwam' (verg.Luc.22:29,30). De Here zocht gemeenschap met de mens en begon rechtstreeks met hem te spreken en wel buiten de engelen om 'die zijn woorden volvoerden'. Lucifer zag hoe naast de zonen Gods uit de engelenwereld er ook zonen Gods uit de mensen de hemel werden binnengevoerd. Ja, in een ontwikkelingsfase zou het woord van God vlees worden en zou de mens opstijgen boven de engelen, want de metamorfose was begonnen en de laatste geschapene zou de eerste zijn. De eerstgeborene der schepping voelde zich gepasseerd en in zijn rechten aangetast, toen God zijn bedoeling met de mens ging openbaren. Niet hij, maar de mens zou de hemelse heerschappij ontvangen. Een mens zou de eerstgeborene worden van de gánse schepping en diens heerschappij zou zowel op de aarde als in de hemel zijn (Col.1:15).

Lucifer accepteerde alleen de natuurlijke mens, maar de geestelijke beschouwde hij als de 'coming man' die hem overvleugelen zou. 'God schiep de mens tot onvergankelijkheid en vormde hem tot beeld van zijn eigen Wezen; maar door afgunst van de duivel is de dood de wereld binnengekomen' (De wijsheid van Salomo 2:23,24).

God had Lucifer en de engelen met een vrije wil geschapen, dat wil zeggen dat zij binnen de begrenzingen van hun taak zelfstandig konden beslissen. Zij waren mede arbeiders van de Schepper. Deze Lichtengel moest dan wel blijven en leven 'van alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat' (Matth.4:4). Hij omtuinde met vreugde Gods schepping, totdat hij de mens als zijn meerdere onderkende. Zijn verwachting werd de bodem ingeslagen en dit bracht hem tot verkeerde gedachten. Zijn aspiratie was immers 'om op te stijgen boven de hoogten der wolken en zich aan de Allerhoogste gelijk te stellen' (Jes.14:14). Toen hij weigerde zich te laten inspireren door de goddelijke gedachte aangaande de mens, werd het contact met het woord van God verbroken en maakte dit plaats voor eigen meningen en inzichten. Later zou van de eerstgeborene van de schepping gezegd worden: 'De eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is - teken van innig contact - die heeft God doen kennen', omdat Hij ál diens gedachten volledig overnam (Joh.1:18) Van de 'zoon des dageraads' wordt evenwel gezegd: 'Hij is niet in de waarheid staande gebleven' (Joh.8:44 St.Vert.). Hij is de vijand geworden van het woord waaraan hij zich houden moest en daarom werd hij de vader der leugen. Het werk van Lucifer in het rijk van God hield op en hij zocht zijn werkterrein op de aarde om daar het plan van God met de mens tegen te staan.

De strik des duivels

God distantieerde Zich van Lucifer, omdat Hij onveranderlijk aan zijn plan om de mens op zijn troon te zetten, vasthoudt. Toen in deze 'onberispelijke' cherub 'onrecht werd gevonden' geraakte hij 'ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte' (2 Thess.1:9). In hem was geen herstel ingeschapen en daarom is terugkeer van deze verloren zoon uitgesloten. Bij de val van Lucifer denken wij aan de benen van de letter V. Zij beginnen tezamen maar gaan dan voor altijd en steeds verder uiteen. Omdat Lucifer het woord van God losliet, was hij afgesloten van de bron der kennis en 'ging ook zijn wijsheid teniet', maar zijn kracht bleef. Deze werd voortaan gebruikt voor 'geweldenarij'. Na zijn val wordt hij de tegenstander of de satan genoemd, de duivel, de aanklager der broeders die hij omlaag wil halen, en tegen wie hij vermeende rechten hanteert. Hij viel uit de hemel van het Koninkrijk Gods, omdat dit 'rechtvaardigheid, vrede, en blijdschap, door de Heilige Geest' inhoudt (Rom.14:17). Hij vormde in de onzienlijke wereld een ander rijk dat van de ongerechtigheid en wetteloosheid, van de haat en de depressie: het rijk der duisternis. Om hem heen schaarden zich de ontevredenengelen, die zich ook verongelijkt gevoelden vanwege de plaats hun door God gegeven.

In 1 Timótheus 3:6,7 waarschuwt de apostel de geestelijk ambitieuzen voor het vallen in de strik des duivels, dat is om iets te grijpen waarop men geen recht heeft. Jezus sprak over zulke 'Strebers' dat zij met geweld het Koninkrijk Gods willen binnendringen. Ook spreekt de apostel in dit verband over mensen die vanwege hun opgeblazenheid in het oordeel des duivels vallen. Het oordeel of het vonnis van de duivel was, dat hij buiten het koninkrijk Gods werd gesloten.

Wanneer hooggeplaatsten in het Koninkrijk Gods ten val komen, slepen zij meestal vele anderen mee. Het murmurerende volk was voor Mozes minder gevaarlijk dan de opstand van Korach, Dathan en Abiram met de 250 mannen van naam. Hun zonde was dat zij zich aan Mozes gelijk stelden en spraken: 'De gehele vergadering, zij allen zijn heiligen, en de Heer is in hun midden. Waarom verheft gij u dan boven de gemeente des Heren?' (Num16:3). Maar Mozes was degene die voor hen de stem des Heren verstond. Zij wilde evenwel in een theocratie een democratie invoeren: gelijkheid voor allen. Zo had Lucifer zich gelijk willen stellen aan de Allerhoogste en zo zijn gedachten laten prevaleren.

Hoe geheel anders was de opstelling van Johannes de Doper, die een hoge roeping van God ontvangen had. Toen de dopelingen massaal naar Jezus gingen, sprak hij: 'Geen mens kan iets aanvaarden, of het moet hem uit de hemel gegeven zijn... Hij moet wassen, ik moet minder worden'. Hij viel niet in de strik van de duivel, maar werd de grootste Godsman uit het oude verbond. Hij kende zijn toegewezen plaats.

Het Koninkrijk Gods werd gescheurd door de zonde van Lucifer. Er ontstond een tegenrijk dat later verbonden werd met de valse kerk uit het nieuwe verbond, het grote Babylon. Lucifer trok zich niet in stilte terug, maar hij trachtte de schepping van God waaraan hij niet gebouwd had, te verwoesten. Hij bracht een enorme scheuring teweeg en bracht daardoor velen in verwarring en tot ondergang. Daarmee is hij een waarschuwing voor allen die 'mir nichts, dir nichts' het werk dat anderen gebouwd hebben, trachten te verstoren. Hij werd een dief en rover in de schepping van God.

De duivel werd de organisator van het rijk der duisternis en heerst daar met geweld. Hij is de drijver, die de roede gebruikt en de volken overweldigt. Later zou de Zoon des mensen, die het geen roof achtte om God gelijk te zijn, zeggen: 'Leert van Mij, want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart' en naar zijn woord zullen de zachtmoedigen het aardrijk beërven.

Op de heilige berg

'Van de berg der goden verbande ik u en deed u weg'. Op deze hoge en verheven berg die het beeld is van de Heilige Geest, staat de troon als beeld van heerschappij van God. Op deze troon zit aan de rechterhand van de Vader de Zoon des mensen aan wie alle macht in hemel en aarde is toevertrouwd. Hij is het vlees geworden woord Gods en dit is niet ledig weergekeerd, maar heeft alles volbracht waartoe het was gezonden. Ook zal dit woord vele zonen tot heerlijkheid brengen. Tot hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods, wordt ook in onze tijd gezegd: 'Gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen die de voleinding bereikt hebben, en tot Jezus, de Middelaar van het nieuwe verbond' (Hebr.12:22-24). Gods woord heeft een enorme, onwederstandelijke kracht. De Almachtige kon Zich daarom permitteren engelen en mensen te scheppen met een vrije wil. Hij acht zijn schepping zo goed, dat zij toch aan zijn verwachtingen zal voldoen.In zijn woord was immers ook het herstel door het Lam vanaf de grondlegging der wereld ingeschapen. In de mens in de hof van Eden was ook de tweede mens uit de hemel begrepen. In de laatste Adam zijn weer de zonen Gods begrepen, want 'wanneer Hij Zichzelf tot schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij nakomelingen zien', mensen Gods die op Hem gelijken.

Johannes schreef over de toekomstige heilige berg der goden: 'En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem honderd vier en veertig duizend, op wier voorhoofden zijn naam en de naam zijns Vaders geschreven stonden' (Openb.14:1). Zij zijn het die God van eeuwigheid in zijn gedachten heeft gehad en die het gode gelijk zijn geen roof behoeven te achten, want God is in hen alles in allen. 'en in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk'. Ze hebben zich aan de waarheid gehouden en groeiden naar Hem toe, die het Hoofd is van de ware, onverdeelde en ongescheurde gemeente. Er is een langdurige strijd gaande tussen waarheid en leugen. In de volheid des tijds zond God het vlees geworden Woord waarachter de volle kracht van zijn Geest staat. Dit woord gaat uit overwinnende en om te overwinnen. En de gemetamorfoseerde zonen Gods komen achter Hem aan. Zij vernieuwen de hemel en de aarde: 'men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van de kennis des Heren, zoals de wateren de bodem der zee bedekken' (Jes.11:9).