kvo 47e jaargang nummer 3 Maart 1983

J.E.v.d.Brink

Het evangelie van God

Hebt u zich er ook mee geindentificeerd

Het eeuwige evangelie

Het Marcus verhaal begint met de mededeling, dat er een heilsprediking is, die de naam draagt: het evangelie van Jezus Christus. Dit was de speciale boodschap waarmee onze Heer het land doortrok. De evangelist spreekt in dit verband ook over 'het evangelie Gods' (1:14). Dit is een grootse, goede, verheven en blijde leer die door God werd bedacht en door Jezus Christus werd geopenbaard. Het is heerlijk, bevrijdend, schoon en uniek naar zijn aard. Het is zuiver hemels gericht, want het wordt ook genoemd het evangelie van het Koninkrijk der hemelen.

Voor de volheid des tijds had geen enkel mens ooit gehoord van dit evangelie Gods. Jezus Christus was de eerste die er over sprak en Hij zei: 'De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie' (Marcus 1:15). Aan het einde van zijn rondgang op aarde, zei de Heer tot zijn discipelen: 'En dit evangelie van het Koninkrijk - dat Ik Zelf heb verkondigd - zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn' (Math.24:14). Dit laatste betekent: dan zal geopenbaard worden welke mogelijkheden, welk heil, welke overwinningen en welke zegen dit evangelie van God inhoudt. Buiten dit evangelie van het Koninkrijk der hemelen is er geen ander evangelie meer mogelijk.

Paulus schreef: 'Er zijn echter sommigen, die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt' (Gal.1:8,9). Zonder dit evangelie is men immers prijs gegeven aan de machten der duisternis. Paulus had zich zo vereenzelvigd met dit evangelie van God, dat hij tot de oudsten van de gemeente in Efeze zei: 'Maar ik tel mijn leven niet en acht het niet kostbaar voor mijzelf, als ik slechts mijn loopbaan mag ten einde brengen en de bediening, die ik van de Here Jezus ontvangen heb om het evangelie der genade Gods te betuigen' (Hand.20:24). In 1 Timotheüs 1:11 schrijft hij over 'het evangelie der heerlijkheid van de zalige God, dat mij is toevertrouwd '. De zalige God is vol heerlijkheid en Hij schenkt door middel van zijn evangelie deze heerlijkheid. Jezus heeft voor het eerst dit evangelie bekend gemaakt en het op betrouwbare wijze aan de apostelen overgeleverd. Daarom schreef Paulus: 'Krachtens de mij van God geschonken genade, om een dienaar van Christus Jezus te zijn in de heilige dienst van het evangelie Gods' (Rom.15:16).

De apostel Paulus had zich zo met dit sublieme en exclusieve evangelie geïdentificeerd, dat hij het had over 'mijn evangelie en de prediking ván - en niet óver - Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen, maar thans geopenbaard' (Rom.16:26). Dit evangelie dat met uitsluiting van iedere andere boodschap het herstelplan van God beschrijft, is gebaseerd op de oneindige en onwankelbare liefde van God tot de mens. Het vond zijn ontstaan niet in deze wereld maar in God, en het verschaft de mens de mogelijkheid tot de onzienlijke God te naderen en zijn Koninkrijk binnen te gaan. De mens moet dit evangelie Gods gelóven, dat is met zijn geest de realiteit van de onzienlijke wereld grijpen en daaruit leven.

Ook ik heb getracht dit evangelie van God dat de weg aangeeft om het Koninkrijk Gods binnen te gaan, opnieuw bekendheid te geven. Het is vanzelfsprekend dat dit pogen op zwaar verzet stuitte van ongeestelijke christenen, die niet in hun denken wilden vernieuwd worden, dat is zich bekeren. Zulke tegenstanders bereiken evenwel geen hoger niveau dan de gelovigen uit het oude verbond voor wie de onzichtbare wereld een gesloten boek bleef. Paulus schreef echter: 'Daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig' (2 Cor.4:18). Daarom wordt dit evangelie van God het 'eeuwige evangelie' genoemd, want Gods gedachten ten opzichte van de mens zijn onveranderlijk en Jezus Christus is als het woord Gods 'gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid' (Hebr.13:8). Omdat dit evangelie met eeuwige en onveranderlijke maatstaven uit de onzienlijke wereld werkt, is het verbonden met het eeuwige oordeel over de mens. De engel met het eeuwige evangelie roept: 'Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van zijn oordeel is gekomen' dat is dus de uiteindelijke scheiding tussen het goede en het kwade (Openb.14:6,7). Petrus schreef: 'Want het is nu de tijd, dat het oordeel, deze scheiding, begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods?' (1 Petr.4:17). Wanneer christenen aan dit evangelie van het Koninkrijk der hemelen ongehoorzaam zijn, komen ze niet verder dan de rechtvaardigen uit het oude verbond. In hun denken zijn ze niet overgeplaatst in de hemelse gewesten waar Christus is (Ef.2:6). Ze spreken nooit over 'hun burgerschap van een rijk in de hemelen' (Filip.3:20). Het Koninkrijk der hemelen waar God is, waar Christus is, waar de heilige engelen zijn, maar waar aan de andere zijde ook het koninkrijk van de satan is met zijn onheilige engelen, is voor hen terra incognita of onbekend land. Alleen door een totale vernieuwing van denken krijgt de christen inzicht in de dingen die boven zijn, die dus geestelijk zijn. Denk hier eens overna!.

Het koninkrijk Gods nabij gekomen

Door de prediking van het evangelie van Jezus Christus komt het Koninkrijk Gods naar ons toe.Dit Koninkrijk was vanaf de schepping van de hemel, maar het was voor de mens na de zondeval een afgesloten gebied, want 'de hemel is de hemel van de Here, maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven' (Ps.115:16). Dit was de vaststelling van de mens in het oude verbond, maar het blikveld van vele christenen in het nieuwe verbond is niet veel ruimer. Zij kunnen hun hart niet op de juiste wijze 'verheffen'. Toen Jezus zijn prediking over het Koninkrijk der hemelen aanving, waren er in de onzienlijke wereld van het Koninkrijk Gods tot dat tijdstip alleen God en zijn heilige engelen. Bij zijn doop in de Jordaan werden voor Jezus evenwel de hemelen geopend. Toen werd Hij als eerste mens gedoopt met de Heilige Geest, die op Hem neerdaalde als een duif. Op dat ogenblik ging Hij als eersteling van een nieuwe schepping het Koninkrijk van zijn Vader binnen. Een stem uit de hemel sprak: 'Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb'. Jezus was toen de volmaakt geestelijke mens, die kon zeggen: 'En niemand is opgevaren in de hemel, dan Die uit de hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des mensen, Die in de hemel is' (Joh.3:13 St.Vert.). Na Hem zouden velen de enge poort van een zuiver geestelijk denken binnengaan en de smalle weg opgaan die ten leven leidt.

Jezus sprak, dat Hij uitgezonden was om de blijde boodschap van het Koninkrijk Gods te verkondigen (Luc.4:43). Door zijn prediking kwam dit Koninkrijk onder handbereik. De hoorder werd een wereld binnengeleid die volkomen vreemd voor hem was. Hem werd duidelijk gemaakt dat er geestelijke mensen moesten komen, die burgers van een rijk in de hemelen zijn, die de dingen bedenken die boven zijn en niet die op de aarde zijn. Zij zouden ook door middel van de Heilige Geest de toerusting ontvangen om zich in deze onzichtbare wereld te kunnen bewegen (Filip.3:20;Col.3:1,2).

Vóór het optreden van Jezus waren de mensen volslagen onbekend aangaande het rijk Gods. Nooit was iemand daar binnengegaan. Niemand had ook ooit iets begrepen van de weerstanden die vanuit het koninkrijk van satan en dat van de dood aanwezig zijn, en in werking worden gesteld om de komst van het Koninkrijk tegen te houden. De profeten van het oude verbond hadden slechts in bedekte vormen en in beelden hierover geschreven. Hun profetieën dienden daarom niet henzelf, maar ons aan wie het volle evangelie is verkondigd (1 Petr.1:10-12). Niemand had ooit overwinningen geboekt in de geestelijke strijd tegen 'de boze geesten in de hemelse gewesten' (Ef.6:12). Men had altijd gestreden tegen vlees en bloed. Om te voorkomen dat zijn volgelingen ooit zichzelf zouden haten en bestrijden, had Jezus hen leren bidden: verlos ons - enkel en alleen - van de boze. Niemand was geschikt om de troon van God te bestijgen en niemand had hier zelfs over durven denken. Allen hadden geleefd in 'de tijden der onwetendheid' aangaande de onzienlijke wereld. Niemand had ooit God met zijn geestesoog gezien, maar Jezus doorbrak deze onkunde, want de eniggeboren Zoon, die aan de boezem des Vaders is, die diens gedachten en diens heilsplan volledig in Zich opgenomen had, heeft ons God doen kennen (Joh.1:18).

Zelfs de meest rechtvaardigen uit het oude verbond waren nimmer tijdens hun aardse leven het Koninkrijk Gods binnengegaan. Slechts uit de verte hadden zij de beloften van het nieuwe verbond gezien en begroet, hoewel de besten van hen beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde (Hebr.11:13).

Wie zijn Hebreeën ?

De broeder des Heren schreef: 'Nadert tot God, en Hij zal tot u naderen'. Om dit te kunnen doen, moet men wel aan twee voorwaarden voldoen. Men moet geloven dat God bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken (Jac.4:8 en Hebr.11:6). Vervolgens moet men geneigd zijn om de wereld die onder het beslag van haar overste ligt, los te laten teneinde het betere en hogere te ontvangen. Als beeld van bovenstaande waarheid beschrijft de bijbel een groep mensen, die gemakkelijk het oude konden loslaten. Deze gelovigen uit het oude verbond waren Hebreeën, een woord dat in verband staat met zwerven en migreren. Abram de Hebreeër kan betekenen: 'Abram die de Rivier (de Eufraat) overstak, die dus zijn vaderland verliet (Gen.14:13, vergelijk Jozua 24:2,3). Hij was dus niet verknocht aan het land zijner vaderen maar emigreerde. De brief aan de Hebreeën moet daarom gezien worden als geschreven aan passanten,die op aarde geen vaste woonplaats hebben. De Hebreeërs woonden in tenten en zwierven rond zonder vast domicilie (Hebr.11:9). De geestelijke betekenis ervan is, dat zij zoekers waren van het Koninkrijk Gods: 'Zij hebben beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde. Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken. En als zij gedachtig geweest waren aan het vaderland, dat zij verlaten hadden, zouden zij gelegenheid gehad hebben terug te keren, maar nu verlangen zij naar een beter, dat is hemels, vaderland' (Hebr.11:13-16). Zij waren beeld van de nu nog zwervende en trekkende God zoekers, die zijn 'genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God' (Hebr.12:22,23). Ook dezen kunnen getuigen: 'Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende (Hebr. 13:14).

Het is interessant te weten dat in de oudste handschriften de Hebreeënbrief onmiddellijk volgt op de brief aan de Galaten, ja, zij was er een deel van. De auteur uit Galaten 1:1 is dezelfde als die van de naamloze Hebreeënbrief. Dit verklaart wellicht de opmerkelijke uitlating in Galaten 6:11 volgens de Statenvertaling: 'Ziet,hoe grote brief ik u geschreven heb' en de opmerking in 6:16, die als een introductie kan gezien worden op de Hebreeënbrief: 'Vrede en barmhartigheid komen over hen, en ook over het Israël Gods'.

Laten wij daarom bovenstaande aanwijzingen ter harte nemen en ons steeds in herinnering brengen dat wij ook vreemdelingen zijn in een vreemd land (Ex.18:13). Zo sprak Jezus bijvoorbeeld, dat een rijke bezwaarlijk het Koninkrijk Gods kan binnengaan. Johannes schreef: 'Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven, is niet uit de Vader, maar uit de wereld. En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid' (1 Joh.2:16,17).

Een typische eigenschap van religieuze geesten is, dat zij de aandacht van het Koninkrijk Gods afleiden en richten op zichtbare dingen en op menselijke prestaties. Van de Farizeeën werd gezegd, dat zij geldgierig waren, evenals dit het geval was met Judas. Zij hadden het Koninkrijk Gods voor de mensen toegesloten. Zulke godsdienstigen zijn onbereikbaar voor het evangelie Gods, want dit richt zich op hen die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid. Niemand kan twee heren dienen. Omdat Jezus zo'n scherpe onderscheiding der geesten had, wist Hij van den beginne, wie het waren, die niet geloofden, en wie het was, die Hem zou verraden (Joh.6:64). Laat ons daarom ons leven niet inzetten om schatten op de aarde te verzamelen, maar laat ons voortdurend bezig zijn met de hemelse dingen.

De grondlegging der wereld

Jezus verkondigde inzichten, die sedert de grondlegging der wereld waren verborgen gebleven. 'Katabole' of 'grondlegging' is niet het algemeen gebruikte woord in het Nieuwe Testament voor fundering, fundament, grondvesten of grondslag. 'Katabole' heeft de betekenis van : neerwerpen, ten val brengen.Er zijn fundamentalistische uitleggers die daarom lezen: sinds de ineenstorting der wereld. Dit zou dan zien op een pre-Adamitische ondergang van een maatschappelijk bestel door een grote vloed, waarvan sprake zou zijn in Genesis 1:2,2 ; 2 Petrus 3:5-8 ;Psalm 104:5-9 en Jeremia 4:23-26. In die tijd zou de aartsengel Lucifer met zijn aards koninkrijk in zijn opstand tegen God de nederlaag hebben geleden. Voor deze visie beroept men zich dan op Jesaja 14:12-14 ; Ezechiël 28:11-17 en Lucas 10:18.

De'Sprachliche Schlüssel' wijst bij Matheüs 13:35 er evenwel op, dat het werkwoord 'katabole' betekent: een begin maken door middel van het uitstrooien (neerwerpen) van záád: 'De mensheid wordt beschreven als door God gezaaid'. Deze vertaling van 'katabole' komt overeen met Hebreeën 11:11 waar meegedeeld wordt, dat Sara kracht had ontvangen om moeder te worden. Er staat letterlijk: zij ontving kracht om het 'uitgestrooide zaad' te ontvangen. De schepping ontstond dus door het uitgestrooide zaad van God, dat is 'het woord dat uit zijn mond uitgaat' (Jes.55:11). Zo staat in 1 Petrus 1:23 dat wij wedergeboren of geregenereerd zijn uit onvergankelijk zaad, door het levende en blijvende woord van God, dat ons vernieuwt in ons denken.

Bij de schepping sprak God: 'Er zij licht; en er was licht'. In dit woord was de gehele structuur van het licht begrepen: zijn snelheid, spectrum, straling en golflengte. Deze eigenschappen kwamen na het uitgesproken woord van God onmiddellijk te voorschijn. Toen God evenwel sprak: 'Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis' werd door dit zaad van God alleen de gave, volwassen, natúúrlijke mens geschapen. Het woord van God dat door een metamorfose de natuurlijke mens in een geestelijk moet omvormen bleef evenwel latent in de mens aanwezig. Zoals er een ontwikkelingsfase in de mens is die hem geslachtsrijp maakt, zo wachtte het woord op een gevoelige periode, die de geestelijke mens te voorschijn kon brengen. Toen deze tijd gekomen was, nodigde God Adam en Eva uit om bij de boom des levens 'aan zijn tafel te eten en te drinken in het Koninkrijk Gods'. Na de zondeval werd evenwel de toegang tot het hemelse paradijs of het Koninkrijk Gods gesloten.

In de volheid des tijds kwam Jezus met het evangelie Gods. Door zijn prediking kwam het Koninkrijk Gods nabij. Het paradijs werd ontsloten en de vertroostende woorden klinken: 'Ik beschik u het Koninkrijk, gelijk mijn Vader het Mij beschikt heeft, opdat gij aan mijn tafel eet en drinkt in mijn Koninkrijk ' en 'wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is' (Luc.22:29,30 en Openb. 2:7).Er is nu een grondlegging van een nieuwe wereld. Er wordt opnieuw gezaaid en 'die het goede zaad zaait, is de Zoon des mensen, en het goede zaad zijn de kinderen des Koninkrijks' (Math.13:37,38). Dit kwaliteitszaad brengt door zijn prediking de nieuwe schepping voort, namelijk de kinderen des Koninkrijks. Jezus Zelf was de eerstgeborene, het hoofd of het begin van deze schepping Gods (Openb.3:14). Nu wordt bewaarheid dat er werkelijk geestelijke mensen komen, die naar Gods beeld zijn en als zijn gelijkenis.

Jezus was voortgekomen uit een natuurlijk volk en toch was voor Hem het Gode gelijk zijn geen roof (Filip.2:6). De rups had de vlinder voortgebracht. De achtergebleven cocon had verder geen waarde voor het Koninkrijk Gods. Tot Israël werd gezegd: 'Het Koninkrijk Gods zal van u worden weggenomen en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt' (Math.21:43). Niet de rups vermenigvuldigt zich maar de vlinder. Door middel van zijn evangelie werd uit Christus een nieuw en geestelijk volk geboren, opdat vervuld zou worden: 'Als Hij zijn ziel tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zal Hij zaad zien' (Jes.53:10 St.Vert). De nieuwe schepping is niet uit bloed, noch uit de wil des mans, doch door middel van woord van God geboren (Joh.1:13).

Herontdekking en verbreiding

Onze Heer heeft het evangelie van het Koninkrijk alleen gebracht aan 'de verloren schapen van het huis Israëls'. Tot hen was Hij gezonden. Aan het einde van zijn aardse leven was het slechts een kleine schare discipelen die de opdracht ontving zijn evangelie aan alle creaturen te prediken. Zij moesten evenwel eerst wachten, totdat zij aangedaan waren met kracht uit de hoge. Na met de Heilige Geest vervuld te zijn begonnen zij reeds onmiddellijk het evangelie van hun Heer te verkondigen aan Joden en Jodengenoten uit vele landen en volken. Weer later ontving Paulus de speciale opdracht 'ver weg tot de heidenen te gaan'.

In onze tijd was het evangelie van het Koninkrijk Gods opnieuw verborgen geraakt. In 'Kracht van Omhoog' begon ik voor onze lezers deze essentiële waarheden onder het stof der eeuwen vandaan te halen. Ik heb de weg Gods duidelijk gemarkeerd en hem ontdaan van allerlei dwalingen, die stuk voor stuk barrières waren om het grote doel te bereiken, namelijk dat van de openbaring van de zonen Gods. Mijn opdracht was om te schrijven en te spreken over het Koninkrijk Gods dat opnieuw nabij gekomen is. Ik wees op de nieuwe en levende weg, die door het geestelijk Koninkrijk van Jezus Christus ons leidt naar het centrum des hemels, waar Hij zich bevindt. Ook nu zegt Hij: 'Ik zal ze allen tot mij trekken en waar Ik ben, zal ook mijn dienaar zijn'. In mijn arbeid bewoog ik mij slechts binnen een kleine radius en vrijwel anoniem. Met Petrus kan ik zeggen, dat ik zelf en velen met mij, getrokken ben door zijn heerlijkheid en macht. De tijd is nu evenwel aangebroken dat deze goede boodschap over de gehele wereld zal verkondigd worden. De arbeiders zullen zeker komen en er zullen er velen zijn, want de oogst is zeer groot.

zie voor andere artikelen KVOOVERZ