kvo 47e jaargang nummer 2 februari 1983

J.E.v.d.Brink

brieven van lezers

De vreze des Heren

Een evangelist schreef mij naar aanleiding van een verklaring die ik gaf in kvo nr.13 van vorig jaar. Het ging over Mattheüs 10:28 waar Jezus zegt: 'en weest niet bevreesd voor hen (mensen), die wèl het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor hem (de duivel), die beide ziel en lichaam,kan verderven in de hel'.

'Ik geloof dat ik u hiervoor toch moet waarschuwen. Het is niet juist wat u beweert. De Here Jezus heeft zijn discipelen niet geleerd om voor de duivel te vrezen. Integendeel. Maar de Here Jezus sprak wel degelijk over de vreze des Heren, overeenkomstig Gods woord. Mag ik u één tekst noemen? 'De Here der heerscharen, Hèm zult gij heilig achten en Hij moet het voorwerp van uw vrees en Hij moet het voorwerp van uw schrik zijn' (Jes.8:13). In het geval dat u zoudt willen beweren dat Jesaja dit nog niet goed zag, omdat hij het 'Koninkrijk der hemelen' nog niet goed kende, mag ik van Paulus citeren: 'Daar wij dan weten hoezeer de Here te vrezen is, trachten wij de mensen te overtuigen...' (2 Cor.5:11). Ik meende u dit te moeten schrijven, want tenslotte is Gods Woord een lamp voor onze voet en een licht op ons pad, en de Heilige Geest leidt ons in alle waarheid. En de waarheid is nog steeds het Woord van God. Jezus de Here zij met u en sterke u en geve u duidelijkheid, ook in dezen'.

De broeder is zeker van zijn zaak en van zijn uitleg. Aan de kop van de brief citeert hij namelijk uit Spreuken 30:6 de vermaning: 'Doe niets aan zijn woorden toe, opdat Hij u niet terechtwijze en gij een leugenaar bevonden wordt'. Het slot van zijn brief bevat de opmerking, dat de Heilige Geest 'ons' in alle waarheid leidt. Ondanks deze vaststellingen van deze evangelist wat zijn inzichten betreft, waag ik toch hierbij enkele opmerkingen te maken:

In Mattheüs 10 wordt verhaald hoe de discipelen met een machtige opdracht worden uitgezonden. Zij moesten onder de van God vervreemde of verloren schapen van het huis Israëls het evangelie prediken van het Koninkrijk der hemelen, dus het volk elementaire aanwijzingen geven aangaande de onzichtbare wereld. De Heer zou dan meewerken en hun woorden doen volgen door tekenen en wonderen. Niettegenstaande deze heerlijke openbaring van Gods herstelplan zouden de discipelen moeten rekenen op een explosie van vijandschap. Duidelijk sprak de Heer dat zijn volgelingen zijn lot zouden delen. Als volk zou Israël dit evangelie niet accepteren. In het byzonder zouden de discipelen de haat ervaren van de officiële kerkleiders: 'Zij zullen u geselen in hun synagogen' en voor valse profeten uitmaken, die door Beëlzebul zouden zijn geïnspireerd. Wel een heenwijzing dat deze afkeer van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen een vaste regel zou worden. De Heer beloofde evenwel dat Hij persoonlijk door zijn Geest tot zijn volgelingen zou spreken. De schapen zouden de stem van de goede Herder verstaan: 'Wat Ik u zeg in het donker, zegt het in het licht; wat gij u in het oor hoort fluisteren, predikt het van de daken'. Dan volgt de uitspraak: 'En weest niet bevreesd voor hen, die wèl het lichaam kunnen doden, maar de ziel niet kunnen doden'. Het lichaam behoort tot de stoffelijke aarde, die het terrein is van de overste dezer wereld. Deze kan mensen gebruiken om het lichaam van de dienstknechten van God te beschadigen of te doden. Denk bijvoorbeeld eens aan Paulus op wie de boze het altijd voorzien had en die door een engel van satan op zijn reizen werd vergezeld. Wat een beproevingen in de natuurlijke wereld onderging deze apostel al niet. Zo werden Jacobus en Stefanus gedood. Ook kan de boze rechtstreeks door ziektemachten op het lichaam aanvallen. Dit kan zelfs óndergaan, maar de christen weet dat hij ook een geestelijk huis heeft, een eeuwige woonstede in de hemel. Sterven mag daarom voor hem niet zo'n groot probleem zijn en hij behoeft er niet bevreesd voor te zijn. Hij moet evenwel, zo vervolgt Jezus, bevreesd zijn, indien zijn ziel beschadigd wordt. Lichamelijk lijden kan ook het zieleleven aantasten, zodat de vrede, de blijdschap en de gerechtigheid van het Koninkrijk Gods in de gelovige dreigen verloren te gaan. Daarom mag hij met volle vrijmoedigheid bidden om genezing en herstel.

Ook zal de boze trachten de christen te verleugenen en te doen zondigen, zodat van zijn ziel gezegd moet worden, dat zij dood is in zonden. Jezus vervolgt daarom: 'Vreest veeleer hem, die beide, ziel en lichaam kan verderven in de hel'. In Lucas 12:5 staat het nog duidelijker: 'Vreest hem, die nadat hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen'. God doodt de ziel niet, maar de duivel is een moordenaar van de beginne. Ook heeft God geen lust in de dood van de zondaar, maar wel dat deze gaat leven. Ook verderft God niet, want dan zou Hij de 'Verderver' of 'Apóllyon' zijn. Jezus bedoelt: pas op voor de boze en houd hem in de gaten, want leugen en zonde maken je onbereikbaar voor God; dus doden ze je. Je loopt dan bovendien het gevaar om naar de inwendige mens ook in de tweede dood te komen, de poel des vuurs. Je gaat dan naar de plaats die voor de duivel en zijn engelen bereid is, omdat je met hen verbonden bent. Niet alleen heeft de Nieuwe Vertaling 'hem' en 'hij' met een hoofdletter geschreven, maar ook 2 Corinthiërs 5:11 begint met de tendentieuze weergave: 'Daar wij dan weten, hoezeer de Here te vrezen is'. Er staat letterlijk: Daarom kennende de vrees ván de Heer' dus niet vóór de Heer. Deze zin loopt parallel met wat in vers 15 staat: 'De liefde ván - en niet vóór - Christus dringt ons. De bepaling 'van de Heer' drukt een bezitsrelatie uit, evenals bijvoorbeeld bij 'vaders jas'. De Statenvertaling luidt: 'Wij dan, wetende de schrik des Heren', dus de schrik of de angst ván de Heer. Paulus kende namelijk de vrees die Jezus gehad had. Zo kende hij ook de liefde Gods, omdat deze in zijn hart was uitgestort. De motivering van zijn prediking was de vrees of de angst die Jezus had ervaren en de liefde die Hij had getoond.

Er is ook sprake van 'de vreze Gods' evenals van 'de wil Gods', 'de vrede Gods', 'de wijsheid Gods' of 'het geloof van God'. Wie deze eigenschappen bezit, heeft deel aan de goddelijke natuur. De wil van God is dat alle mensen behouden worden. De vrees van God is dat er mensen verloren zullen gaan, dat er schepselen in het eeuwige vuur komen, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. God heeft immers de wereld zeer lief. Zijn vrees houdt verband met zijn liefde. Zo is de vrees van een aards vader dat zijn kinderen op het verkeerde pad komen. Als wij de vreze van God hebben, zijn we dus benauwd om te zondigen. Van de goddeloze zondaars wordt gezegd dat 'de vreze Gods hun niet voor ogen staat' (Rom.3:18). Ze houden er dus geen rekening mee.

Over de vrees van Jezus wordt in Hebreeën 5:7 gezegd: 'Tijdens zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden en Hij is verhoord uit zijn angst'. In Mattheüs 26:37 lezen we in de Statenvertaling: 'Hij begon droevig en zeer beangst te worden. Toen zei Hij: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe'. Jezus was niet zozeer bevreesd voor zijn lichaam, maar Hij had angst dat de vreselijke stormloop der demonen Hem in zijn zieleleven zou beschadigen, te meer daar het ogenblik was aangebroken dat de Heilige Geest Hem ging verlaten. Hij moest dus in eigen kracht verder en alleen de pers treden. 'Hij zag om, maar er was geen helper; Hij ontzette Zich, maar niemand bood steun' (Jes.63:1-6). De Heilige Geest en de engelenlegers waren uitgeschakeld. In Jezus was de vreze Gods, dat is de angst om iets te doen dat niet strookt met de wil van de hemelse Vader. Eenmaal beleed onze Heer: 'Ik moet gedoopt worden met een doop, en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is' (Luc.12:50).

Ook Paulus werd zwaar aangevallen door een engel van de satan. Ook hij bad om verlossing van de boze. Ondanks het feit dat deze engel niet van hem weggenomen werd, hield Paulus, evenals zijn Meester, stand. In dit verband schreef hij ook telkens: 'Wij verliezen de moed niet'. In alles was hij in de druk, om raad verlegen en vervolgd. Hij droeg het sterven van Jezus en ook diens angst in zijn lichaam en werd voortdurend aan de dood overgeleverd om Jezus' wil (2 Cor.4:8,11). Hij wilde echter goed door zijn verdrukkingen heenkomen, want hij jaagde evenals zijn Heer naar het doel, 'de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus' zijnde (Filip.3:14). Paulus geloofde in verband met onze tekst, dat de lichte last der verdrukking van een ogenblik, een voor hem alles verre te bovengaand eeuwig gewicht van heerlijkheid zou bewerken (2 Cor.4:17). Hij zag ook op de vreugde die voor hem was weggelegd! De erekroon zou hij ontvangen, wanneer hij voor de rechterstoel van Christus zou verschijnen. Hij schrijft immers: 'Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus openbaar worden, opdat een ieder wegdrage wat hij in zijn lichaam verricht heeft, naardat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad' (2 Cor.5:10).

De 'Bible Dictionary' schrijft over deze rechterstoel van Christus: 'Deze is noodzakelijk om de rangen van heerschappij en autoriteit aan te wijzen, die de gelovigen met Christus in zijn waardigheid als Koning der koningen en Heer der heren zullen ontvangen bij zijn openbaring in kracht en heerlijkheid'. Jezus heeft gezegd: 'Wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel' (Joh.5:24). Het gaat er voor deze rechterstoel om of de christen op het fundament des geloofs heeft gebouwd met goud, zilver, kostbaar gesteente, of met hout, hooi of stro'. Indien het werk dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrand, zal hij schade lijden, doch hijzelf zal gered worden, maar als door vuur heen' (1 Cor.3:10-15). De rechterstoel van Christus is dus het prijsgericht, waar de jury zich bevindt. Paulus had er alles voor over om de eerste prijs of de kroon te behalen, die de rechtvaardige Rechter hem op die dag zou geven. Zijn navolgers willen ook graag in de prijzen vallen, die hun Heer uitdeelt. Onder 'vrezen en beven' bewerken zij daarom hun behoudenis (Filip.2:12).

Paulus kende geen angst voor God of voor Jezus, maar hij was bevreesd om verkeerde stappen te zetten, die hem de beloning zouden doen missen. De vrees van Jezus om maar enigszins uit de wil des Vaders te geraken, bezat ook hij. Zo was het ook de liefde van Christus, die hem tegelijkertijd deed uitroepen: 'Laat u met God verzoenen'.

In Jesaja 8:13 bemerken wij dezelfde vrees, die toch ook in elk kind van God aanwezig is, namelijk om iets te doen wat niet overeenkomt met de heiligheid des Heren. Jesaja riep de getrouwen in Juda op om zich te hoeden voor de zonde van het volk onder leiding van koning Achaz, die een bondgenootschap was aangegaan met de vijand, namelijk de koning van Assyrië (zie 2 Kon.16). Deze vreze des Heren is het beginsel der wijsheid, zegt de Spreukendichter. Zij drukt de eerbied, het respect, het ontzag, maar ook de liefde uit die wij voor de Allerhoogste hebben. Angst voor Hem hebben wij gelukkig niet, want wij bezitten volle vrijmoedigheid om in te gaan in het heiligdom.

Indien wij evenwel uit de handen der vijanden zijn verlost, mogen wij naar de belofte, de Here dienen 'zonder vrees' in heiligheid en gerechtigheid voor zijn aangezicht, al onze dagen (Lucas 1:74,75). Daar leven wij naar toe!

Zie voor andere artikelen kvooverz