kvo 47e jaargang nummer 2 februari 1983

J.E.v.d.Brink

Hoe straft en kastijdt God ?

Het wezen van God

Het woordje 'god' is algemeen germaans en onze verre voorouders gebruikte het al in heidense tijden. In verscheidene woordenboeken wordt als vaststaand aangenomen dat 'god' en 'goed' identieke woorden zijn. Wanneer nu zeer vele malen in het Oude en Nieuwe Testament betuigd wordt, dat God goed is, zullen wij ons wel bezinnen op zijn wezen. Daarbij moet God niet in ons straatje passen, maar wij in het Zijne. Paulus heeft er immers voor gewaarschuwd dat de heidenen de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens. Dit gebeurt niet alleen door schilderijen en idolen, maar meer nog als men beweert dat God goed en kwaad doet. Men neemt dan de gedachte van de slang in het paradijs over, die tot het eerste mensenpaar sprak, dat zij als God zouden zijn, dus omgekeerd het ook waar zou zijn dat God als de mens zou zijn. Het Oude en Nieuwe Testament leren evenwel dat God één is. God heeft dus geen tegenstrijdige eigenschappen in Zich. Hij denkt alleen het goede, doet alleen het goede en inspireert alleen het goede.

In zijn 'Institutie" citeert Calvijn de bekende kerkvader Augustinus als volgt: 'God heeft op wonderbare en goddelijke wijze de mens gehaat en liefgehad'. Gods bestendige positieve gezindheid ten opzichte van de mens wordt dus door Calvijn in een haat-liefde-verhouding veranderd. Jezus sprak evenwel tot zijn volgelingen, dat zij zelfs hun vijanden lief moesten hebben, opdat zij dan blijk zouden geven dat zij kinderen van de hemelse Vader waren. In Hem woont de volmaakte liefde waar geen plaats is voor enige vorm van haat. God eist ook niet iets van de mens waaraan Hij Zichzelf niet houdt. Wanneer wij niet mogen haten, doet God dit ook niet. Wanneer de heren vermaand worden om het dreigen na te laten fungeert God ook niet als de grote Dreiger. Tot ons wordt gezegd: 'Waarom lijdt gij niet liever onrecht?' God grijpt ook niet in, wanneer men zijn schepping beschadigt en ruïneert. Hij wacht alleen maar af, want Hij is lankmoedig, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen (2 Petr.3:9). Hij is nu lankmoedig en ook over duizend jaar, want Hij is onveranderlijk.

God is evenwel geen goedzak, geen 'ons lief Heertje', want Hij handelt programmatisch en systematisch en volgens onveranderlijke wetten. Hij kan daarbij rustig de dingen laten geworden: wie vuil is, wordt nog vuiler, en wie heilig is, nog meer geheiligd. Wanneer dit alles voleindigd is, zal blijken dat het goede sterker is dan het kwade, en de liefde sterker is dan de haat. Het licht zal de duisternis verdrijven, tot ze niet meer wezen zal. Wanneer de schepping eenmaal aan Gods plan voldoet, zal blijken dat Gods wetten volmaakt zijn.

Hoe straft God?

De goedheid van God behoort zeker niet op het gevoelsvlak te worden getrokken. God handelt naar een vast patroon en naar een eeuwig voornemen. Daarbij zijn zijn plannen altijd constructief en positief. Er is geen verandering noch schaduw van omkeer bij Hem. In de oordeelsdag staat Hij precies hetzelfde tegenover de mens als nu. De onbeweeglijke waarheid is: 'Alzo lief heeft God de wereld'.

God straft niet door ziekte, leed, ongeval, armoede, mislukking van de oogst of door watersnood, zoals onze vaderen hebben geleerd. God is nooit destructief of afbrekend werkzaam. In zo'n God kunnen wij niet geloven, want zoiets past niet bij zijn wezen, dat duidelijk uitdrukking vindt in zijn geliefde Zoon. Wat bij mensen des welbehagens niet in het hoofd opkomen zal, zit er bij God ook niet in. Wanneer God straft door de ellende van de mens te vergroten, zou dit betekenen dat Hij het loon der zonde zou uitbetalen. De duivel keert evenwel het bij zijn aard passend loon uit aan degene die voor hem werkt. God blijft echter altijd trouw aan zijn schepping die Hij nimmer prijsgeeft. Zijn enige doel is het behoud en de verlossing van de mens. Hij wil alleen redden.

Straft God dan in het geheel niet? In Hebreeën 10:28 wordt meegedeeld dat iemand zonder mededogen werd gedood, indien hij de wet van Mozes terzijde had gesteld. De schrijver voegt er dan aan toe, dat iemand die duidelijk te kennen geeft, dat het verlossingswerk van de Zoon van God voor hem niets betekent, die de Geest der genade smaad, zwaarder straf verdient dan ooit de zwakke en armelijke wereldgeesten kunnen uitdelen. Er ontstaat een oneindige distantie tussen God en zo'n mens, omdat deze de duisternis liever heeft dan het licht. Niet een verharde maar een 'zuchtende schepping' wordt door de zonen Gods gered.

De zwaarste straf die een zondaar ondergaan kan, is 'het eeuwige verderf, ver van het aangezicht des Heren en van de heerlijkheid zijner sterkte' (2 Thess.1:8,9). De ellende van de verloren zoon bestond hierin, dat hij zich ver van het vaderhuis bevond. Vondel schreef: 'Buiten God is het nergens veilig' Wie zich buiten het licht begeeft, is in de duisternis. Wee daarom de mens, die in 'de buitenste duisternis' terecht komt, want hij was voor het licht geschapen.

Op het domein waar alleen God een claim heeft, wordt ook niet gestraft met natuurlijke middelen. In de gemeente van Jezus Christus bestaan geen kerkelijke straffen. Deze treft men veelal in instellingen aan, waarvan de leiding natuurlijk en vleselijk gezind is. In Corinthe was een man, die door zijn zondig leven op ergerlijke wijze aanstoot gaf. Paulus verweet de gemeente dat zij 'de bedrijver van die daad' niet uit haar midden had verwijderd. Hij eindigt zijn vermaan met de uitspraak: 'Doet, wie niet deugt uit uw midden weg' (1 Cor.5:13). Wie niet deugt, valt niet in de zonde, maar leeft erin. Paulus legde de verharde zondaar geen straf op, maar 'leverde hem over aan de satan', dat is: gaf hem prijs of liet hem los. De geestelijke bescherming die in de gemeente was, werd weggenomen en hij bevond zich na deze uitspraak geheel in de macht van de boze, want buiten de gemeente is het ook nergens veilig. Wie het kwaad tolereert, heeft deel aan de duisternis, 'en wat heeft gerechtigheid gemeen met wetteloosheid?' (2 Cor.6:14). Van Jezus wordt gezegd, dat Hij Zichzelf niet aan bepaalde mensen toevertrouwde, omdat Hij wist wat in de mens was (Joh.2:23-25). Dit gold dan merkwaardigerwijs niet voor tollenaren en zondaren, maar voor hen die geestelijk blind en doof waren en wier hart verhard was.

Mogen wij nog straffen

De vraag komt naar voren of wij als christenen er verkeerd aan doen, indien wij iemand straffen. Laat ons dan allereerst bedenken dat wij ons op het terrein van de overste der wereld bevinden. Deze heeft hier zijn claim. In de wereld wordt het kwade beteugeld door de overheidspersonen, die in dienst staan van God. Hun zwakke, armelijke, menselijke geesten - de bijbel noemt ze wereldgeesten in tegenstelling tot hemelgeesten - trachten het kwaad op natuurlijke wijze te stuiten. Paulus schreef in Romeinen 13:4 de opmerkelijke uitspraak: 'Maar indien gij kwaad doet, wees dan bevreesd; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs'. De overheid werpt geen boze geesten uit en bevrijdt geen gebondenen. Zij behoort de goeden te beschermen en de kwaden te straffen, zodat haar onderdanen een stil en rustig leven kunnen leiden. Desnoods gebruikt zij geweld om dit te realiseren. Ook de Mozaïsche wet rustte op het principe van de arme en zwakke wereldgeesten (Gal.4:3). Ook deze wet hield geen enkele rekening met boze geesten of psychische achtergronden. In de onzienlijke wereld zijn evenwel de natuurlijke overheden arm en zwak, omdat zij niet in staat zijn het zondeprobleem op te lossen of ook de zondaar innerlijk te veranderen. Ze zijn dan ook niet bestand tegen de explosies van wetteloosheid in de eindtijd, wanneer de geest van de antichrist massaal doorwerkt. Slechts de autoriteiten in de hemelse gewesten, de zonen Gods, zijn in staat door de wetten des Geestes de zuchtende schepping te bevrijden.

Geheel anders ligt het in het christelijk gezin, dat een beeld wil zijn van de gemeente van Jezus Christus. Daar zijn de huisgenoten verbonden door de band der liefde en de ouders zullen met hun ongehoorzame kinderen bidden en de machten der duisternis verdrijven. Met hun inzichten in het Koninkrijk der hemelen zullen zij de harmonie en de vrede trachten te realiseren. Ze weten dat hun kinderen niet moeilijk zijn maar het moeilijk hebben. Bij de opvoeding van hun kinderen zoeken zij hun kracht ook niet in menselijke wijsheid maar in de wijsheid die van boven is. Omdat zij 'geheel anders zijn', zullen ze ook geheel anders tegen hun kinderen optreden. Zij weten ook dat zij deze inzichten en krachten nog veelal ten dele hebben en vallen daarom nog wel eens terug op de opvoedingsmethoden van de armelijke en zwakke wereldgeesten. Ziende op onze huidige maatschappelijke constellatie weten ze echter wel, dat zij met 'je zult' en 'je moet' weinig meer bereiken. Die tijd is voorgoed voorbij. Bij het oplossen van hun gezinsproblemen zullen zij zichzelf steeds meer leren verloochenen. Wie nog kwetsbaar is of zich beledigd voelt, wint de strijd niet. Slechts de liefde Gods die in hun harten uitgestort is, stelt hen in staat de overwinning te behalen.

Kastijdt God ?

Het Griekse woord dat in het Nieuwe Testament voor 'geselen' gebruikt wordt, is ook één keer vertaald door 'kastijden'. In Hebreeën 12:6 staat: 'De Heer kastijdt iedere zoon, die Hij aanneemt'. Wat moeten we hiermee aan? Het gaat hier niet over een ongehoorzame zoon, maar alle zonen worden gekastijd of zoals het woordenboek het ook weergeeft: met zweepslagen bewerkt. We behoeven ons niet te verwonderen dat er bepaalde christenen zijn, die in navolging hiervan hun kinderen bij het straffen in 'alle liefde' met een zweep of riem afranselen. Zij doen dit in navolging van 'de tuchtiging van onze vaders naar het vlees', om maar niet te spreken van onze vaders 'in het vlees'.

Maar houdt God er zulke spartaanse opvoedingsmethoden op na?. Zelfs bijvoorbaat als wij nog niets hebben gedaan? Het antwoord is dat God de gelovige kastijdt door deze niet uit de boze en vijandige wereld weg te nemen. De christen moet hier voortdurend strijden tegen de zonde, 'die ons zo licht in de weg staat'. Ja, hij moet zelfs 'ten bloede toe weerstand bieden in zijn worsteling tegen de zonde'. Dit heeft alles te maken met de tuchtiging van de hemelse Vader in verband met onze strijd tegen de demonen, want door zijn 'zonen' moet de boze geestenwereld worden onderworpen. Zijn 'zonen' moeten bekwaam zijn om in de onzienlijke wereld te heersen. Tot tuchtiging of tot opvoeding hebben zij dit te dragen. Daarom mogen ze bij deze kastijding 'niet door matheid van ziel verslappen', maar juist 'de slappe handen opheffen en de knikkende knieën strekken' en moeten zij blijven doorgaan, ook al zouden zij vanwege deze kastijding 'kreupel' lopen. Zij zullen toch weer genezen (Hebr.12:4-13).

Toen de discipelen nog niet strijden konden, bad hun Heer: 'Heilige Vader, bewaar hen in uw naam' (Joh.17:11). Later schreef de apostel over de gevorderde zonen: 'Wij weten, dat een iegelijk, die uit God geboren is, niet zondigt; maar die uit God geboren is, bewaart zichzelve, en de boze vat hem niet' (1 Joh.5:18 St.Vert.)

Duivelen verdrijven is een zwaar werk en de geweldgeesten slaan bij het herstelwerk van de zonen vaak hard terug. Dit was Paulus bekend, toen hij voortdurend op zijn zendingsreizen geattaqueerd werd door een engel van satan, die hem met vuisten sloeg, dus hem op allerlei manieren in zijn evangelieprediking dwars zat. God heeft de wereld zo lief gehad, dat Hij zijn eigen Zoon niet heeft gespaard. Jezus wandelde als Zoon in het Koninkrijk Gods, maar onder veel verdrukkingen in deze wereld. Wie de kroon des levens verwerven wil, zal moeten standhouden in de boze dag. Hij zal in zijn lichaam meer of minder ook de littekenen van Jezus dragen en in zijn vlees aanvullen, wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente (Gal.6:17 en Col.1:24).

Zie voor andere artikelen kvooverz