KVO 46e jaargang nr.14 dec.1982

J.E.v.d.Brink

JEZUS,KONING DER JODEN

De Knecht des Heren.

In Jesaja 49:3 spreekt Jahweh tot zijn dienaar, dat deze Jakob tot Hem moest terugbrengen en Israël tot Hem moest vergaderen. Op welke wijze moest dit geschieden? Het antwoord is: door Israël tot bekering te brengen en het als eenheid, voor God samen te voegen. Jezus kwam dus allerminst om als koning over de Joden te regeren, maar naar zijn eigen woorden, was 'de Zoon des mensen niet gekomen om zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor 'velen' (Math. 20:28).

God zond Jezus om zijn volk tot bekering te brengen en het te vergaderen. Aan het einde van zijn bediening sprak de Heer dat de rebellerende inwoners van Jeruzalem de gewoonte hadden om de gezondenen van de Vader, die hen tot bekering wilden brengen, te doden. Hij konstateerde als Knecht des Heren: 'Hoe dikwijls heb ik uw kinderen willen 'vergaderen', gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels 'vergadert', en gij hebt niet gewild' (Math.23:37).

Bij zijn intocht in Jeruzalem weende Jezus over deze stad en sprak: 'och,of gij ook op deze dag verstond wat tot uw vrede dient; maar thans is het verborgen voor uw ogen' (Lucas 19:41/42). Zijn prediking over het Koninkrijk der hemelen had hen tot een ongestoord leven met God moeten brengen, maar dit evangelie vond onder hen geen gehoor en de geheimenissen ervan bleven voor hen 'verborgen'. Het bijeen verzamelen was mislukt en de Knecht des Heren kon zeggen: 'Tevergeefs heb Ik Mij afgemat, voor niets en vruchteloos mijn kracht verbruikt' (vers 4). Hij had wat het natuurlijk volk van Israël betrof, gefaald. Israëls verlosser, zijn Heilige, werd de diep verachte, bij het volk verafschuwde, de knecht van de overheersers (vers 7). 'Wie geloofde zijn prediking?' (Jes.53:1). Alleen de 'bewaarden' of een 'rest' uit Israel! (vers 6). Deze Uitgestotene kon evenwel zeggen: 'Ik werd geëerd in de ogen des Heren en mijn God was mijn sterkte' (vers 5). God stelde Hem 'tot een licht der volken, opdat zijn heil zou reiken tot het einde der aarde' (vers 6).

Aan het einde van zijn bediening sprak de Knecht des Heren: Ik heb alles gedaan om Israël tot God te brengen. 'Ik heb U verheerlijkt op de aarde door het werk te voleindigen, dat Gij Mij te doen gegeven hebt. En nu, verheerlijk Gij Mij, Vader, bij Uzelf met de heerlijkheid, die ik bij U had, eer de wereld was' (Joh.17:4,5). En wat was deze heerlijkheid? De troon van God in het midden of in het centrum des hemels. Op aarde bleef Hij de Knecht des Heren. 'Omdat Hij wist dat de Vader Hem alles in handen had gegeven', omdat Hij in de vreugde die voor Hem weggelegd was, geloofde, omdat Hij geen frustraties had vanwege de schijnbare mislukking van zijn arbeid, 'begon Hij de voeten der discipelen te wassen' (Joh.13:3-5). Hij kon zich deze nederigheid permitteren. En iedere heerser in het Koninkrijk der hemelen, iedere koning onder deze Koning, en iedere heer onder deze Heer is op aarde dienstbaar terwille van het herstel van de mens.

 

Het sluwe spel van de boze

De duivel speelde in op de verlangens van een aards gericht volk en doet dit nog steeds met de gedachte dat Jezus Koning van het natuurlijke volk der Joden zou zijn. Deze dwaling begon al met de voorspelling van de valse profeet Bileam, die te Pethor woonde, gelegen aan de Eufraat in Mesopotamië, dus later in het kortstondige rijk van de koningen van Babel. Deze ziener werd door Balak uitgenodigd om Israël te vervloeken. Hij beroemde zich er op dat hij de woorden Gods hoorde en gezichten aanschouwde, omdat zijn ogen in de onzienlijke wereld functioneerden. Deze Bileam zag een ster opgaan in Jakob en een scepter zich verheffen uit Israël. Hij profeteerde dat bij Israël een gejubel zou zijn over de Koning (Nm.24:16,17;23:21). Bileam was een magiër en later zien de 'magirs' uit het Oosten deze ster. Ze verbinden haar aan de geboorte van de voorspelde Koning der Joden. Jesaja sprak van de astrologen in Babel: 'Gij hebt u afgesloofd met uw vele plannen, laten zij nu opstaan en u redden, zij die de hemel indelen, die de sterren waarnemen, die maand voor maand doen weten wat u overkomen zal' (Jes.47:13). Het zijn eveneens sterrenwichelaars uit het land der Chaldeeën die te Jeruzalem vragen: 'Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen' (Matth.2:2).Vanuit hun occulte kennis vermengen zij waarheid en leugen. Deze magiërs hebben verder door hun komst geen heil verspreid maar niets dan ellende bewerkt. Hun bedoelingen waren goed, maar toch werden zij de oorzaak dat Jozef en Maria met hun kind moesten vluchten en dat te Bethlehem vele onschuldige kinderen werden vermoord.

Nadat Jezus later een schare van alleen reeds vijfduizend mannen gespijzigd had, wilde men Hem met geweld meevoeren om Hem tot een aards koning uit te roepen. Jezus onttrok Zich evenwel aan de schare en ging weer in de stilte, waar Hij bij uitstek gemeenschap kon hebben met zijn Vader (Joh.6:15).

Riep ook de opgewonden menigte niet bij de intocht van Jezus te Jeruzalem: 'Hosanna, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren! en: de Koning van Israël? Jezus zette Zich toen op een jonge ezel, opdat vervuld zou worden: 'Zie, uw Koning komt'. De evangelist Johannes deelt ons evenwel tegelijkertijd mee, dat de discipelen de betekenis van dit gebeuren niet begrepen en dat we hier met een symbolische daad te maken hebben: Maar toen Jezus verheerlijkt was, toen herinnerden zij zich, dat dit met het oog op Hem geschreven was en dat zij dit met Hem gedaan hadden' (Joh.12:13-6). Zijn intocht beeldde zijn komst uit in de heilige stad, het hemelse Jeruzalem. Daar zou 'de Koning der ere binnen trekken' (Ps.24:7).

In het hemelse Jeruzalem zit Jezus nu op de troon van zijn vader David. Deze vorst was immers een vertegenwoordiger van de theocratie of godsregering. Zijn troon was het beeld van de troon van God. Zo staat er: 'Salomo zette zich op de troon des Heren als koning in de plaats van zijn vader David (1 Kron.29:23). p de Pinksterdag sprak Petrus aangaande deze troon: 'Daar David nu een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten, heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van Christus' (Hand.2:30,31). Bij de hemelvaart van Jezus werd in de geestelijke wereld in het nieuwe Jeruzalem de belofte vervuld: 'En de Here God zal Hem de troon van zijn vader David geven, en Hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, zijn koningschap zal geen einde nemen' (Luc.1:32,33).

Bij het lijden van Jezus schuift de boze het aardse patroon opnieuw naar voren. Op de vraag van Pilatus: 'Zijt Gij de Koning der Joden?" antwoordt de Heer duidelijk en klaar: 'Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was, zouden mijn dienaars gestreden hebben, opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier' (Joh.18:33-37). Na dit antwoord begon de duivel Jezus in zijn Koningschap te bespotten : 'En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij traden op Hem toe en zeiden:"Gegroet Koning der Joden' (Joh.19:2). Op deze demonische wijze bracht men Hem toen 'hulde'. Zo werd Jezus ook aan zijn volk dat Hem had verworpen, vertoond 'met de doornenkroon en het purperen kleed'.

Op het kruis was geschreven: Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden". Dit opschrift beviel de boze niet en hij zond de overpriesters naar Pilatus teneinde het te wijzigen in: 'Hij heeft gezegd, dat Hij de Koning der Joden is' (Joh.19:21). Maar Jezus had nooit gesproken over een aards koninkrijk en dit kon dus ook niet tot een later tijdstip worden uitgesteld. Wij zien echter wel hoe belangrijk het voor de satan is om Jezus voor een aards koning te doen houden. De strijd tussen Jezus en hem gaat immers allereerst om de heerschappij in de hemelse gewesten.

Een geestelijke Koning

Wie de Bijbel verstaan wil, moet hem vergeestelijken. Dit stuit echter op heftig verzet van de ongeestelijke christenen. Jezus is echter wel de Koning der Joden, indien wij denken aan een geestelijk Israël. Paulus schrijft immers: 'Maar hij is een Jood, die het in het verborgene is, en de ware besnijdenis is die van het hart, naar de geest; niet naar de letter' (Rom.2:29). Er is een hemels Jeruzalem en op zijn poorten staan de namen van de twaalf stammen van het geestelijk Isral. Deze heilige stad is 'de stad van de grote Koning' en daar is Jezus bezig zijn volk te 'vergaderen als een hen haar kuikens onder haar vleugels. Van de inwoners van deze stad kan worden gezegd: 'Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde' (Col.1:13). Wij zijn immers genaderd tot de geestelijke berg Sion, het hemelse Jeruzalem, tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen' (Hebr.12:23). Jezus is daar de geestelijke Koning. Ook heeft Hij macht over de boze engelen, 'want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al zijn vijanden onder zijn voeten gelegd heeft. De laatste vijand die onttroond wordt is de dood' (1 cor.15:25).

Jezus is de Koning der koningen, dit wil zeggen dat geestelijke mensen met Hem zullen regeren. Allereerst over de machten der duisternis, 'want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten' (Ef.6:12). De heerschappij rust ook op onze schouders. Hier op aarde zijn wij evenals de Meester, toegerust tot dienstbetoon aan onze medegelovigen en aan alle medemensen, teneinde de schepping te bevrijden van de boze geesten en haar te herstellen. Daarom spreekt de Heer tot ons, dat wij zijn evangelie van het Koninkrijk der hemelen zullen verkondigen en demonen uitdrijven. Ook in het duizendjarige rijk zal onze Heer met zijn volk dit koningschap voortzetten, zodat de zuchtende schepping dan volledig wordt bevrijd. Steeds blijft de geestelijke mens meeregeren, omdat hij de gedachten van God ook heeft overgenomen. Uit hem straalt dan het wezen van de hemelse Vader die enkel goed is. Hij overwint de boze door Woord en Geest. De zege zal zo groot zijn, dat eenmaal het hemelse Jeruzalem neerdaalt op de vernieuwde aarde, opdat de herstelde mensheid volledig een stad Gods is, waarin 'God alles is in allen'!.

zie voor andere artikelen kvooverz