kvo 46e jaargang nummer 11 september 1982

J.E.v.d.Brink

Paulus en het Judaïsme

Gebonden door de Geest

Het is wel een merkwaardige mededeling in handelingen 20:16-25 dat Paulus aan het einde van zijn derde zendingsreis zich haastte om zo mogelijk op de Pinksterdag te Jeruzalem te zijn. Hij ontboodt daartoe zelfs de oudsten van de gemeente te Efeze om naar Miléte te komen, omdat hij zich geen tijd gunde die stad aan te doen. Hij sprak tot hen: 'En zie, nu reis ik, gebonden door de Geest, naar Jeruzalem, niet wetende, wat mij daar overkomen zal, behalve dat de heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt, dat mij boeien en verdrukkingen te wachten staan. Maar ik tel mijn leven niet en acht het niet kostbaar voor mijzelf, als ik slechts mijn loopbaan mag ten einde brengen'. Er was een innerlijke stem - gebonden zijn door de Geest van Jezus - die in verband stond met de roeping van Paulus als apostel, dus met zijn loopbaan (vergelijk Hand. 16:6,7). De Heilige Geest drong hem om naar Jeruzalem te gaan om daar het Pinksterfeest te `vieren'. In felle tegenspraak hiermee ontmoette hij op zijn reis telkens profeten, die hem voorspelden dat daar in de `heilige stad' de engel van satan hem zou opwachten om hem nog eens goed 'met vuisten te slaan'. Te Caesaréa gaf de bekende profeet Agabus hem nog een duidelijke boodschap door. Deze profeteerde dat Paulus te Jeruzalem zou worden gevangen genomen en worden uitgeleverd aan de heidenen (Hand.21:11). Wij kunnen goed begrijpen dat de discipelen Paulus dringend verzochten niet op te gaan tot het feest. De apostel antwoordde evenwel: 'Wat doet gij, dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik voor mij ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de naam van de Here Jezus'.

Paulus zou te Jeruzalem op harde wijze met de geest van het judaïsme worden geconfronteerd. Met het judaïsme bedoelen we dan de religie van de Joden, welke gebaseerd is op de Mozaische voorschriften en rabbinistische leringen, en het binnendringen van deze joodse gebruiken en riten in het christendom. Het judaïsme eiste dat men eerst jodengenoot zou worden, voordat men christen kon zijn.

Als zoon uit een Hebreeuws gezin in de verstrooiing had Paulus te Jeruzalem gestudeerd. Hij was dan ook de Hebreeuwse of wellicht de Aramese taal goed machtig. Hij noemde zichzelf een Joods man, die te Tarsus in Cicilië was geboren en opgevoed aan de voeten van Gamaliël. Hij was onderwezen naar de nauwkeurige wijze der vaderlijke wet en noemde zich een ijveraar voor God. In de tempel had hij trouw deelgenomen aan het brengen van offers, totdat hem de ogen werden geopend voor het Lam Gods, dat de verzoening was voor de zonde van de gehele wereld.

In Galaten 1:15 schreef Paulus dat hij van de schoot zijner moeder was afgezonderd en dat het God had behaagd zijn Zoon in hem te openbaren. Het woord 'afgezonderd' heeft de betekenis van scheiding maken of separeren. Zo zonderde Petrus zich af van de heidenen, toen hij de tafel verliet waar hij met dezen was gezeten, voordat de judaïserende broeders uit de kring van Jacobus waren gekomen (Gal.2:12). 'De schoot zijner moeder' was een zinnebeeldige uitdrukking voor de opvoeding en religieuze kennis, die hij ooit te Jeruzalem had ontvangen. Na zijn bekering kreeg Paulus een andere moeder, namelijk het hemelse Jeruzalem. Dat was vrij van de wet en niet zoals zijn oude moeder in slavernij (Gal.4:25,26). Wanneer een christen-jood de ceremoniële wetten, de riten en uitleggingen der rabijnen bleef houden en volgen, verkeerde hij dus nog steeds in slavernij!

Neen, het was geen nostalgie die Paulus naar Jeruzalem dreef om nog eens de lucht te ruiken van het wetticisme, waaraan hij eenmaal was gebonden. De apostel zou evenwel opnieuw op een keerpunt van zijn leven komen. Na zijn roeping op de weg van Damascus kon van hem ook gezegd worden dat hij 'van die weg' was, een typische uitdrukking voor die christenen, die radicaal met het oude hadden gebroken (Hand.9:2;19:9,23;22:4;24:14,22). Deze nieuwe weg leidde naar de volmaaktheid, wat van de oude weg niet gezegd kon worden (Hebr.10:1).Op deze weg waren er mijlpalen waar hij bewust iets afwierp van het oude en zich vaster greep aan het nieuwe dat Jezus hem had geopenbaard. Ook Paulus moest in wijsheid en grootte en genade toenemen. In dit ontwikkelingsproces zou hij steeds minder compromissen met een 'ander evangelie' aangaan en steeds meer verdiepen in de geheimenissen van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen.

Twee stromingen in het christendom

Een van de valse aanklachten tijdens het proces van Jezus voor de Raad, was, dat Hij gezegd zou hebben: 'Ik zal deze tempel, die met handen gemaakt is, afbreken en binnen drie dagen een andere, niet met handen gemaakt, bouwen' (Marc.15:58). Een merkwaardige beschuldiging, die in de zienlijke wereld een leugen was, terwijl zij toch een waarheid bevatte in de geestelijke wereld. Ook de apostelen hadden er aanvankelijk geen oog voor, dat bij het sterven van Jezus een engel het voorhangsel van boven naar beneden scheurde, en daarmee aangaf, dat het oude verbond buiten werking was gesteld, en een beter verbond was gekomen. De Pinksterdag had de beslissende scheiding met de tempeldienst moeten zijn, maar men bleef zich angstvallig scharen om dat trotse centrum van Joodse priesterdienst, dat geen heiden-christen ooit zou wagen binnen te treden. Men ging zich er zelfs op beroemen dat een 'talrijke schare van priesters gehoor gaf aan het geloof' (Hand.6:7). Stel u voor: volgelingen van Jezus gingen in priesterkledij dagelijks naar de tempel om daar de offeranden te brengen tot verzoening der zonden. Hoe was het mogelijk dat christen-priesters 'dagelijks dezelfde offers brachten, die nimmer de zonden kunnen wegnemen'? (Hebr.10:11).

Ook waren er judaïsten, die de broeders leerden: 'indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden'. Ook geboden zij die tot de partij der Farizeeën onder de christenen behoorden, dat alle gelovigen zich moesten laten besnijden en de wet van Mozes houden (Hand.15: 1,5). Voor hen was het nieuwe wel gekomen maar tevens het oude gebleven. Deze christen-joden trachtten de nieuwe wijn van het evangelie van Jezus Christus in oude zakken te doen. Zij hinkten daarbij veelvuldig op twee gedachten.

Het is opmerkelijk dat Stéfanus en zijn kring wèl beseften dat de tempel had uitgediend. Hij moest als eerste martelaar sterven, omdat hij openlijk beleed: 'Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt' (Hand.7:48). Stéfanus kwam hoogstwaarschijnlijk voort uit de vergriekste Joden uit het buitenland. Deze hadden te Jeruzalem hun eigen organisatie en synagogen (Hand.6:8). Hij vertegenwoordigde een richting onder de Griekse Joden, die volkomen openstond voor de leer van het ruime evangelie van het Koninkrijk der hemelen dat Jezus had gepredikt. Hij was bereid om de geheel nieuwe weg te gaan. Daartegenover stond een groep Griekse Joden, die fanatieker was dan de 'ras'echte Hebreeërs uit Jeruzalem zelf. Tot dezen behoorde Saulus van Tarsus, die een diepe afkeer koesterde van de buitenlandse Joden, die het niet meer zo nauw namen met de traditionele opvattingen. Hij achtte zich met de overige Griekse Joden door deze christen-hellenisten zwaar gecompromitteerd en verlangde deze smaad uit te wissen door een bloedige vervolging te ontketenen. Er is dan sprake van een verdrukking 'welke in verband met Stéfanus plaats vond' (Hand.11:19). De wetsgetrouwe christenen ontkwamen evenwel aan deze vervolging. Zij behoefden de stad niet uit te vluchten, maar vormde een moedergemeente onder leiding van de apostelen, die in Jeruzalem bleven en daar hun hoofdkwartier hadden (Hand.8:1).

Het evangelie van Paulus

De felste vervolger van de gemeente te Jeruzalem was Saulus van Tarsus, want hij 'verwoeste de gemeente,en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mede, en hij leverde hen over in de gevangenis'. Als lid van het sanhedrin had hij voorgestemd om Stéfanus ter dood te brengen. Zelf had hij de terechtstelling bijgewoond en de getuigen, die met de steniging moesten beginnen, hadden daarom hun mantels aan de voeten van deze rechter gedeponeerd, die de executie hiermee symbolisch dekte (Hand.7:58;8:1,3). Nooit heeft Paulus vergeten dat deze martelaar ervan getuigde dat hij een blik mocht werpen in de hemel. Zijn Meester was als het ware van zijn zetel opgestaan om nauwkeurig na te gaan hoe deze trouwe volgeling van Hem zich in deze kritieke ure zou houden. Stéfanus was de eerste die terwille van het Koninkrijk der hemelen stierf, terwijl de twaalven nog trouw tempelwaarts gingen en als Joodse richting nog werden geduld.

De haat van de Farizeeër Saulus tegen de 'wetteloze' Joodse christenen drijft hem nota bene naar de hem vijandige Sadducese hogepriester, aan wie hij toestemming vraagt de gelovige in de Joodse kolonie te Damascus te vervolgen. Dan gebeurt onderweg het grote wonder dat de rest van zijn leven zal bepalen. Ook Saulus ziet de hemel geopend, maar hij is tegen dat licht niet bestand en valt blind ter aarde. Hij hoort de stem van Jezus, de Zoon van God, zeggen: 'Saul, Saul, waarom vervolgt gij mij?' Daarna volgt de roeping van de 'dertiende' apostel, 'niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus' (Gal.1:1). Waren de andere apostelen door Jezus geroepen tijdens diens aardse leven, Paulus ontving zijn apostelambt van de verhoogde Meester. Het evangelie dat Paulus dan verkondigen gaat, kan dan ook als hemels worden getypeerd. Zijn prediking sloot zich ten nauwste aan bij 'het evangelie ván Jezus Christus', dat betrekking had op het Koninkrijk der hemelen (Marc. 1:1). Stéfanus had de zin van dit evangelie begrepen en het zou door Paulus verder worden uitgewerkt. Aan de Romeinen schreef Paulus later: 'Want God, die ik met mijn geest dien in het evangelie ván zijn Zoon', dus niet met uiterlijk vertoon of met ceremoniën, maar in de geestelijke wereld (Rom.1:9). Deze gedachtenwereld was onverenigbaar met de Joodse religie, want de Joden 'zijn naar het (volle) evangelie vijanden' (Rom.11:28). Paulus besluit zijn begeleide briefje aan de Romeinen met de woorden: 'Hem nu, die bij machte is u te versterken - naar mijn evangelie en de prediking ván (niet óver) Jezus Christus, naar de openbaring van het geheimenis, eeuwenlang verzwegen, maar thans geopenbaard' (Rom.16:25). Dit volle evangelie was los gemaakt van alle Joodse beperkingen en obstakels, en richtte zich alleen op de onzienlijke wereld. Dit is het ene en ware evangelie, want schrijft de apostel: 'Indien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van wat gij ontvangen hebt, die zij vervloekt!' (Gal.1:9).

Paulus had zijn hemelse roeping aanvaard en sprak zijn Joodse navolgers aan als 'deelgenoten der hemelse roeping'(Hebr.3:1). De verhoogde meester gaf dus aan deze dienstknecht inzichten die overeenkwamen met zijn verheerlijkte positie en 'plaats in de hemelse gewesten' (Ef.2:6).

het compromis

Van meetafaan heeft Paulus zich ertegen verzet dat het judasme vat zou krijgen in de door hem gestichte gemeenten. Hij was daarom in een voortdurende strijd gewikkeld tegen de fanatieke wetsbetrachters, die wel in Jezus als hun messias geloofden, maar die de Mozaïsche wet en de vaderlijke inzettingen nauwgezet in acht namen. Overal waar de apostel zijn pionierswerk verrichtte, hebben deze wettische broeders zijn arbeid doorkruist en gepoogd haar in verkeerde banen te leiden teneinde de heidenen een half christelijk jodendom op te dringen. Zo schreef Paulus aan de heidense Galaten die hij tot bekering had gebracht: 'Dagen, maanden, vaste tijden en jaren neemt gij waar.Ik vrees, dat ik mij wellicht tevergeefs voor u ingespannen heb'. 'Zie, ik Paulus, zeg u: indien gij u laat besnijden, zal Christus u geen nut doen' (Gal.4:10,11;5:2). Geen ogenblik gaat de apostel van de gedachte uit, dat deze wetsgetrouwe christenen te goeder trouw waren. 'Zij trachten u te dwingen tot de besnijdenis, alleen om niet vervolgd te worden terwille van het kruis van Jezus', zoals Paulus dit zelf volop meemaakte (Gal.6:12). Met de scherpste woorden veroordeelt Paulus deze 'leraars der wet' en noemt ze 'binnengedrongen valse broeders, lieden, die waren binnengeslopen, om onze vrijheid, die wij in Christus Jezus hebben, te bespieden, en zo ons tot slavernij te brengen' (Gal.2:4). Ironisch heeft hij het over 'onvergelijkelijke apostelen', of 'schijnapostelen', 'of die heel grote apostelen' (2 Cor.11:5,13).

Ook Petrus werd een ogenblik geïntimideerd door 'sommigen uit de kring van Jacobus', die uit Jeruzalem waren gekomen om te controleren of de Joodse christenen zich wel genoeg distantieerden van hun heidense broeders. Wanneer dan Petrus te Antiochië stil van de tafel schuift waaraan hij met de heidenen had zitten eten, berispte Paulus hem in het openbaar (Gal. 2:11-14). Petrus heeft deze terechtwijzing aanvaard, want ook hij wist zich later 'vrijgekocht van de ijdele wandel, die van de vaderen was overgeleverd' (1 Petr.1:18).

In Jeruzalem wordt dan later een compromis gesloten tussen hen die bezig waren het christendom tot een wereldgodsdienst te doen uitgroeien en de Joodse kerk die stoelde op de wetten van het oude verbond. In Handelingen 15 lezen we dan dat Petrus de verdediger is van de partij uit Antiochië. Hij stelde daarvoor zijn reputatie onder wetsgetrouwe christenen in de waagschaal. Jacobus, de broeder des Heren, komt dan met een bevredigende oplossing: hij stelt zich achter Petrus, maar laat wel goed uitkomen dat de Joodse christenen eigenlijk een bevoorrechte klasse vormden. Hij citeert hiervoor Amos 9:11, 12, waar sprake is van een herstel van het huis Davids, terwijl de heidenen, 'het overige deel der mensen' toegevoegd worden aan het geestelijk centrum Jeruzalem. Jacobus doet vervolgens een beroep vanuit de Joodse praktijk, waar men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, en die niet besneden waren, wel accepteerden. Tot de voorhof der heidenen hadden ook onbesnedenen toegang. De verboden grens was 'de tussenmuur die scheiding maakte' tussen besnedenen en onbesnedenen. Jacobus bedoelde dat men op dezelfde wijze de christenen uit de heidenen moest aanvaarden. Deze 'vazal'-christenen moesten de zogenaamde Noachitische geboden onderhouden, die naar Joodse opvatting voor de gehele mensheid golden. Volgens Leviticus 17 golden deze wetten ook voor de Kanaänieten die midden onder de Isralieten woonden. Hiermee bestempelde Jacobus de christenen uit de heidenen tot 'bijwoners' van de joods-christelijke gemeenten (vergelijk Ef.2:19).

De Joden een Jood

Paulus heeft zich altijd nauwkeurig aan de afspraken van het zogenaamde apostelconvent gehouden. Aan de Corinthiërs schreef hij bijvoorbeeld: 'Ik ben de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de wet staan, als onder de wet hoewel persoonlijk niet onder de wet - om hen die onder de wet staan, te winnen' (1 Cor.9:20). Wettische christenen verkeren evenwel onder de slavernij van de wet; ze zijn dus gebonden aan 'vrome' geesten en zij kunnen niet toestaan dat andere christenen in vrijheid leven. Wie bijvoorbeeld op oudtestamentische wijze zijn 'sabbat' viert, zal ook andere christen dwingen de zondag op soortgelijke wijze te 'heiligen'. Wie principieel bloedtransfusie weigert, zal deze zienswijze ook zijn medegelovigen opdringen. De judaïsten waren zo aanmatigend, dat Paulus er niet altijd tegen opgewassen was en moest schrijven: 'Tot mijn schande moet ik erkennen, dat wij te zwak zijn geweest' (2 Cor. 11:21). Zijn stelregel was: 'Geeft noch aan Joden, noch aan Grieken, noch aan de gemeente Gods aanstoot; zoals ook ik allen in alles terwille ben' (1 Cor.10:32) . Hij liet zelfs zijn medewerker Timotheüs 'terwille van de Joden' besnijden, hoewel hij er persoonlijk niet de minste waarde aan hechtte (hand.16 :23;Gal.6:15).

De Heer zou Paulus evenwel geheel losmaken van alles wat hem nog aan de leer en gewoonte der vaderen verbond, want jodendom en christendom zijn onverenigbare begrippen. Daarom heeft ook altijd in de kerk het aardse Jeruzalem, dat in slavernij verkeert door de wet,het hemelse Jeruzalem dat vrij is, vervolgd (Gal.4:25-31). Vandaar de vermaning: zend de slavin weg met haar zoon, want de zoon der slavin - de wettisch ingestelde christen - zal in geen geval erven met de zoon der vrije, die inwoner is van het hemelse Jeruzalem. Dit wegzenden heeft zijn tijd nodig gehad en hiervoor was de reis van Paulus naar Jeruzalem nodig.

Paulus wilde in Jeruzalem het pinksterfeest vieren. Nu is het pinksterfeest het feest van de gezuurde broden, van het nieuwe brood dat uit nieuw deeg was gezuurd. De oude zuurdesem van de wet zou uit het leven der Christenen moeten worden verwijderd om plaats te maken voor de zuurdesem van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen waarin de wet geschreven is in het verstand en in het hart. Voor de ware christen is geen compromis mogelijk tussen het aardse en het hemelse denken.

Te Jeruzalem aangekomen meldt Paulus zich allereerst bij Jacobus en diens kring van oudsten. Dezen verheugen zich er oprecht in wat God door de dienst van Paulus had verricht, maar ze wijzen er tegelijk op dat Paulus zelf een Jood was en zich als zodanig behoorde te gedragen. Zonder verdere overgang gaat hun lofprijzing daarom over in een ernstig vermaan: broeder Paulus, er zijn hier duizenden Joden gelovig geworden en die zijn allen ijveraars voor de Mozaïsche wet. Nu hebben zij vernomen dat jij het met die wetsbetrachting niet zo nauw neemt. Men zegt zelfs dat je leert dat de Joden hun kindertjes niet meer behoeven te besnijden. Men spreekt Paulus nog wel aan met het woord 'broeder', maar hij moet dan wel 'doen wat zij zeggen' (Hand.21:23). Het bevel is dan: je hebt een grote som geld meegebracht, besteed deze maar voor een deel aan vier arme broeders, die een gelofte hebben gedaan. Ze moeten ieder nog een lam als brandoffer en een schaap als zoenoffer brengen. Maak daarom voor hen een afspraak bij een priester, opdat zij hun heiligingstaak kunnen beëindigen, en doe zelf ook maar mee! Paulus stemde met dit voorstel in, want hij wilde de Joden een Jood zijn. Heeft het hem gebaat? De Joden uit Asia die op het feest in grote getale vertegenwoordigd waren, zien hem in de tempel lopen. Voor hen is Paulus een opportunist, een huichelaar, die nu net doet of hij bij hen hoort, maar die toch 'geheel anders' is. Hadden ze hem niet met de onbesneden Trofimus in de stad zien lopen? Die zal hij wel meegenomen hebben naar de binnenste voorhof. Wanneer de apostel dan zijn offer gaat brengen, komen de beschuldigingen dat hij Grieken - let op het meervoud - in de tempel had gebracht, voorbij de muur van de afscheiding. De engel van satan, die het altijd op het leven van deze knecht des Heren gemunt had, ruit nu deze mannen uit Efeze, de hoofdstad van Asia, op, en met hen de gehele menigte. Het gevolg ervan is, dat Paulus wordt gearresteerd en hij bij elkaar meer dan vier jaar in Ceasaréa en Rome gevangen zit. Waarom was Paulus de tempel binnengegaan? Wat had hij daar nog te maken? Het antwoord is, dat hij dit deed terwille van de 'liefde', maar niet die tot de waarheid. Die broeders met hun traditionele, wettische inzichten hadden Jezus toch ook zo lief! De Charismatische beweging in onze tijd beroept zich daarom nog gaarne op dit verhaal, maar zij bemoeit zich liever niet met het resultaat van deze valse oecumene. De Heilige Geest bracht Paulus naar Jeruzalem, opdat hij eens en voor altijd bevrijd zou worden van de slogan: de Joden een Jood.

Gevangenschapsbrieven

Eenmaal had de apostel drie jaar in de Arabische woestijn doorgebracht en nog veertien jaar in zijn vaderstad om in die afzondering zich te beraden op het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Aan het slot van deze periode ontving hij waarschijnlijk dat heerlijke visioen over de derde hemel en het paradijs Gods. Hem werd daar geopenbaard waartoe 'zijn' evangelie de christen zou leiden, namelijk tot de heerlijkheid van de geopenbaarde zonen Gods en tot het tijdstip, dat God alles in allen zou zijn.

In de gevangenis te Caesaréa en te Rome heeft de apostel ongetwijfeld veel nagedacht over hetgeen de Heilige Geest hem daar in Jeruzalem had willen leren. Wij kunnen dit merken aan de zogenaamde gevangenschapsbrieven, namelijk die aan de Efeziërs, de Filippenzen en Colossenzen. Daarna komen dan de zogenaamde pastorale brieven aan Timotheüs en Titus. De hypothetische gevangenissen waarin Paulus volgens sommige uitleggers bovendien zou hebben gezeten, laten we hier buiten beschouwing, want de bijbel noemt ze niet.

In zijn gevangenschapsbrieven heeft de apostel radicaal met het compromis dat te Jeruzalem gesloten was, gebroken. Hij denkt er niet meer aan voor de Joden een Jood te zijn, want hij heeft door schade en schande geleerd wat dit voor hem betekende. Dank zij dit pinksterfeest in Jeruzalem is Paulus Jood afgeraakt. Merkwaardig is het dat de bedelingen-aanhangers, die allen de Israël-leer zijn toegedaan, dit verschil ook hebben opgemerkt. Zij leren dat alleen de gevangenschapsbrieven voor de gemeenten uit de heidenen rechtsgeldig zijn, omdat ze geen enkel Joods zuurdesem bezitten.

Aan de Efeziërs wordt voorgelezen: 'Maar thans in Christus Jezus zijt gij die eertijds veraf waart, dichtbij gekomen door het bloed van Christus. Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakt, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen... zo zijt gij dan geen bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods'. De aardse tempel met haar ceremoniën heeft afgedaan en de gemeente is voortaan de woonstede Gods in de geestelijke wereld (Ef.2:13-22).

In de Filippenzenbrief wijst de apostel op de algehele breuk met het Jodendom en met de judaïserende richting in het christendom: 'Let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis! Want wij zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op het vlees vertrouwen'. In zijn gevangenschap maakte Paulus zich los van het oude en werd zijn denken totaal vernieuwd. Vergelijk eens de uitspraak in Romeinen 14:5,6 waar Paulus in uiterste verdraagzaamheid vermaant: 'Deze stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef tenvolle overtuigd. Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God' met Filippenzen 2:5-8: 'Besneden ten achsten dage,uit het volk Israël,van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk. Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus 'wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijs gegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen'. In de Colossenzenbrief waarschuwt Paulus zijn lezers dat zij niet meegesleurd mogen worden 'door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering van mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus'. Onder de armelijke, zwakke wereldgeesten, die wetten vervaardigen om ordenend en regelend op te treden, valt ook de wet van Mozes. Zij was voor haar tijd wel subliem, maar gebonden aan volk, plaats en tijd, en ongeschikt voor een wereldgodsdienst, die hemelse wetten zou introduceren. Het Israël Gods heeft niets te doen met de wetten van Mozes,m aar met de wet Gods die door de Heilige Geest wordt ingeschreven in verstand en hart. De christen behoeft niets anders te doen, dan te bedenken de dingen die boven zijn, waar Christus is. De nieuwe, geestelijke mens is het beeld van zijn schepper, 'waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood'. De uitspraak: de Joden een Jood en de Grieken een Griek vervalt hiermee. Wie emigreert naar een nieuw vaderland in de hemelse gewesten, moet zijn oude nationaliteit loslaten en prijsgeven. De Heer wil dat zijn volk dat uit geestelijke mensen bestaat, één is. Mogen er al in de natuurlijke wereld Joden en Grieken zijn, het christendom kent alleen de vernieuwde mens die veranderd is naar het beeld van de laatste Adam, Jezus Christus. De scheiding der volken vindt zijn oorzaak in de zonde. Waar de zonde en de ongerechtigheid weggenomen is, is ook de scheiding tussen de volken verdwenen.

In de Timotheüsbrieven is sprake van leraars der wet, die wel stellig spreken maar die geen besef hebben waarover zij spreken (1 Tim.1:7). Paulus legt dan het accent op een God die een Heiland is voor álle mensen en wiens woord bedoelt is om de mens Gods voort te brengen, die volkomen is en tot alle goed werk volkomen toegerust (1 Tim.4:10 en 2 Tim.3:16,17). Let op de opmerking in Titus 1:10,11: 'Want velen willen van geen tucht weten: het zijn ijdele praters en misleiders, vooral die uit de besnijdenis zijn. Men moet hen de mond snoeren', dus beslist niet tot een vergelijk met hen zien te komen.

Wij denken als Paulus

Ook wij hebben in kvo het evangelie dat Paulus predikte ten behoeve van de ganse mensheid, overgenomen. Paulus deed dit weer als een betrouwbaar discipel in navolging van Jezus zelf. Op onze beurt willen wij wat in de brieven van Paulus is nagelaten, overnemen en op betrouwbare wijze doorgeven. Geen wonder dat wij ook in moeite komen met hen die dit evangelie in al zijn volheid niet accepteren. Wij hebben ons allereerst moeten distantiëren van de leringen der vaderen, die nog berusten op oudtestamentische voorschriften, zoals bijvoorbeeld de kinderdoop, die in plaats van de besnijdenis zou zijn gekomen, of van een zondagsheiliging die berust op verboden en geboden van het oude verbond. Bovenal willen wij geen compromis aangaan met de judaïsten van onze tijd, die menen dat na tweeduizend jaar christendom er nog verschil is tussen Jood en Griek, en dat wij als christen verplicht zijn ons denken te blijven verbinden aan het volk, het land en de godsdienst der Joden. Alsof Paulus nooit geleefd of gevangen gezeten had terwille van het judasme! Zij brengen een ander evangelie dat Paulus ooit verkondigde. Wij houden ons evenwel vast aan het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Deze leer willen wij verder brengen en verkondigen aan de ganse schepping, dus ook aan de Joden. Wanneer dit evangelie van het Koninkrijk in de gehele wereld gepredikt is voor álle volken, zal ook het einde gekomen zijn (Matth.24:14).

zie voor andere artikelen kvooverz.