kvo 46e jaargang nummer 9, juli 1982

J.E.v.d.Brink

Enkele gedachten over de wet

Scheppingswetten

Wanneer God aan het einde van de scheppingsperiode het werk dat Hij gemaakt had, overziet, constateert Hij dat alles zeer goed was. Hij was er in geslaagd zijn eeuwige gedachten in het geschapene tot aanzijn te brengen, zodat alles wetmatig functioneerde en zich kon ontwikkelen. Het licht plantte zich voort met een vastgestelde snelheid en de hemellichamen wentelden zich in onveranderlijke banen als een precisie-uurwerk. Elk kristal bezat een bepaalde ligging van zijn atomen. Er waren wetten van zwaartekracht en er was een kringloop van het water der beken die naar de zee stroomden (Pred.1:7).

Waar het leven zich met de stof verbonden heeft, zien we ook weer een vaste cyclus. De plant ontspruit, bloeit, draagt vrucht en sterft. Het zaadje is geprogrammeerd volgens vaste wetten. Het mosterdzaad levert geen eik. Het dierenleven kent weer de hogere wetten van het gevoelsleven, maar in de mens vinden we de realisatie van het plan Gods op het hoogste niveau. Naast zijn natuurlijk lichaam is er ook een geestelijk lichaam van hogere orde. De geest houdt bij hem het lichaam in stand en is in staat dit tot ontwikkeling te brengen en te onderhouden. Hij regelt de temperatuur en brengt bij een verwonding het herstelmechanisme in werking. Het denken, het spreken en het tijdsbegrip zijn alle van een hogere dimensie. De vrucht in de moederschoot bergt in zich de wetten van de stofwisseling, van de gevoelsuitingen, van de voortplanting en van de mogelijkheden om een geestelijk wezen te worden. Zo is het verlangen naar gemeenschap met de Schepper ook ingeschapen. Het hart is immers onrustig, totdat het rust vindt in Hem. Zonder kennis van God is er geen vrede, want Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt, opdat het Hem zou zoeken, of het Hem al tastende mocht vinden, hoewel Hij niet ver is van een ieder van ons. Want in Hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij. Wij zijn van Gods geslacht (Hand.17:26-28).

Niet alleen de liefde tot de Schepper maar ook de ethische wetten ten opzichte van de naaste zijn ingeschapen. God wil immers in de mensheid als één geheel wonen, en daarom moeten de mensen op elkaar zijn afgestemd. Zij moeten elkaar liefhebben en zuinig op elkaar zijn: de ouders ten opzichte van het kind en dit weer ten opzichte van zijn ouders, en ieder weer ten opzichte van zijn naaste.

De ingeschapen wet machteloos geworden

Door de zonde is alles veranderd. De wetten Gods werden verduisterd en raakten verloren. De mensen die hun weg op aarde verdorven hadden, kenden de ingeschapen wetten van God niet meer. Daarom waren ze ook niet zuinig op hun naaste. Zo waren Kaïn en Lamech typen van allen die vol geweldenarij waren. God kon de mensen daarom niet meer bereiken. Ze waren onnut geworden voor zijn plan. Deze algehele wetteloosheid werd de oorzaak dat de wetteloze geweldgeesten tijdens de zondvloed vrij spel kregen. Met het gezin van Noach begon God evenwel opnieuw. Maar ook bij diens nakomelingen verdween het zedelijk gevoel. Toen zocht God weer naar een rechtvaardig en wetmatig mens en Hij vond Abraham. Deze werd door Hem afgezonderd om een volk voort te brengen dat de gerechtigheid op aarde zou bewaren en wiens hart naar God uitging (Gen.18:19). Dit volk zou dan een hechte eenheid moeten vormen.

Na een 400-jarig verblijf in Egypte bleek dat het uitverkoren volk alle wetmatigheid in zijn leven had verloren. Toen vond God de man Mozes die Hem gehoorzaamde, die hoorde en deed wat zijn geweten hem voorschreef. In de woestijn bleek duidelijk dat de meerderheid van het volk zijn door God geschonken gezondheid en vrijheid niet op prijs stelde. Het was een hardnekking en murmurerend geslacht dat terugverlangde naar Egypte , waar het in slavernij had verkeerd.

De bedoeling van de wetgeving

Tijdens de woestijnreis bedacht God een middel om de verloren ingeschapen wet weer terug te brengen in de harten van zijn volk. Hij schonk het de wet op de Sinaï, in het byzonder de tien geboden, die Hij zelf op twee stenen tafelen schreef. In Deuteronomium 5:22 staat, dat God daaraan niets toevoegde. Zo voegde Hij bijvoorbeeld aan zijn woorden geen strafbepalingen toe. De burgerlijke en maatschappelijke wetten vormden de wet van Mozes. Zijn voorschriften waren overeenkomstig de 'zwakke en armelijke wereldgeesten', dat zijn de samenwerkende menselijke geesten die bijvoorbeeld door middel van de overheid met strafwetten vrede en rust trachten te bewaren (Gal.4:9). Zij hadden geen eeuwigheidswaarde. De ceremoniële wetten waren uitbeeldingen van de gedachten van God aangaande het herstel. Deze werden wel van Godswege geïnspireerd en bleven geldig tot de tijd van Christus, de Hersteller (Hebr.9:10). Zo sprak de Here tot Mozes dat deze de tabernakel moest bouwen naar het voorbeeld dat hem vanuit de onzienlijke wereld was getoond (Hebr.8:5).

De tien "woorden" brachten de ingeschapen wet in herinnering. Daarom was deze wet niet te moeilijk en niet te ver weg. 'maar dit woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart om het te volbrengen' (Deut.30:11-15). Bij de natuurlijke mens is deze wet in het verstand en bij velen ook in het hart: 'Wanneer toch heidenen, die de wet niet hebben, van nature doen wat de wet gebiedt, dan zijn dezen, ofschoon zonder wet, zichzelf tot wet; immers, zij tonen, dat het werk der wet in hun harten geschreven is' (Rom.2:14,15). Het volk moest over de wet dag en nacht peinzen en ermee bezig zijn. Dan zou het verstand en het hart veranderen en de menselijke geest zou daardoor weer kunnen leven, dus opnieuw de drager worden van de wet Gods. Zo had de Here het bedoeld, maar bij het tuchteloze volk was het geweten dichtgeschroeid. De psalmist klaagde: 'Och, had naar mijn raad mijn volk zich gedragen'. Paulus schreef later: 'Wij weten dat de wet goed is, indien iemand haar wettig toepast, 'dus ermee bezig is met zijn verstand en hart (1 Tim.1:8). Daarom kon de profeet David ook van zichzelf zeggen: 'Ik heb lust om uw wil te doen, mijn God, uw wet is in mijn binnenste' (Ps.40:9). Staat er ook niet van Zacharias en Elisabeth dat zij beiden rechtvaardig voor God waren, en leefden naar alle geboden en eisen des Heren, onberispelijk? (Luc.1:6). De goddelozen en zondaars verzwaren evenwel door hun ongehoorzaamheid en de verharding van hun hart, hun oordeel.

In Galaten 3:19 staat, dat de wet erbij was gevoegd, totdat het Zaad zou komen waarop de belofte sloeg. De wet is een hulpmiddel geweest om de ingeschapen wet tot leven te brengen, maar dat wel heeft gefaald. Het gebod dat ten leve moest leiden, bleek voor de meeste mensen ten dode te zijn (Rom.7:10). De wet had dus een negatief effect bij de gebonden mens, omdat ze geen rekening houdt met de boze geesten, en ook geen kracht bezit de demonen te weerstaan of uit te drijven.

Met het Zaad Jezus Christus zou ook de tijd van het herstel aanbreken. Dan zouden de ceremoniële wetten in Hem vervuld zijn, want ze zijn met hun spijzen en dranken en onderscheiden wassingen slechts bepalingen voor het vlees, opgelegd tot de tijd van het herstel (Hebr.9:10).

Liefde tot God en de naaste

De hoofdsom van de ingeschapen wet is liefde tot God en liefde tot de naaste. Het allereerste wat Johannes de Doper, Jezus en later ook Petrus op de Pinksterdag en Paulus predikten, was dat de mens zich tot God zou bekeren. Dan is de ingeschreven wet geen vreemd element meer in het leven, want de bevrijde mens is 'geschapen' om goede werken te doen (Ef.2:10) Dit zal zijn naaste dan ten goede komen.

Allereerst maakt God in zijn wet de mens opmerkzaam, dat deze geen andere goden voor zijn aangezicht zou hebben. Er is immers maar één goede God die hij liefheeft.

De sabbat was aan de mens gegeven, opdat hij niet altijd bezig zou zijn met de natuurlijke dingen. Hij zou tijd krijgen om zijn aandacht te richten op God en diens wet. Iedereen had daartoe een vrije dag, zelfs de slaaf. De heidenen hadden geen sabbat ten einde zich een tijd af te zonderen en zich bezig te houden hoe zij het zondeprobleem in hun eigen leven zouden kunnen oplossen, zodat recht en gerechtigheid in hen zouden triomferen.

De tweede tafel der wet houdt de liefde tot de naaste in. De mensheid moest immers een hechte eenheid vormen: één volk, één wet en één geloof. Een kind zou daarom zuinig zijn op de goede verhouding met zijn ouders. Hij zou ze eren en gehoorzamen. Men zou zuinig zijn op elkaars leven en daarom niet een medemens doodslaan. Man en vrouw zouden elkaar van harte liefhebben en daarom de echt niet breken. Men zou zuinig zijn op de goede naam van de andere en geen vals getuigenis spreken tegen de naaste. Zo zouden bij het overwegen van de wet des Heren de gedachten Gods van buitenaf in het verstand moeten komen om tenslotte de wet van harte te doen, met 'ingespannen krachten'

Zij die de wet beminden en deden, waren de rechtvaardigen naar Gods hart. Deze had alleen met hen contact. Zij vormden de rest van de mensheid met wie Hij omging en doorging.

Een uitspraak in de wet van Mozes: oog om oog en tand voor tand, was niet gegeven als een herstel van de ingeschapen wet, maar stond in verband met de hardigheid van hun hart. Men was immers gewend om als wraak meerder letsel toe te brengen. Evenzo was het ook in de wet van Mozes geoorloofd dat de wetsverbreker aan zijn vrouw een scheidsbrief gaf. Dit gebod was evenwel niet ingeschapen en het was van den beginne niet zo geweest (Matt.19:8). Mozes was een 'man Gods' en zijn zachtmoedige aard vinden wij terug in zijn wetten.

Jezus het einde en de vervulling der wet

Toen Jezus onder het volk optrad, was men wel bezig de wet te bestuderen, maar op een aards gericht niveau. Tijdens het uitpluizen der wet kwamen er hele boeken en voorschriften bij, die de gewone man niet kon houden. De onontwikkelde en arme naaste werd daarmee door de leidslieden afgeschreven en overgegeven aan de boze geesten: de schare die de wet niet kent, was vervloekt! (Joh.7:49). De wetsbetrachting bestond uit uitwendigheden: het nauwgezet geven van tienden, het brengen van offers, het houden van sabbats-voorschriften en -gebruiken. Het lange, vormelijke gebed, de ontelbare ceremoniën, de brede gebedsriemen en de grote kwasten, hadden een occulte waarde. Ondanks deze levenloze vormendienst zag de schare tegen het religieuze establishment op.

Toen Jezus optrad en niet sprak over het onderhouden van allerlei wetsvoorschriften, die niets te maken hadden met de ingeschapen wet, zette het volk een vraagteken achter zijn trouw aan de wet. Men meende dat Jezus bezig was de wet en de profeten - die zo menigmaal het volk hadden gewaarschuwd toch de wet te houden - te ontbinden. Zijn prediking bracht evenwel zijn toehoorders in contact met God na hun reiniging van zonden. Zijn onderwijs aangaande het Koninkrijk der hemelen, waarin ook zijn wetsbeschouwing was begrepen, was geheel nieuw. Door Hem werd de genade zo reëel, dat men de wet kon houden vanuit een gereinigd hart (Joh.1:17). Hij bracht een ander Godsbesef en sprak over de goede God. Hij leerde hoe de wet moest worden gehouden en opende de ogen voor de ingeschapen wet. Met Hem was de tijd van het herstel aangebroken. Wie in Hem geloofde en zijn Geest ontvangen zou, werd verlost uit de hand van al zijn vijanden, de wetteloze geesten. Waren deze uitgebannen, dan kon de ingeschapen wet weer functioneren en werd de wet van de Sinaï overbodig. Hij schreef in het nieuwe verbond de wet weer in het verstand en in het hart. Toen ging de belofte in vervulling: 'Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn, 'dat ik in het hemelse Jeruzalem vergader (Hebr.8:10). De wet werd vervuld of vervolmaakt, omdat ze geschreven werd op tafelen van het hart in de onzienlijke wereld. Later kon de apostel schrijven: 'Opdat de eis der wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, doch naar de Geest" (Rom.8:4).

De wet van de Sinaï was slechts een hulpmiddel, een natuurlijk surrogaat voor de in de geest ingeschapen wet. Wanneer de accu van een auto leeg is, kan men er een oude wagen voorzetten die de eerste wagen een ogenblik optrekt. Daarna kan deze weer uit zichzelf lopen. 'De wet is de tuchtmeester "geweest" tot Christus' (Gal.3:24). Jezus was niet gekomen om de wet teniet te doen, maar haar in alle klaarheid en betekenis te doen stralen. Hij was het einde der wet, dat is haar doel of voltooiing (Rom.10:4). Reeds in zijn jeugd had onze Heer met God en zijn naaste een goed contact, want 'Hij nam toe in wijsheid en grootte en genade bij God en mensen' (Luc.2:52).

In de zichtbare wereld brak Jezus vele wetsverordeningen. Hij stond zijn discipelen toe om op sabbat aren te plukken. Hij genas een waterzuchtig mens op sabbat en maakte op sabbat slijk om de ogen van een blinde te bestrijken. Hij verklaarde alle spijzen rein, omdat zij de mens van binnen niet verontreinigen. Hij vergeestelijkte de profetieën en noemde Zichzelf de tempel van God. Hij identificeerde zich met de koperen slang, met het manna uit de woestijn en met de vuurkolom. Hij zaaide in zijn prediking geen tweeërlei zaad. Hij was het paaslam. Door zijn evangelie van het Koninkrijk der hemelen transponeerde Hij de besnijdenis uit de wet van Mozes naar de geestelijke wereld en maakte deze overbodig door de besnijdenis des harten. Jezus maakte het de mensen in de natuurlijke wereld gemakkelijk, want zijn juk was zacht en zijn last was licht.

Jota en tittel der wet

De tegenwoordige hemel en aarde zullen vergaan, dit wil zeggen, voorbijgaan, waaronder ook de wereld die in verband staat met de wet van de Sinaï. Alles wordt nieuw, dat is zoals God het heeft geschapen. Voordat het herstel beëindigd is, zal zelfs de kleinste wet van God weer gaan functioneren in de mens en in de schepping. De Joden zochten naar de betekenis van jota en tittel en kwamen daarbij tot allerlei pietluttige voorschriften in de natuurlijke wereld: het vertienen van de munt, de dille en de komijn. Door hun trouw aan de kleine voorschriften ontnamen zij de mens zijn koninklijke waardigheid en maakten hem tot een slaaf van de wet. Paulus schreef: 'Het tegenwoordige Jeruzalem is met zijn kinderen in slavernij' (Gal.4:25).

Jota en tittel verzinnebeeldden de kleine geboden. Wie evenwel in het Koninkrijk der hemelen functioneert, kan van de ingeschapen wet van God zelfs niet de kleinste wetmatigheid over het hoofd zien. Hemel en aarde mogen voorbijgaan, maar de geboden van Jezus die de onzienlijke wereld betreffen, gaan geenzins voorbij.Zij berusten op de grondwet van het leven: liefde tot God en liefde tot de naaste. Deze twee geboden drukken het doel der wet uit en berusten op eerbied voor de Schepper en respect voor de medemens, die naar het beeld van God is geschapen.

Het vertienen van de munt, de dille en de komijn is niet zo belangrijk als het oordeel, de barmhartigheid en de trouw. (Matth.23:23). Het oordeel is de scheiding tussen goed en kwaad. De barmhartigheid beteken de liefde tot de naaste en de trouw is de loyaliteit van de mens jegens God en zijn naaste.

Waarom was het zonde, wanneer men een kreupel dier offerde (Mal.1:8). Omdat men blijk gaf dit zinnebeeld niet te verstaan, want het symboliseerde Jezus als het volmaakte Lam Gods, dat is het Lam dat God zelf bracht. Hij voorzag Zichzelf van een brandoffer (Gen.22:8). Petrus minachtte dit 'kleine' gebod dat Jezus naar Jeruzalem 'moest' gaan om te lijden en gedood te worden (Matth.16:21-23). Ook de Emmaüsgangers geloofden niet, dat de Christus 'moest' lijden. Hoevele christenen denken ook aan het kleine gebod, dat zij wel gaarne vergeten, dat wij onder vele verdrukkingen 'moeten' ingaan (Hand.14:22). Natuurlijk behoeven wij onze tienden niet meer te geven. Dit gebod behoort immers tot de wet van Mozes. Maar evenals wij de overheid geven wat haar toekomt, zijn wij gehouden om 'Gode wat Gods is' te geven. Daarom zonderen wij voor de dienst des Heren 'een ieder naar zijn vermogen' af (1 Cor.16:2).De ingeschapen wetten van het Koninkrijk der hemelen zijn als onderdelen van een machine.Er kan geen schroefje worden gemist. Er staat: 'In alle delen onberispelijk'

(1 Thess.5:23). Ook sprak Jezus: 'niet een ieder, die tot mij zegt: Here, Here, zal het Koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders, die in de hemelen is' (Matth.7:21). 'Wie deze wil doet, namelijk het goede, welgevallige en volkomene, en leert, zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen' (Matth.5:19 en Rom.12:2). Jezus was de allergrootste in het doen en daarom ook in zijn onderwijs. En wij zijn zijn navolgers! (1 Cor.11:1).

zie voor andere artikelen kvooverz