kvo 46e jaargang nummer 8 11 juni 1982

Hans Bulthuis

IS ONZE GOD EEN VERTEREND VUUR?

Nadat de schrijver van de brief aan de Hebreeën bladzijden lang de lezer heeft meegevoerd uit het vleselijk Israël naar het geestelijke, uit het oude verbond in het nieuwe, en van de aarde naar de hemel, eindigt hij in hoofdstuk twaalf met een anti-climax: want... onze God is een verterend vuur. In onze verbeelding zien wij de "letter-lezers" opspringen en uitroepen: Zie je wel dat God niet enkel goed is, zelfs het nieuwe testament spreekt zo. En inderdaad, het staat er zwart op wit. In een studiebijbel zal men echter een voetnoot aantreffen met een verwijstekst. En daar schuilt het geheim: deze uitspraak is helemaal geen nieuwtestamentische, maar een citaat van Deutoronomium 4 vers 24. Daar begint dan ook de geschiedenis van deze voor velen frustrerende uitspraak en formulering van God, onze goede Vader in de hemelen. Men doet er dus goed aan dáár met het onderzoek te beginnen. Daarbij uiteraard gebruikmakend van reeds eerder verworven inzicht en kennis, zoals: zaken uit het O.T. beelden geestelijke werkelijkheden in de hemelen uit, Jezus is de enige, juiste weerspiegeling van Gods wezen en vuur is het symbool voor satan en zijn werken.

De oorsprong van de gewraakte zinsnede ligt vlak na de gebeurtenissen op de Sinaï. Mozes gaat God ontmoeten. Een mens krijgt kontakt met de onzienlijke wereld der geesten, met krachten en wetten die zich door middel van zichtbare, hoorbare en tastbare handelingen manifesteren. Het wordt een ontzaglijk en schrikwekkend verschijnsel: rook, vuur, donkerte, bazuingeschal en een stem. Mozes is enkel vreze, Israël staat bevend van verre en er is dood en verderf voor ieder levend wezen dat de berg zal aanraken. Is deze verschijning nu de Vader van onze Heer Jezus Christus? Is dit de Vader uit de gelijkenis van de verloren zoon? Indien God van eeuwigheid dezelfde is, waarom dan een dergelijke vertoning? We schreven reeds dat op de Sinaï de wereld der geesten zich openbaarde en Jezus leert ons dat daar drie koninkrijken zijn. Het rijk Gods, dat van de satan en tenslotte het dodenrijk. In het oude verbond was men niet voor de hemel gerechtvaardigd, zodat men meestal niet zonder kleerscheuren kontakt kon opnemen. Zodra men God ontmoette, kwam men tevens in aanraking met de vijanden aldaar. Het bloed van bokken en stieren gold voor de aarde en wie daar tegelijkertijd zijn ouders eerde, was verzekerd van een lang leven. Maar zodra men stierf en de geestelijke wereld binnenkwam, sloeg men de ogen op in... het dodenrijk. Er was nog geen verlossing uit de macht van satan door Jezus' bloed. Bij iedere bemoeienis met hetgeen "boven" is, kwam men de drie rijken tegen. Het liep door elkaar, vloeide door. Zonder de inzichten van de Heer, die voor ons de hemelen opende, verklaarde en beveiligde, was begrip voor deze bovennatuurlijke dingen onmogelijk. Zodoende sprak men: Wie God ziet, zal sterven. En alle vanuit de hemel komende verschijnselen schreef men Hem toe. Sterk uitgedrukt zou men kunnen zeggen: Wie God naderde, naderde mede de duivel. Hij was niet te omzeilen. De bijbel vermeldt dat het vuur van de Sinaï laaide tot in het hart des hemels. Het blijkt dat in dat centrum niet alleen God aanwezig is, maar tevens de boze die immers van plan is zijn troon daar te vestigen en te handhaven. Een zetel naast de Allerhoogste op de berg der samenkomst. Er zijn hierover nog twee voorbeelden te geven.

Allereerst het paradijs. In het centrum staan twee bomen. Elkaars tegengestelde, die van God en van de satan. Maar ze staan wel naast elkaar in het midden. Kom je tot dat midden, dan wordt je automatisch geconfronteerd met beide bomen. Pas maar op dat je niet verkeerd grijpt. Zo is het eveneens in de hemelen. Bijde rijken bestaan naast elkaar en wie deel heeft aan geestelijk leven, in het O.T. aan God, staat oog in oog met beide. Pas na de grote eindstrijd zal de tegenstander met zijn wetteloze volgelingen ver van het aangezicht des Heren verwijderd worden. Dan gaan die twee voorgoed uit elkaar. Dan breekt de grote en definitieve scheiding in de hemel aan. Een oordeel dat alleen kan worden voltrokken door mensen die veilig, sterk en met veel kennis er kunnen opereren. Mensen die volmaakt gerechtvaardigd zijn door het bloed van het Lam. Gelovigen die volledig los gemaakt zijn van elke binding aan het rijk der duisternis. Die vervuld met de Geest van God meerder zijn dan het vuur en het kunnen blussen.

Een tweede beeld hiervan schildert ons het laatste bijbelboek. Daar wordt de troon Gods getoond met ervoor de vurige glazen zee. Weer bijelkaar in het hart des hemels. En na de uiteindelijke overwinning van Gods volk zal ook die zee er nooit meer zijn. Israël had van deze uitsplitsing der geestenwereld geen weet. Het gooide alles op één hoop: vuur, duisternis, bliksem, bazuinklank en de stem. Het was alles God. Zo ontmoet men tegenwoordig steeds nog mensen die meer onder de indruk zijn van ellende en nood dan van de verlossende macht Gods door Jezus Christus. Zij zien hoofdzakelijk alleen het vuur en leren dat het van God komt. Wee hen die dat kwade de Goede toeschrijven.

Vele jaren later komt Elia dichter bij de oplossing. Hij ontmoet ook God op de berg. Weer vertonen zich de uiterlijke kenmerken van de hemelse gewesten: juist toen de Here voorbij wilde gaan, kwam er een vreselijke storm. Daarna een aardbeving en tenslotte een vuur. Maar... in geen van deze drie was de Here!!! De ware God en Vader is in het suizen van een zachte koelte. Enkel vrede.

Vele eeuwen later openen de hemelen zich opnieuw. Weer hetzelfde liedje: storm, vuur. Het is de eerste Pinksterdag. Dezelfde tekenen. Een zoveelste confrontatie met de onzienlijke werkelijkheden.

Nu komen echter zo'n honderdtwintig gereinigde mensen ermee in aanraking. Op hen viel het vuur en de storm was om hen heen, maar zij... werden vervuld met de Heilige Geest en met kracht Gods. Voor zulken geldt: Als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en de vlam zal u niet verbranden. Wel kontakt met vuur hebben, want dat is door satans aanwezigheid in de hemel niet te ontlopen. Allen worden met vuur gezouten en door die duivelse gloed beproefd. Maar niets zal hun enig schade doen. Gelijk de Meester bedwingen zij het geweld van de storm: Zwijgt stil! De machten in de hemelen beginnen dan te wankelen, hetgeen uitloopt op de val van twee ervan: de leugenaar en de moordenaar van den beginne, satansrijk en de dood. Slechts het ongedeeld ware, goede en levende houdt eeuwig stand: het onwankelbare Koninkrijk Gods.

Jezus, die dit vertegenwoordigde en belichaamde, ging rond, goeddoende en genezende allen die door de duivel overweldigd waren. Hierin deed Hij wat Hij van de Vader zag, namelijk de ganse aarde doorlopen om krachtig bij te staan wier hart volkomen naar Hem uitgaat. Zijn wegen kruisen de gang van de briesende leeuw die eveneens rondgaat, maar dan om te verscheuren. Op zulke kruisingen staan beide rijken bij elkaar, maar hebben geen enkele overeenstemming. Welke gemeenschap heeft Christus met Belial, het licht met de duisternis, vuur met koelte of God met satan? Verwarring van beide en hun specifieke eigenschappen is ontstaan door ongeestelijke mensen, zowel in Israël als onder de christenen. De Heer werd daar ook voortdurend bij bepaald. Als de Joden de blindgeborene bij Hem brengen, vragen zij in innerlijke ontferming niet om hulp, maar vanuit koude hardheid: Wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders? Zo iets krijg je immers niet voor niets. God straft toch, want Hij maakt ziek en dood, Hij verteert je toch? Jezus spuwt op zo'n theologie en smeert het slijk op de doffe ogen. Slechts wie zich daarvan reinigt door een waterbad des woords, geneest en ziet weer. Welk een teken verrichte de Heer hier. Direct daarop laat Hij volgen: Ik ben de góéde Herder. Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed. Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien. Als je Mij begrijpt, ken je ook het goddelijk wezen.

De dief steelt, slacht en verdelgt. Satan heeft de macht over de dood. Hij betaalt dat ontbindende loon uit op de zondedaad. Daardoor maakt hij velen gedurende hun leven beangst. Voor hem dient de mens op te passen. Raakt men aan hem gebonden, dan voert hij je mee naar de bestemde plaats. Dit zegt Jezus in Lucas 12:5 'Ik zal u tonen wie gij vrezen moet. Vreest hem die nadat hij gedood heeft, macht heeft je in de hel te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest hem'.

De vertalers zetten 'hem' met een hoofdletter, daarmee God tot een boeman makend en Hem betichtend van dingen die Hij in't geheel niet doet of kan doen. Een levendmakende geest kan niet doden. Allen die Hem aanroepen en aanraken worden behouden.

God is liefde en de liefde doet de naaste geen kwaad en rekent het kwade niet toe. Hij vergeeft, geneest en herstelt. In Hem is geen enkele vorm van duisternis of vertering. Hij verwijt niet, straft niet, maar vergeeft om niet. Daar is zelfs geen offer voor nodig. Dat was alleen noodzakelijk om de gevallen mens uit handen te krijgen van de duivel en om voor die mens het strafwerk te maken dat als verdiende loon der zonde door de boze was klaargezet. Het was plaatsvervangend en waardevervangend. God eist geen bloed. Hij was op Golgotha niet aanwezig, riep Jezus uit. Daar was het de ure der duisternis, waarin de Zoon Zich, uit volmaakte liefde voor ons, vrijwillig had overgegeven. Geprezen zij zijn heerlijke naam. God echter is te ontdekken waar de heerlijkheid zich uit: de opstanding. Waar in vroeger tijd de mensen neervielen (ook nu nog wel) ,daar spreekt Hij: Ga op uw voeten staan. Hij richt de gebogenen op, Hij dooft de walmende vlaspit niet uit, Hij herstelt het geknakte riet. Het geloof in Hem dooft vuur. Dat ondervonden de drie vrienden van Daniël al. Door deze geloofsstrijd wordt uiteindelijk iedere vorm van vernietiging uitgebannen. Bij zijn laatste bliksemschicht zal de oude slang uit de hemel vallen en na een tussentijds verblijf in de afgrond voorgoed in de poel van zijn eigen vuur nederdalen tot in alle eeuwigheden. Jesaja profeteert dat na die opruiming de gehele aarde kwaad noch verderf meer zal herbergen, maar door de kennis des Heren vol vrede, veiligheid en rust zal zijn. Waar God aanwezig is en het alleen voor het zeggen heeft, daar heersen enkel goedheid en leven.

Laten wij daarom, omdat wij een onwankelbaar koninkrijk ontvangen, dankbaar zijn en hierdoor God vereren op een Hem welbehaaglijke wijze met eerbied en ontzag, want Hij alleen is onze goede God!

KVO SEPT.1982 NUMMER 11

Brieven van lezers beantwoord door de redaktie

Over de 'vuurdoop'

Een lezer stelt enkele vragen over de betekenis van het woordje 'vuur' in de bijbel:

'Als het in KvO over 'vuur' en 'dopen met vuur' gaat, wordt door u en bijna iedere schrijver de verklaring gegeven, dat deze uitdrukkingen zien op het vuur van de boze. Als Johannes zegt over Jezus: 'Hij zal u dopen met de Heilige Geest en met vuur', haalt men steevast aan: op het werk van de Heilige Geest komt zeker de boze af om Gods werk te verstoren of te bemoeilijken. Zeker, dat zie ik ook heel goed, en ik ervaar dat. We kunnen dit wel een geestelijk axioma noemen. Maar ondanks dit denk ik meermalen: zou hier dan helemaal niet gedacht kunnen en moeten worden aan het vuur van en door de Heilige Geest, 'aan een vuur dat brandt in mijn hart, dat verlangt te getuigen van Jezus, die leeft?' We zingen er wel van, en zien we daarnaar niet meer en meer uit, dat het vuur openbaar wordt? Ik vind het eigenlijk wel wat aan de negatieve kant om slechts alleen te zien op het vuur van de machten der duisternis. In nummer 8 (bovenstaand artikel) van KvO opnieuw in het artikel over onze God een verterend vuur - overigens een fijn artikel waar ik blij mee was - lees ik weer hetzelfde liedje: storm en vuur, beide uit de koker van de demonen. Nu komt mijn vraag: kan dit naar uw mening beslist niet worden gezien als heilig vuur door de Geest en als teken van de kracht door diezelfde Geest, waar de schrijver het ook juist over heeft? Ik ervaar het als een schromelijk tekort, als men vrijwel alleen oog heeft voor het vuur van de demonen.

In het Nieuwe Testament hadden de apostelen en andere schrijvers de leiding van de Heilige Geest. Het verbaast mij telkens als een, wat wij noemen 'negatieve' tekst uit het Oude Testament wordt geciteerd waarbij duidelijk de inzichten door de Heilige Geest ontbraken - zo'n tekst menigmaal met de 'negatieve' gedachte wordt overgenomen zonder verdere uitleg of verklaring. Ik denk aan de aanhaling in hetzelfde nummer 'Onze God een verterend vuur' (Hebr.12:29). De schrijver laat dit woord uit Deuteronomium gewoon voor wat het is, geeft er ook geen nadere uitleg bij of stelt het geciteerde niet in licht van het Nieuwe Testament. Voorheen had ik het daarom met dergelijke teksten wel moeilijk en ik vermoed dat ik niet de enige ben. Graag uw gedachten hierover en met hartelijke broedergroeten'.

antwoord

Wanneer Johannes profeteert dat Jezus de Doper is met de Heilige Geest en met vuur, vervolgt Hij: 'De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur' (Matth.3:11,12). De vuurdoop heeft in dit verband dus duidelijk te maken met een zuiveringsproces, waarvan Petrus schreef: 'Laat de vuurgloed, die tot beproeving dient, u niet bevreemden, alsof u iets vreemds overkwame. Integendeel, verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring zijner heerlijkheid' (1 Petr.4:12,13). De pinksterervaring heeft twee zijden: men ontvangt naar Jezus 'woorden' 'kracht van omhoog', en er komen verdrukkingen van uit het rijk van de satan. De kracht van de Heilige Geest zorgt voor de uitkomst en de overwinning. Zij schenkt het vermogen om tegen de verzoeking of vuurdoop bestand te zijn (1 Cor.10:13). In deze oorlog wordt de ware christen sterk en doet hij de vijandelijke legers afdeinzen (vergelijk Hebr.11:34). Wanneer wij zouden zeggen dat de doop met vuur doet denken 'aan het vuur ván en dóór de Heilige Geest, of aan vuur dat brandt in mijn hart', zou Johannes dus eigenlijk spreken over een dubbele doop met de Heilige Geest, dus 'die zal u dopen met de heilige Geest en met de Heilige Geest als vuur'.

De prediking van Jezus wekt de tegenstand op van het rijk der duisternis. Daarom sprak de Heer in verband met zijn evangelie van het Koninkrijk der hemelen, dat gepaard ging met wonderen en tekenen: 'Vuur ben Ik komen werpen op de aarde en wat is mijn wil, als het reeds ontstoken is? Ik moet gedoopt worden met een doop en hoe beklemt het Mij, totdat het volbracht is' (Luc.12:49). Na zijn doop in de Heilige Geest werd Jezus ogenblikkelijk door de Heilige Geest in de woestijn geleid, waar Hij veertig dagen werd verzocht door de duivel. De demonen bleven Hem voortdurend pressen, totdat Hij op Golgotha de beslissende overwinning behaalde. Zijn doop in vuur had tot gevolg, dat 'Hij tijdens zijn dagen in het vlees heeft gebeden, en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd heeft aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst' (Hebr.5:7).

Ook de discipelen werden gedoopt in vuur. Paulus sprak zelfs van een speciale afgezant van de satan, die hem met vuisten sloeg. Overal waar hij het evangelie van het Koninkrijk predikte, zette deze boze engel hem de voet dwars. De bedoeling was dat Paulus zich maar niet zou 'verheffen' in de hemelse gewesten (2 Cor.12:7). De kommer en de kwel moesten de apostel neerdrukken.

Let nu op wat op de Pinksterdag gebeurde. 'Eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen' (Hand.2:2,3). We lezen dus van een geluid alsof er een hevige windvlaag voorbijjoeg. In Lucas 21:25 wordt het Griekse woord voor 'geluid' vertaald door 'bulderen'. Dit geluid symboliseert de heftigheid van de aanvallen op Gods kinderen, die na de doop in de Heilige Geest steeds moeten bidden: 'En nu, Here, let op hun dreiging en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken' (Hand.4:29). Elia leerde evenwel al in zijn dagen, dat God niet in de geweldige, sterke wind is, en ook niet in het vuur. De goede God is altijd in het suizen van een koelte (1 Kon.19:11,12). Sprak de Heer niet tot zijn volk: 'Gij ellendige, door storm voortgedrevene...valt men u heftig aan, dan gaat dit van Mij niet uit' (Jes.54:11-15).

Ook de tongen als van vuur, die zich op de hoofden der aanwezigen verspreidden, wijzen erop, dat het vuur op de aarde was geworpen door de prediking van het volle evangelie. De vijandschap der demonen zou zich byzonder keren tegen hen die met de Heilige Geest vervuld waren. Daarom kon Petrus spreken: Dit is het: er komen wonderen van genade en heil in de hemelse gewesten waarin wij overgeplaatst zijn, en tekenen vanuit het rijk der duisternis op aarde: bloed, vuur en rookwalm.

Wanneer gezegd wordt: 'Ook onze God is een verterend vuur' wijst deze uitspraak erop, dat wie tot God nadert, dezelfde ervaringen in de geestelijke wereld krijgt, die Israël eenmaal bij de Sinaï meemaakte: brandend vuur, donkerheid, duisternis en stormwind, dus een duivelse tegenstand (Hebr.12:18).

Aan het slot van Hebreeën 12 wordt gezegd, dat voordat wij het onwankelbaar Koninkrijk ontvangen, niet alleen de aarde maar ook de hemel zal gaan beven. Het beven van de onzienlijke wereld heeft zijn uitwerking in de zichtbare dingen: radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding. Zee en branding zijn beelden van de geestelijke wereld. Asaf schilderde het verschijnen van God als een lichtglans, maar tegelijkertijd staat er: 'Vuur verteert vóór zijn aangezicht, rondom stormt het geweldig' (Ps.50:3). De ruiter op het witte paard, het Woord Gods, wordt vergezeld door drie macabere gedaanten op rosse, zwarte en vale paarden (Openb.6:1-8). Voordat de grote en laatste pinksterdag komt, de late regen, zal duisternis de aarde bedekken en donkerheid de natién. Allen die evenwel vervuld zijn met Gods Geest, zullen de heerlijkheid Gods zien (Jes.60:1,2). Hoe dichter de christen met God is verbonden, hoe zwaarder zijn geestelijke strijd wordt. De climax wordt bereikt wanneer de geopenbaarde zonen Gods worden ingezet in de strijd in het hemelse Harmàgedon. Zij trekken, om een ander beeld te gebruiken, door een zee van glas vermengd met vuur. Bij deze doop in vuur geldt: 'Als gij door het vuur gaat, zult gij niet verteren en zal de vlam u niet verbranden' (Jes.43:2).

Neem nu eens een concordantie en zoek in het Nieuwe Testament het woord 'vuur' op. Het komt bijna zeventig maal voor; een enkele maal als natuurlijk vuur dat warmte of licht schenkt, maar voor het allergrootste deel is 'vuur' beeld van de boze geesten in hun vernietigende en beschadigende uitwerking. In dit verband zou ik de zin: 'Ik ervaar het als een schromelijk tekort, als men vrijwel alleen oog heeft voor het vuur van de demonen' liever zo schrijven: 'Ik ervaar het als een schromelijk tekort, als men vrijwel alleen oog heeft voor de demonen, die vaak met vuur worden vergeleken'. De demonen zijn het vuur.

De bijbel zegt: 'Strijd de goede strijd des geloofs'. Tegen de duivel vechten is dus een goed werk. De Heer wil dat wij deze strijd voeren. De boze wil evenwel dat wij geen aandacht aan hem schenken. Daarom heeft hij de leugen verzonnen: wie over de duivel spreekt, bewijst hem teveel eer. Wij zullen ons evenwel met hem moeten bezighouden, want onze Heer zegt: 'wie de vijand overwint, hem zal Ik geven te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen. Paulus kende zijn vijand. Diens gedachten waren hem niet onbekend (2 Cor.2:11). Het is gevaarlijk om in een oorlogssituatie de vijand steeds maar uit de weg te gaan en te doen alsof hij er niet is. Men noemt dit struisvogelpolitiek. De boze gaat rond als een brullende leeuw en wij moeten hem wederstaan, opdat hij van ons vliede. Er staat dat de kinderen Gods de boze hebben overwonnen en de aartsengel Michaël is een medestrijder in de kamp. Door zijn strijd bewijst de mens dat hij zijn plaats op de troon waardig is en dat hij daarmee boven de engelen is gesteld. Adam en Eva verloren de strijd vanwege hun onbekendheid met de vijand. Onder het leiderschap van de laatste Adam zal de mensheid evenwel de strijd winnen. Het is juist een schromelijk tekort bij de meeste christenen, ook bij die in de pinksterwereld, dat zij absoluut geen rekening houden met de inwerking van de demonen in eigen leven of in de levens van hun broeders en zusters. Nog altijd geldt deze Paulinische waarheid: 'Wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees - ook niet tegen eigen vlees - maar tegen de boze geesten in de hemelse gewesten' (Ef.6:12).

zie voor andere artikelen kvooverz