kvo 46e jaargang nummer 8 11 juni 1982

J.E.v.d.Brink

DE METAMORFOSE VAN DE MENS

Gedaante verwisseling en metamorfose

In het wonderbare levensproces van mens en dier is het een normaal verschijnsel dat er scherpe verschillen worden waargenomen tussen jonge en volwassen exemplaren. Een knaap heeft nog geen baard en het meisje mist de lichaamsvormen van de volwassen vrouw. De jonge leeuw heeft een zachte, wollige haarvacht met streeppatronen als die van een tijger. Toch heeft ondanks deze veranderingen de knaap de lichaamsbouw die vergelijkbaar is met die van een man en de welp met die van de leeuw. Deze verhouding mist men bijvoorbeeld bij de kikvors. De vorspop is een visje zonder poten en met een staart en heeft kieuwen om onder water adem te halen. Denk ook aan de insekten: de larve lijkt niet op het eigenlijke insekt, de engerling die jaren onder de grond leeft, niet op een meikever, en de rups niet op een vlinder. Het Griekse woord metamorfose wijst op zo'n revolutionaire vormverandering. Een gedaanteverwisseling is dus nog niet altijd een metamorfose. Bij zijn lichamelijke ontwikkeling ondergaat de mens wel een gedaanteverandering van zuigeling naar kind, verder naar knaap, jongeling, man en grijsaard, maar men spreekt daarbij niet van een metamorfose.

Nu wordt in de bijbel de aandacht van Gods volk gevestigd op een proces van een algehele verandering, die de mens moet meemaken om zijn voltooiing te bereiken. In 2 Cor.5:17 staat immers de bekende tekst: 'Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen'. De apostel gebruikt dan in dezelfde brief in hoofdstuk 3:18 het grondwoord metamorfose: 'En wij allen, die met een aangezicht waarop geen bedekking meer is, de heerlijkheid des Heren weerspiegelen, 'veranderen' naar hetzelfde beeld van heerlijkheid tot heerlijkheid, immers door de Here, die geest is'. Hier is sprake van omzetting van morphe of vorm, die nog niet voltooid is. Zij wordt veroorzaakt door een verandering van geestesgesteldheid of van denken. In Romeinen 12:2 gebruikt Paulus dan ook het woord metamorfose: 'En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt 'hervormd' door de vernieuwing van uw denken. De derde maal dat dit woord in het Nieuwe Testament voorkomt, is in Mattheüs 17:2 en in Marcus 9:2, waar verhaald wordt dat onze Heer voor de ogen van zijn drie discipelen van 'gedaante veranderde'. Daar doelt dit woord op een omzetting van zijn aardse gestalte in een bovenaardse of hemelse. Het blinkende gewaad was hiervoor het kenmerkende.

De metamorfose van de christen

De mens is een wonderlijke schepping. In hem zijn ongekende mogelijkheden. Hij ondergaat een metamorfose van natuurlijk naar een geestelijk wezen. Zijn geest is de drager van het leven en zijn ziel heeft die eigenschappen die hem tot mens maakt. Geest en ziel vormen samen zijn geestelijk, onzichtbaar lichaam. De geest heeft twee opdrachten: het vormen en tot ontwikkeling brengen van de natuurlijke mens, want het natuurlijke is eerst en daarna komt het geestelijke aan de beurt (1 Cor.15:46). Wij merken hierbij op dat de zienlijke of uitwendige mens geen metamorfose kent, maar wel de onzichtbare, innerlijke mens met zijn geestelijk onsterfelijk lichaam. De uitwendige mens heeft een natuurlijk, sterfelijk lichaam. Wij hebben dus twee lichamen, 'want is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam' (1 Cor.15:44). In 2 Corinthiërs 5:1 zegt de apostel, dat de christen bij zijn sterven het sterfelijke lichaam, de tijdelijke tent, achterlaat. Hij bezit dan noch zijn onsterfelijk lichaam, zijn eeuwig, geestelijk huis. Het natuurlijke lichaam is stoffelijk en het geestelijk lichaam van ziel en geest is onstoffelijk. Het eerste is tijdelijk en vergankelijk en het andere is eeuwig en onvergankelijk. Opgemerkt wordt, dat wij deze schat in een aarden vat hebben (2 Cor.4:7).

In de eerste levensfase ontwikkelt zich het geestelijk lichaam parallel met het natuurlijk lichaam. Hoe ouder een mens wordt, hoe meer verantwoordelijkheid hij kan hebben, hoemeer incasseringsvermogen er is, hoemeer kennis en wijsheid hij bezit en hoemeer creatief vermogen voor kunst en techniek zich ontwikkelt. Dit zijn aardse zaken waarbij het geestelijk lichaam betrokken is. Op deze wijze groeit de mens 'onder de zon'. Dit geschiedt evenwel niet altijd gaaf en harmonisch, want niemand ontkomt aan de beïnvloeding van de overste van deze wereld. Alle mensen hebben gewandeld overeenkomstig de overste van de macht der lucht en van de geest die werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid. Tezamen zijn zij daardoor onnut geworden om een nieuwe levensfase in te gaan, om een innerlijke metamorfose mee te maken waardoor zij zich zouden kunnen verheffen in de dimensie van het Koninkrijk Gods.

Ook ligt er over allen een bedekking, welke slechts wordt weggenomen, indien zij zich tot de Here bekeren (2 Cor.3:16-18). Van nature zijn wij kinderen des toorns, dat is krachtens onze ontwikkeling en krachtens ons aards groeiproces. We zijn hierdoor onder de bedekking van verleugening en zondeschuld en innerlijk met blindheid en doofheid geslagen door de god dezer eeuw. Wij zien dan de heerlijkheid Gods niet en kennen geen innerlijke metamorfose, waardoor wij toegroeien naar een volwassen geestelijk mens.

Eenmaal heeft God getracht door onderwijzing Adam tot geestelijk mens te doen opwassen, zodat tenslotte diens natuurlijk lichaam in een punt des tijds, dus in een gevoelige periode, door zijn geestelijk lichaam zou zijn verzwolgen of opgenomen , evenals dit in de eindtijd met de zonen Gods, die de volmaaktheid bereikt hebben, gaat gebeuren (1 Cor.15:51-54). Dit ontwikkelingsproces van Adam hield evenwel bij zijn val op: hij werd onnut.

Ook in het oude verbond was niemand een geestelijk mens en het geestelijk lichaam kon niet tot ontplooiing komen, teneinde het Koninkrijk Gods binnen te gaan. In het nieuwe verbond is er een mogelijkheid dat het geestelijk lichaam metamorfoseert, waardoor de mens evenals een rups, die in een vlinder verandert, in staat wordt gesteld in een nieuwe dimensie te leven.

De onsterfelijke "worm"

De bijbel noemt de eerste periode van het geestelijk lichaam een 'worm' toestand. De worm sterft niet, omdat ze tot de geestelijke wereld behoort: 'Waar hun worm niet sterft' (Marc.9:48). De worm houdt dus niet op te bestaan. Hier wordt geen regenworm mee bedoeld, maar het Griekse woord kan ook betekenen made of larve, dat zijn levensvormen die nog een metamorfose moeten ondergaan.

Zo spreekt het Oude Testament in Jesaja 41:14 over een wormpje Jakobs. In Job 25:6 (St.Vert.) noemt Bildad de mens een made en des mensenkind een worm. In het oude verbond werden de uitverkorenen geen geestelijke wezens. De allerbeste waren natuurlijke, gave mensen. De rechtvaardigen kregen weliswaar in het dodenrijk een aparte plaats, maar de innerlijke mens was niet overgeplaatst in het Koninkrijk Gods. Ze konden niet tot volmaaktheid komen, omdat ze onder een bedekking leefden, ook al bezaten zij de goddelijke wet. Telkens wanneer Mozes voorgelezen wordt, ligt een bedekking over hun hart (2 Cor.3:15). Ze hadden dus geen kennis van de onzienlijke wereld. De besten onder hen zagen er slechts een glimp van. Deze gelovigen ontvingen dan een getuigenis, omdat ze iets hadden gezien van de onzienlijke God, zoals Mozes wiens gelaat straalde (Ex.34:30). Niemand leefde toen evenwel in de hemelse gewesten. Niemand was burger van een rijk in de hemelen. Ze hadden het beloofde slechts uit de verte gezien en omhelsd. Abraham zag van verre de dag ven de toekomst van zijn geestelijke Zoon en hij verblijdde zich. Zo werd Jezus eenmaal aan het kruis ook weer een worm. Hij was daar geen geestelijk volwassen man (Ps.22:7). Hij had zijn heerlijkheid als geestelijk mens afgelegd en was gelijk geworden aan de natuurlijke mens, die met zonde en schuld is beladen.

In het laatste vers van Jesaja wordt van de afvalligen en goddelozen gezegd, dat hun worm niet zal sterven, en hun vuur niet zal uitdoven. Jezus citeerde dit vers in Marcus 9:43-48. Het gaat hier over mensen die de duisternis liever hebben dan het licht, over onrechtvaardigen en goddelozen. De 'larve' van hun niet gemetamorfoseerd geestelijk lichaam wordt bij de tweede opstanding geworpen in het hellevuur, dat is de concentratie van de boze geesten en in de algehele samenbundeling der demonen. In Openbaring 20:15 staat: 'En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij (als de larve van een geestelijk lichaam) geworpen in de poel des vuurs'.

In Mattheüs 10:28 waarschuwt Jezus: 'En weest niet bevreesd voor hen (mensen), die wel het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor hem (de duivel), die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel". Houd je dus verre van de boze, die je lichaam kan verderven bij het sterven, dus overgeven aan de wetteloze doodsmachten, waardoor het lichaam tot dode stof wederkeert. Maar deze vijand kan ook je innerlijke mens, je onveranderd geestelijk lichaam, de rups of de larve, door gemeenschap met hem, in het vuur brengen, dat is in de macht van de duisternis. Je moet immers met je geestelijk lichaam verbonden zijn met de Heilige Geest en niet met de onreine geesten.

De herschepping

Er is dus een mogelijkheid dat de larve een metamorfose ondergaat. De bijbel spreekt van het sterven van de oude mens en het opstaan tot een nieuw leven. Het woord metamorfose heeft te maken met de scheppingsordening van het Opperwezen. Een ander beeld is dat van de wedergeboorte. Bij de geboorte is het kind alreeds aanwezig, maar het komt in een andere levensfase: uit de duisternis van de moederschoot tot het licht. Zo is bij de wedergeboorte wel de innerlijke mens aanwezig, maar hij komt in een totaal andere levenssfeer. De woorden: metamorfose, opstanding en wedergeboorte wijzen op een nieuw levensproces.

In Jesaja 41 richt God Zich tot het 'wormpje Jakob, het volkje Israël', dat op het punt staat een grote verandering te ondergaan. Dan spreekt de Here: 'Gij zijt mijn knecht, Ik heb u verkoren en u niet versmaad - vrees niet, Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u met mijn heilrijke rechterhand', dus met mijn Geest. De machten der duisternis willen immers deze ontwikkeling tegenhouden en daarom klinkt het: 'Allen die tegen u in woede ontstoken zijn, staan beschaamd en worden te schande (vers 9-11). God helpt het wormpje Jakobs in de metamorfose om een geestelijk Israël te worden. Hoe doet Hij dit?

Allereerst wordt in Christus door zijn evangelie de bedekking weggenomen. De leugen wordt vervangen door de waarheid en de zondeschuld verdwijnt door de verzoening. Er staat immers, dat zij de boze hebben overwonnen door de verzoening - het bloed van het Lam - en door de waarheid - het woord van hun getuigenis. Er is eerst een bekering nodig, dat is het zich afkeren van het kwade naar het goede en dan een zich keren naar God. Voor wie het offer ter rechtvaardiging van Jezus aanvaardt en zijn woord bewaard, dus vasthoudt, begint een nieuw leven.Alleen een rechtvaardige kan immers het Koninkrijk Gods binnengaan en dit gaat nooit buiten Christus om. De rups wordt dan vlinder, de engerling wordt meikever. Ze verheffen zich in een nieuwe wereld. De engerling die drie of vier jaar onder de grond leefde, vliegt nu als meikever het licht tegemoet. Na hun metamorfose zijn er andere aspiraties en andere interessen. Er staat: 'Gij geheel anders'. Er wordt ander voedsel gebruikt, de bedekking is weggenomen en de duisternis is achtergelaten.

Hoemeer wij ons aan de waarheid houden, hoemeer de versluiering verdwijnt. De verduistering van het verstand wordt weggenomen en daarvoor op de plaats ontvangt de Christen verlichte ogen des harten. Het hart is een orgaan van het geestelijk lichaam. Dit krijgt dan oren om te horen wat de Geest zegt, die hem wil onderwijzen en helpen bij de ontplooiing van de geestelijke begaafdheden en die de menselijke geest ondersteunt om tot de volle wasdom te komen. Zo wordt de goddelijke natuur van de mens openbaar met de kostelijke vrucht van de Heilige Geest.

Het domein van de vlinder is de lucht. Ook al strijkt ze neer op een bloem, toch blijft ze vlinder. Dit neerstrijken maakt het leven van de geestelijke mens vaak moeilijk, want dan komt hij in het domein van de overste dezer wereld en zijn domein is het Koninkrijk Gods geworden. Daarom sprak Paulus: 'Bij Christus te zijn, is verreweg het beste', dus alleen in het Koninkrijk Gods te verkeren. Onze werken op aarde vormen evenwel het kleed over ons geestelijk lichaam. Wij willen daarom niet naakt bevonden worden, maar overkleed. Wij jagen daarom niet alleen naar de vrucht en de gaven van de Heilige Geest, maar ook naar de goede werken die de vrucht en de gaven van de Heilige Geest in de zichtbare wereld opleveren.

Een vlinder wordt nooit meer een rups. Het beginstadium leggen wij af als een rups en laten het als een cocon achter. Wanneer wij dan met ons geestelijk lichaam in het rijk Gods doorgroeien, worden wij van kind, zoon en van zoon vader. Zo bereiken wij de volmaaktheid. Dan komt het ogenblik dat het sterfelijke wordt verslonden in de overwinning. In een punt des tijds wordt het natuurlijk lichaam verzwolgen door het geestelijke lichaam. Het wordt omgezet in geestkracht. Het geestelijk lichaam beheerst de stof zoals de Schepper met zijn woord ook eenmaal de stof tevoorschijn riep. Dan zullen wij met ons triomferende lichaam de stof kunnen vormen en ontbinden. Dan bezitten we een verschijningsvorm zoals onze Heer, die eten en drinken kon met zijn geestelijk lichaam, maar zich ook volkomen kon terugtrekken in de wereld der onzichtbare schepselen.

Wie de mogelijkheden van de gemetamorfoseerde mens overweegt, kan niet meer terugzien naar het verleden, maar wordt meer en meer bezig gehouden met 'wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben" (1 Cor.2:9)

zie voor andere artikelen kvooverz