Het herstel van de GEMEENTE

 

door Wim te Dorsthorst

Vernieuwing!

De hele evangelische en kerkelijke wereld gonst ervan. Geen tijdschrift of je leest over vernieuwing en opwekking. Verschillende boeken zijn de laatste tijd over dit onderwerp verschenen. Is er iets aan de hand?

Ja, er is wel degelijk iets aan de hand! Ik geloof en ervaar ook, dat we in een geweldige boeiende tijd leven wat de gemeente van Jezus Christus betreft. Er vinden grote veranderingen plaats onder het volk van God, wereldwijd.

Lettend op de tekenen der tijden, waar Gods Woord over spreekt, geloof ik dat we de eindtijd zijn binnen gegaan. We zien dat veel van wat voorzegd en geprofeteerd is, betreffende de eindtijd en het volk van God, in vervulling begint te gaan. Dat is enerzijds het licht dat over het volk van God opgaat, en anderzijds de toenemende duisternis, het antichristelijke klimaat over de wereld (Jes.60:1-2).

Spotternij

De spotters, die er in het laatst der dagen zullen zijn, zegt Petrus, zullen met spotternij komen, mensen die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: ‘Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is’ (2 Petr.3:3-4). Ja, die mensen zullen er altijd weer zijn, met aangepaste woorden en uitspraken voor deze tijd.

Nu kan dat wel eens misleidend zijn, want Petrus spreekt hier niet over mensen uit de wereld. Die zijn het er wel over eens dat alles in beweging is en zeer snel veranderd. Nee, het zal juist onder christenen aanwezig zijn. Het is het werk van boze geesten, die alles op slot willen houden en de ogen van gelovigen willen toesluiten, zodat het werk Gods niet gezien zal worden.

Een troost voor de gemeenten is dan in ieder geval, dat spotters nooit de werking van de Heilige Geest zien of begrijpen. Dat bleek al op de eerste Pinksterdag. ‘Ze hebben te veel zoete wijn gehad’, is hun conclusie (Hand.2:13).

Spotters zijn per definitie onwaarachtig en onbetrouwbaar! Geen overtuigde gemeente-leden dus, die openstaan voor het werk van de Heer.

In grote ijver ontbrand

Ik geloof dat we in een tijd zijn binnen gegaan waarvan de profeet Zacharia spreekt. Hij krijgt van God de opdracht: ‘Predik: zo zegt de Here der heerscharen: Ik ben voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver ontbrand’ (Zach.1:14). En dan verder in vers 16 en 17: ‘Daarom, zo zegt de Here: Ik keer in erbarming tot Jeruzalem weder; mijn huis zal daarin gebouwd worden, luidt het woord van de Here der heerscharen en het meetsnoer zal over Jeruzalem gespannen worden. Predik verder: Zo zegt de Here der heerscharen: ‘Wederom zullen mijn steden overvloeien van het goede; nog zal de Here Sion troosten, Jeruzalem nog verkiezen’.

Nu weet ik dat zeer veel christenen bij deze woorden onmiddellijk denken aan het volk Israël in het Midden-Oosten, aan de stad Jeruzalem en de tempelberg Sion.

Regelmatig verschijnen er artikelen in evangelische bladen dat al deze profetieën op het volk Israël van toepassing zijn. Ook berichten, dat voorbereidingen voor de herbouw van de tempel in volle gang zijn. In het geheim zou er gewerkt worden aan tempelgerei, altaar, priesterkleding, enz. Onlangs werd in een tv. uitzending de hoeksteen van de nieuwe tempel getoond. Een gevaarte van 4,5 ton. In dat zelfde programma werd een zuivere rode koe getoond welke met het oog op de nieuwe tempel als offerdier nodig is. Met de as van deze koe moeten de Israëlieten reinigingswater bereiden als een middel tot ontzondiging (zie Num.19:1-10).

Nieuwtestamentische Openbaring

Dat alles kan zeer overtuigend overkomen en inwerken op gelovigen. Maar toch zou ik willen zeggen: Geloof wat ons door de Heer Jezus gezegd is en door de apostelen en wat ons door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze is overgeleverd, in het Woord van God, de Bijbel (Hebr.2:3).

Eén daarvan is de apostel Petrus en die heeft het van de Heer Jezus zelf gehoord en begrepen, dat in Hèm het oude vervuld is. En dat de oudtestamentische profetieën die spreken van Israël, aan het volk Gods in Jezus Christus, vervuld worden. Want het ware Israël, het ware zaad van Abraham zijn niet de afstammelingen naar het vlees, maar zijn de nieuwtestarnentische gelovigen die van Christus zijn. En deze gelovigen zijn naar de belofte erfgenamen. En dat is zonder enig onderscheid voor alle mensen, Joden en niet-Joden (zie Gal.3:26-29).

Al de beloften Gods

In 2 Korinthe 1 vers 20 lezen we: ‘Want hoevele beloften Gods er ook zijn, in Hem is het: Ja; daarom is ook door Hem het: Amen, tot eer van God door ons’.

Er is geen belofte Gods, noch in het Oude- noch in het Nieuwe Testament, welke buiten Jezus Christus om vervuld zouden kunnen worden. Door dit te geloven eer je God, van wie alle beloften voor de mensen uitgaan, zegt dit woord.

Als alle beloften Gods alleen in Christus vervuld worden, dan is het nog beter te begrij-pen dat Petrus in die bekende woorden zegt, dat de profeten gesproken hebben van de voor de gemeente bestemde genade. Aan de profeten werd geopenbaard dat zij niet zichzelf (het Joodse volk) maar u (de gemeente van Jezus Christus) dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de Heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht (1 Petr.1:10-12).

Een woonstede Gods in de Geest

Niet een rotsblok als hoeksteen voor de nieuwe tempel, maar Jezus Christus is de hoek-steen van het geestelijke huis Gods, de gemeente (1 Petr.2:4; Efez.2:20).

Van Hem hebben de profeten gesproken (Ps.25:3; Jes.28:16). Niet een tempel van aardse materialen met handen gemaakt (Hand.17:24), maar zijn huis zijn wij (Hebr.3:6). ‘Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en dat de Geest Gods in u woont?’ (1 Kor.3:16).

Geen offeraltaar en offerdieren, want ons Paaslam is geslacht: Christus (1 Kor.5:7b).

Zo spreken bovenstaande woorden van de profeet Zacharia dus ook voor de gemeente van Jezus Christus, voor deze tijd. Want Sion, Jeruzalem, het huis Gods, allemaal synoniem voor de gemeente van Jezus Christus, hebben zwaar te lijden gehad. Het is geplunderd en leeggeroofd. Met Nehemia is er reden om somber te kijken aan het einde van de ballingschap omdat de stad verwoest is (Neh.2:3).

Fundament en tempel

Er is de voorbije 20 eeuwen veel fout gegaan met de gemeente van Jezus Christus. Al kort na de dood van de apostelen verdween het geloof en de glans die de eerste gemeenten sierde. En toen de staatsgodsdienst welk ingevoerd, betekende dat het gaan in (geestelijke) ballingschap. Het volk van God werd verstrooid onder wereldlijke en kerkelijke machthebbers.

Met het invoeren van de kinderbesprenging in plaats van de volwassenwaterdoop, verdween daarmee het besef van de nieuwe schepping in Christus en de doop met de Heilige Geest. Zo is het hele geestelijke fundament van Hebreeën 6 vers 1 tot 3, en wat ook verder in de Bijbel beschreven staat, geheel verdwenen. Het Woord van God werd uitgehold en uitgemergeld door theologieën. En dat gaat door tot op de dag van vandaag. De Bijbel werd grotendeels vervangen door de catechismus of geloofsbelijdenis en in sommige gevallen zelfs verboden.

Het geloofsleven werd een dorre dogmatische beleving van regels, voorschriften, litur-gieën en traditionele zaken. Een eindeloze herhaling van de kerkelijke kalender. Veel 'godsdienst', en bij de Rooms Katholieken veel pracht en praal, maar geen geestelijk leven meer. Een diep treurige toestand!

De profetie van de profeet Joël is hier wel heel treffend van toepassing, waar hij zegt: ‘Wat de knager had overgelaten, heeft de sprinkhaan afgevreten; wat de sprinkhaan had overgelaten, heeft de verslinder afgevreten; en wat de verslinder had overgelaten, heeft de kaalvreter afgevreten’ (Joël 1:4). Zo heeft de Satan met zijn rijk Jeruzalem en het huis Gods, de gemeente, verwoest, leeggeroofd en het tot een puinhoop gemaakt.

Herstel en vertroosting

Maar er staan vele profetieën in de Bijbel die een geweldig herstel aankondigen in de eindtijd. En als er sprake is van herstel, van terugkeer uit Babel, dan wordt er gesproken van troost en van blijdschap, want het volk van God is zwaar verdrukt geweest en van blijdschap beroofd.

Zo zegt Jesaja 51 vers 3: ‘Want de Here troost Sion, Hij troost al haar puinhopen, Hij maakt haar woestijn als Eden en haar wildernis als de hof des Heren; blijdschap en vreugde zullen er gevonden worden, loflied en geklank van gezang’. En de profetie van Zacharia, die wij lazen, zegt ook: ‘Predik verder: Zo zegt de Here der heerscharen: Wederom zullen mijn steden overvloeien van het goede, nog zal de Here Sion troosten, Jeruzalem nog verkiezen’ (Zach.1:17).

Als er sprake is van vertroosting dan hebben wij van de Heer Jezus geleerd dat dit het werk is van 'de Trooster', de Heilige Geest (Joh.14:16-17). Als de Heer zijn volk weer opzoekt, gaat dit gepaard met de uitstorting van de Heilige Geest, de Trooster. Bekend is dat in het begin van deze eeuw enkele mensen in Amerika zijn gaan bidden om een opwekking en dat de Heilige Geest werd uitgestort en er weer in nieuwe tongen gesproken werd. Dat was vele eeuwen uit de kerk verdwenen geweest.

Nu, bijna een eeuw later, zijn er vele miljoenen Geestgedoopte christenen.

Herstel van Woord en Geest

De Heer is bezig zelf het koren, de olie en de wijn weer te herstellen en tot ere te brengen in de gemeente.

Het koren is beeld van het Woord van God. Dat leert de Heer duidelijk in de gelijkenis van de zaaier in Marcus 4 vers 1 tot 20. De olie is, door de hele Schrift heen, beeld van de Heilige Geest. In de tempeldienst was er sprake van 'de heilige zalfolie' waarmee de priester en alles in de tempel gezalfd diende te worden.

Ook in het Nieuwe Testament lezen wij over de zalving als beeld van het ontvangen van de Heilige Geest (bijv.1 Joh.2:20,27; 2 Kor.1:21).

De wijn is een beeld van heling en vooral van vreugde en blijdschap door de Heilige Geest. Wijn, die het hart der mensen verheugt, zegt Psalm 104 vers 15.

Het koren, het Woord van God, wordt weer hersteld. Ontzaglijke aantallen Bijbels en andere christelijke lectuur worden over de hele wereld verspreid. De Bijbel is op dit moment al in meer dan tweeduizend talen vertaald. Dit is tot op heden ongekend in de Kerkgeschiedenis.

De blijdschap door de Heilige Geest is ook teruggekeerd in de gemeenten (zie artikel 'Wordt vervuld met de Geest' in Levend Geloof van juli/aug. 1997). Het zijn onvoorstelbare heerlijke ontwikkelingen die wij in deze tijd meemaken. Er is werkelijk sprake van herstel van de gemeente van Jezus Christus.

Overvloeien van het goede

De verschrikkelijke geestelijke armoede gaat verkeren in overvloed. ‘Wederom zullen Mijn steden overvloeien van het goede’ zegt Zacharia.

De profeet Joël die de afgang van het volk Gods zo bijzonder typerend heeft beschreven, heeft ook de tijd van het einde mogen zien. Hij zegt in Joël 2 vers 24: ‘De dorsvloeren zullen vol koren en de perskuipen van most en olie overstromen’. Een prachtig beeld van hoe het in de gemeenten weer zal zijn in het laatst der dagen. Het fundament gaat weer volledig hersteld worden. Het eerste wat de teruggekeerde ballingen doen is het altaar op zijn fundamenten herstellen (Ezra 3:2-3). Het offer van Jezus Christus moet op de eerste plaats in volle heerlijkheid hersteld worden.

Vervolgens lezen we in Ezra dat de fundamenten van de tempel, het huis Gods, weer gelegd worden. Dit gaat gepaard met lofprijs, aanbidding en grote vreugde voor de HERE. ‘Zij zongen beurtzangen van lof en prijs aan de HERE: want Hij is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid over Israël. En al liet volk juichte met groot gejuich en loofde de Here. omdat het fundament van het huis des Heren gelegd was’ (Ezra 3:10-11).

Zo wordt ook in deze tijd het fundament weer hersteld in levens van mensen en in gemeenten. Het huis Gods zal weer gebouwd worden op het fundament van apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is (Efez.2:20). Door de geboorte uit water en Geest, de wedergeboorte, gaat de mens het Koninkrijk Gods binnen en kan hij daar zien, zegt de Heer Jezus (Joh.3:3-5). Dat wil zeggen met verlichte ogen des harten het evangelie van het Koninkrijk Gods zien, verstaan, begrijpen, er in leven. In Christus verdwijnt de bedekking en wordt het verstand geopend, zodat de Schrift weer begrepen kan worden (Luc.24:45). Zo wordt koren en olie, Woord en Geest hersteld en zal de gemeente weer vol zijn van Woord en Geest en zal ook vreugde en blijdschap weer gevonden worden.

En zo zullen de steden, de plaatselijke gemeenten, maar ook de gelovigen individueel, overvloeien van het goede. Dit gaat geschieden want de HERE heeft het gesproken.

Verdrukking

Tegelijkertijd zal de gemeente door een zeer moeilijke tijd gaan. Want ook de anti-christelijke wereld gaat zich ontwikkelen en stelt zich op tegenover de gemeente, de heiligen van de Allerhoogste, zegt Daniël. Een religieuze wereldorde met New Age-achtige fundamenten, gestuurd door het beest uit de zee en in het laatst ook door het beest uit de aarde. Meer dan ooit zal nu een scherpe onderscheiding van geesten nodig zijn.

Als de Heer zo in ijver ontbrandt en met ontferming bewogen raakt voor Zijn volk, dan komt hemel en aarde in beweging en wordt alles geschud. De satan zal alles uit de kast halen aan leugen, misleiding, verwarring enz. om het werk Gods te verhinderen. Aanvankelijk komt hij als een engel des lichts of als een roofgierige wolf in schapenvacht, maar dat kan zo veranderen in intimidatie en geweld.

Heiliging en reiniging

De Heer van Zijn kant gaat ook schudden, maar met hele andere bedoelingen. Hij gaat zijn dorsvloer zuiveren. ‘De wan is in zijn hand en Hij zal zijn dorsvloer geheel zuiveren en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal Hij verbranden met onuitblusbaar vuur’ (Matth.3:12).

Bij het kaf moeten we niet denken aan mensen, maar aan alles wat niet bij de mens en het Koninkrijk Gods hoort. Alles van Babel en Egypte, waar het volk de afgelopen eeuwen in verkeerd heeft. Alles van de vrome religieuze wereld en alles van de zondige vleselijke wereld. Natuurlijk zal in de tijd van de heiliging en de zuivering van de gemeente het moeilijk worden voor die mensen die de duisternis en de zonde niet willen afleggen. Waar de gemeente heiliger wordt, zal wat onheilig is steeds duidelijker aan het licht komen.

Maleachi zegt dan ook: ‘Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt? Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid offer brengen’ (Mal.3:2-3).

De Heer doet dit maar met één doel, namelijk om de gemeente, Zijn vrouw, stralend zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, heilig en onbesmet voor Zich te stellen (Efez.5: 27). Dat is een geweldig heerlijk vooruitzicht voor de gemeente. Onberispelijk naar geest, ziel en lichaam, in alle delen. Bij alles wat we soms voor ogen zien aan onvolkomenheden in de gemeente zouden we geneigd zijn te denken: dat lukt nooit! Maar Hij is het die Zijn dorsvloer zuivert en Hij is als het vuur van de smelter om het vuil af te scheiden en Thessalonicenzen 5 vers 24 zegt: ‘Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen’.

Ik geloof dat de Heer zo in grote ijver voor de gemeente ontbrand is en met een groot en machtig werk bezig is.

God verzamelt Zijn volk

God verzamelt Zijn volk weer uit alle babelse en wereldse richtingen en stromingen. Dat is niet geografisch bepaald, maar dat is een geestelijke zaak, een zaak van het hart. In bijbelse termen heet dat, dat God zijn volk verzamelt uit Babel of 'het Noorderland' en uit Egypte. Hij brengt Zijn volk weer op eigen bodem in eigen land, of zoals we zo vaak lezen: 'op eigen grond'. En ook dat is geen land of plaats op aarde maar dat is in de hemelse gewesten, in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde, Jezus Christus.

Daar waar het beloofde land Kanaän een afschaduwing van was. Dáár hoort de nieuwtestamentische christen thuis. Dáár heeft hij met Jezus Christus een plaats gekregen (Efez.2:6). Dáár is hij thuis als een burger van een hemels koninkrijk en als gezinslid van de Vader in de hemel (Efez.2:19; Filip.3:20).

De profeet Jesaja zegt van deze terugkeer: Dat is vele eeuwen toegesloten geweest, maar de Heer opent weer en brengt velen op hun plaats. De gemeenten zullen weer óvervloeien van het goede en er zal grote vreugde gevonden worden bij het volk van God. Jesaja 51 vers 11 zegt het zo prachtig: ‘De vrijgekochten des HEREN zullen wederkeren en met gejubel in Sion komen; eeuwige vreugde zal op hun hoofd wezen, blijdschap en vreugde zullen zij verwerven, kommer en gezucht zullen wegvluchten’.

De lijdenstijd van het volk van God en de zuchtende schepping loopt ten eind, Halleluja!

 

Herstel van de gemeente (2)

In het voorlaatste nummer heb ik, enkele gedachten geschreven over het herstel van de gemeente in deze eeuw. We zagen dat aan het einde van de vorige eeuw en het begin deze eeuw, mensen hebben gebeden om de late regen, dat de Heilige Geest weer werd uitgestort en mensen weer spontaan in nieuwe tongen gingen spreken. En dat dit als een vloedgolf over de wereld is gegaan. Er kwam weer leven in de dorre doodsbeenderen zoals de profeet Ezechiël zo prachtig heeft geprofeteerd (Ezech.37:1-10). Vers 10 spreekt van ‘een groot leger’. Nu anno 1998 zien we dat het een leger is van vele miljoenen Geestgedoopte christenen. Er is inderdaad enorm veel gebeurd in deze eeuw, wat de gemeente van Jezus Christus betreft. Meer dan ooit in de kerkgeschiedenis is voorgekomen. Als er een duidelijk teken is van de eindtijd, dan is dat toch zeker het herstel van de gemeente van Jezus Christus, die weer gebouwd wordt op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de Hoeksteen is (Efez.2:20).

Het kerkmodel

Vanaf de invoering van de staatsgodsdienst in de vierde eeuw, is de kerk verworden tot een hiërarchisch bestuurd instituut. Aan de top van de piramide de Paus, die de plaats-bekleder van Christus op aarde genoemd wordt.

Daaronder kardinalen, bisschoppen, dekens, priesters, kapelaans en helemaal onderaan het kerkvolk, 'de leken'. Tot de dag van vandaag is dat nog de structuur van de Rooms Katholieke kerk. Ook na de reformatie is er niet werkelijk iets veranderd in de kerken die uit de reformatie zijn voortgekomen. In de loop van de eeuwen is, wat ik zou willen noemen, 'het kerkmodel' ontstaan waarin alles van bovenaf geleid, bestuurd en geregeld wordt. Meestal een gestudeerd iemand (dominee) aan het hoofd met een kerkenraad, broederraad of oudstenraad. Verder een vast patroon van liturgie in iedere samenkomst.

Dit 'model', waarbij men sterk gehecht is aan overleveringen en tradities, is ook voor een groot deel overgenomen in de gemeenten, die in deze eeuw over de hele wereld zijn ontstaan: evangelische gemeenten, pinkstergemeenten, volle evangelie gemeenten, enz.

Het hoeft niet per definitie fout te zijn, of slecht te functioneren, maar het werkt maar al te vaak een passieve, alles accepterende houding van de gelovigen in de hand. Zo kan het bij Geestgedoopte christenen toch ook weer een in alles voorspelbaar gebeuren worden in de samenkomst, waarin de Heilige Geest maar moeilijk kan werken. Ik geloof dat de tijd is gekomen dat de Heer Zijn dorsvloer gaat zuiveren van alle systemen en structuren, van alles wat babels is.

Van absurde theologieën en leerstukken, vooral over de persoon van Jezus Christus en Zijn volbrachte werk op Golgotha, welke wel godsdienstig en vroom klinken, maar verwarrend en afbrekend blijken te zijn. Ook zal de gemeente gezuiverd worden van alles wat met 'Egypte' te maken heeft. Het vleselijke zondige bestaan. Het denken overeen-komstig de wereldgeesten en het verstandelijk beredeneren van geestelijke zaken. Van psychologie en filosofie.

Koninklijk Priesterschap

Hoe anders is het in de begindagen van de gemeente geweest, waar werkelijk alle leden met de Heilige Geest gedoopt waren. Waar de apostel Petrus over de gelovigen spreekt als 'levende stenen waarmee een geestelijk huis gebouwd wordt'. Waar hij over hen spreekt als ‘een heilig priesterschap tot het brengen van geestelijke offers die Gode welgevallig zijn door Jezus Christus’ (1 Petr.2:5-6). Waar hij van de gelovigen zegt: ‘Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk Gode ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht’ (1 Petr.2:8-9). En waar verder gesproken wordt van 'blijdschap, van jubelen voor de Here, van onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, van het functioneren van de gaven van de Geest', enz. Wat een fel contrast met hoe de kerk door de eeuwen heen beleden heeft over zichzelf en gefunctioneerd heeft.

De gemeente

Geeft de Bijbel aanwijzingen waaruit we kunnen zien hoe de gemeente van de begintijd gefunctioneerd heeft en hoe dat ook voor deze tijd kan gelden? Hoe de verhouding leiding/gemeenteleden was en ook nu dient te zijn? Daar past een volmondig 'ja' op! In het bijzonder komt dit uit in Efeze 4, 1 Corinthe 12 en Romeinen 12.

Zo lezen wij in Efeze 4 vers 15 en 16: ‘Maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het Hoofd is, Christus. En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams om zichzelf op te bouwen in de liefde’. In deze enkele verzen geeft Paulus op schitterende wijze het functioneren en het doel van de gemeente weer.

Het hoofd is Christus

Voor alles moet duidelijk zijn en vaststaan dat Jezus Christus het Hoofd is van het lichaam, de gemeente. ‘God heeft Hem als Hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is’, zegt de apostel in Efeze 1 vers 22 en 23.

Waar dit niet duidelijk meer gezien wordt, is de Gemeente ten dode opgeschreven. De gemeente bestaat wel uit mensen, maar het is geen mensenwerk. ‘Als de HERE het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen de bouwlieden daaraan’, zegt de Psalmist (Ps.127:1). Alleen aan Hem ontleent de gemeente verlossing, rechtvaardigheid, heiliging, leiding, wijsheid, inzicht, leven en groeikracht. ‘De gemeente dient zich te houden aan het Hoofd, waaruit het gehele lichaam, door pezen en banden ondersteund en samen gehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangt’ (Col.2:19). Dit moet de gemeente zich heel goed bewust zijn. Alles wat daarbuiten gebeurt is uit het vlees. Hoe echt het misschien ook lijkt of hoe geestelijk het ook klinkt, als het niet vanuit het Hoofd is, is het uit het vlees en schadelijk voor de gemeente.

Een welsluitend geheel

De apostel begint in Efeze 4 vers 16 met de woorden: ‘En aan Hem ontleent het gehele lichaam ....’. In de gemeente. van Jezus Christus behoren geen rangen en standen te zijn, waarbij de een meer is of belangrijker wordt geacht dan de ander. Merkwaardig dat dit juist in de kerken wel altijd zo'n grote rol heeft gespeeld. Bij ‘het gehele lichaam’ is echter niemand uitgezonderd. Het is voor iedereen die in dat lichaam ook werkelijk zijn/haar plaats wil innemen. ‘Aan Hem ontleent het gehele lichaam... als een welsluitend geheel’. Als we het menselijk lichaam beschouwen, zal iedereen, denk ik, wel onder de indruk komen van dit scheppingswonder van God. Niets in dat lichaam is overbodig en alles heeft z'n plaats en functie. Dat is werkelijk een ‘welsluitend geheel’. Zo wordt de gemeente voorgesteld. Aan het Hoofd ontleent het gehele lichaam de mogelijkheid om als een welsluitend geheel te functioneren.

De dienst van alle geledingen

Dan zegt de apostel verder: ‘Bijeen gehouden door de dienst van al zijn geledingen’. Dat wil zeggen: door de dienst van alle gemeenteleden. Al die losse eenheden moeten als een welsluitend geheel bijeengehouden worden door de dienst van alle leden. Het woord voor ‘geledingen’ kan ook vertaald worden met ‘gewrichten’. Met een gewricht zit het ene deel soepel en beweegbaar aan het andere verbonden. Zo dient de gemeente samen-gevoegd en bijeen gehouden te worden. Niet dus door de dienst en de vindingrijkheid of kundigheid van een voorganger, dominee, oudstenraad of iets dergelijks. Hoe anders is dit geweest in de voorbije eeuwen, waar deze bijbelse samenhang geheel ontbrak.

En wat wordt er ook nu soms niet van alles gedaan en georganiseerd om de kerken nog enigszins gevuld te houden. Om gelovigen samen te binden en bij elkaar te houden. Samenkomsten worden tot een soort amusement gemaakt om de leden te behagen. De woordverkondiging gaat dan al snel op de tweede plaats komen. Dit gevaar bedreigt evengoed de gemeente, want het is juist de Geestvervulde gemeente die door de duivel gehaat wordt. Als de gehele gemeente werkelijk tot een ‘welsluitend’ geheel komt, weet hij dat dit zijn ondergang bewerkt. Alles wat de gemeente betreft, moet ontleend zijn aan het Hoofd wil het enig geestelijk resultaat opleveren. Daarom zijn alle kunstgrepen uit den boze.

Welke kracht?

‘Naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent’. Dat gehele lichaam, dat welsluitend wordt samengevoegd, wordt bijeengehouden door de dienst van elk gemeentelid afzonderlijk, ‘naar de 'kracht' die elk lid op zijn wijze uitoefent’. Elk lid op zijn wijze met zijn mogelijkheden. Welke kracht moeten wij ons hierbij voorstellen? Zou Paulus bedoelen dat een ieder in eigen kracht, op zijn wijze er maar het beste van moet zien te maken? Dat zeer zeker niet! Als ieder lid maar wat doet op zijn wijze en inzicht, dan wordt het geen welsluitend geheel, maar een puinhoop. De groei van het lichaam halen we niet uit onszelf maar ontlenen wij, ontvangen wij van Hem die het Hoofd is, Christus. Hij is de energiebron van dit gigantische werk in de plaatselijke gemeente en ook wereldwijd.

Dat woordje 'kracht' in de tekst, is de vertaling van het griekse woord 'Energeian'. Het betekent energie, kracht of werking. Het is een innerlijke werkzaamheid, een innerlijke activiteit of kracht. Dit woord 'Energeian' wordt in de Bijbel alleen gebruikt voor bovennatuurlijke kracht, geestkracht of werking.

Van de acht maal dat het woord gebruikt wordt in het Nieuwe Testament, is het zeven maal als een krachtwerking van God en eenmaal voor de kracht die de satan werkt in de antichrist tot het doen van bedrieglijke tekenen en wonderen (2 Thess.2:9). Het is de kracht van God die door de gelovigen heen stroomt en iets van het bovennatuurlijke uitwerkt en zichtbaar maakt in het functioneren van de gemeente. Dat is de kracht die hier bedoeld wordt. De kracht die ontleend wordt aan het Hoofd, Jezus Christus, en door welke de gemeente gebouwd wordt.

De opstandingskracht

In Colossenzen 2 vers 12 wordt hetzelfde woord 'Energeia' gebruikt als de apostel zegt: ‘In Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de 'werking' Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt’. Het is de kracht, de werking van de Heilige Geest, de opstandingskracht, waarmee Jezus uit de doden is opgewekt en ook wij met Hem opgewekt zijn, die in ons werkt. Door die kracht wordt het lichaam van Christus samengevoegd en bijeengehouden tot een welsluitend geheel en opgebouwd. Zoals de menselijke levensgeest de dynamo is, die aan alle cellen en delen, met al die verschillende functies, kracht en werking verleent voor het goed functioneren van het lichaam, zo doet dat ook de Heilige Geest, als de levensgeest van het lichaam van Christus. In 1 Corinthe 12 vers 13 zegt de apostel: ‘Want wij zijn allen door één Geest tot één lichaam gedoopt’. De bouw van de gemeente, de groei van het lichaam, het samenvoegen en de kracht, 'de Energeian', om het tot een welsluitend geheel te maken, gebeurt vanuit de geestelijke wereld, vanuit het hemelse heiligdom.

Vanuit de plaats waarvan Efeze 4 vers 10 van de Heer Jezus zegt: ‘Hij is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen’. Handelingen 2 vers 33 zegt hiervan: ‘Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de beloften des Heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort wat gij ziet en hoort’. Vanuit die plaats werkt de Heer aan Zijn gemeente. Aan het slot van vers 16 zegt Paulus nog: ‘Om zichzelf op te bouwen in de liefde’. De liefde is de samenvatting van de totale gezindheid van God en Jezus Christus. ‘God is liefde’ zegt de apostel Johannes. Op bovenstaande wijze bouwt de gemeente zichzelf op in de liefde van God die in het Hoofd Jezus Christus is (naar Rom.8:39).

Vasthouden aan de waarheid

Paulus begint vers 15 met: ‘Maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende’. Wat is dat belangrijk! juist ook in deze tijd waar zoveel op de gelovigen afkomt aan leringen en nieuwe inzichten, om dat principe goed vast te houden. Alleen als we ons aan de waarheid houden, zullen we in elk opzicht naar Hem toegroeien, die het Hoofd is, Christus.

Die waarheid ontlenen wij enkel en alleen aan het woord van God, de Bijbel. Dat is de enige bron van onderwijzing en de enige maatstaf, waaraan alles getoetst dient te worden. Stemt het niet overeen met Gods woord dan is het uit het vlees en dient het niet het lichaam van Christus. Het is dan als bouwen met hout, hooi en stoppelen wat het oordeel niet kan doorstaan (1 Cor.3:12-13). Wat uit het vlees geboren is, is vlees, wat uit de Geest geboren wordt, is Geest, zegt de Heer Jezus (Joh.3:6).

Leven door de Geest

Zo geeft de apostel Paulus in twee verzen een prachtig beeld van hoe de gemeente behoort te functioneren en hoe het ongetwijfeld in de begintijd gefunctioneerd zal hebben. Het zal duidelijk zijn dat dit alleen kan functioneren met werkelijk wedergeboren gelovigen, vervuld met de Heilige Geest, die met geopend verstand en verlichte ogen des harten de Schrift kunnen verstaan (zie Luc.24:45).

In Romeinen 8 vers 9 zegt de apostel: ‘Gij daarentegen zijt niet in het vlees, maar in de Geest, althans, indien de Geest Gods in u woont. Indien iemand echter de Geest van Christus niet heeft, die behoort Hem niet toe’. Dat is ook de reden dat het in de afgelopen eeuwen niet gefunctioneerd heeft. De doop met de Heilige Geest was een van de eerste dingen die uit de gemeenten verdween en zonder de Geest is het lichaam dood.

Levende leden

Wat uit deze verzen ook duidelijk blijkt, is dat de gehele gemeente erbij betrokken is. Iedereen in het lichaam van Christus dient mee te werken in het bijeenhouden en het maken tot een welsluitend geheel, naar zijn of haar kracht die in het lichaam wordt uitgeoefend. Alleen dan is er sprake van gemeentebouw op bijbelse wijze, waarin een ieder opgebouwd wordt in de liefde. De Bijbel kent geen gemeenteleden die passief zijn en niets inbrengen om het lichaam samen te binden en het lichaam geestelijk te laten functioneren. Leden die niet meewerken aan de groei van het lichaam zijn eigenlijk dode leden.

De Heer Jezus vergelijkt dat in Johannes 15 met ranken aan Hem die geen vrucht dragen. In Efeze 4 vers 11 schrijft de apostel: ‘En Hij (Jezus) heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus’. Wat de Bijbel hier zegt over de leiding in de gemeente, die door de Heer als gave aan de gemeente gegeven wordt, daarover een andere keer.

Onberispelijk in alle delen

De gemeente zit in een heerlijk proces naar de geestelijke volwassenheid. Ik geloof dat de Heer bezig is met veel geduld en liefde de gemeente te heiligen en te reinigen met het Woord, dat als een waterbad wordt voorgesteld in Efeze 5 vers 26. Maar het is ook de kracht van de Heilige Geest, die steeds duidelijker overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. De profeet Jesaja zegt hiervan: ‘Wanneer de Here het vuil der dochters van Sion zal hebben afgewassen en de bloedvlekken van Jeruzalem daaruit zal hebben weggespoeld door de Geest van gericht en van uitdelging. Dan zal de Here over het gehele gebied van de berg Sion en over de samenkomsten die daar gehouden worden, des daags een wolk scheppen en des nachts een schijnsel van vlammend vuur, want over al wat heerlijk is, zal een beschutting zijn’ (Jes.4:4-5).

De gemeente moet gereinigd worden van heel veel babels, religieus vuil en van Egyptische vleselijke wereldgelijkvormigheid. Maar het moment gaat komen dat de Heer zelf de gemeente voor Zich zal plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, heilig en onbesmet in alle delen.

 

Herstel van de gemeente (3)

Toen ik begon te schrijven over het herstel en de vernieuwing van de gemeente, waar zoveel over gesproken en geschreven wordt, bedoelde ik niet allerlei uiterlijke zaken, bewegingen en stromingen, die de laatste jaren dan weer hier, dan weer daar in gemeenten worden ingezet. Met het herstel bedoel ik veel meer het terugkeren naar de werkelijke bijbelse fundamenten, waarheden, structuren en belevingen van en in de gemeente, het lichaam van Christus. Dat was ook altijd kenmerkend voor de opwekkingsprediking van de laatste eeuwen; terug naar de bijbelse waarheden!

Het fundament van de gemeente en de plaats van de individuele gelovige in de gemeente, is in de afgelopen eeuwen bijna geheel uit het zicht verdwenen in de kerken.

Dat iedere gelovige voor de Heer zeer kostbaar is, en in de gemeente ook dient mee te werken aan het laten functioneren van het lichaam tot een welsluitend geheel, naar de kracht die ieder lid op zijn wijze oefent, hebben we gezien vanuit Efeze 4 vers 15 en 16 (zie vorige nummer).

In de ontstane kerkstructuur, wat ik 'het kerkmodel' noemde, is voor het leven Gods wat zich in de gemeente dient te ontwikkelen en te openbaren, geen levensruimte. Het waarachtige bijbelse fundament van bekering, waterdoop en Geestesdoop is absolute voorwaarde voor enige ontwikkeling van geestelijk leven. De Heer Jezus leert dat het zonder wedergeboorte niet mogelijk is het Koninkrijk van God binnen te gaan of daar iets van te kunnen zien (Joh.3:3-5).

Geloof en belijdenis

De belijdenis van veel kerken, dat men zondaar is en blijft tot de dood, is geheel onbijbels. Hier wordt God niet door geëerd en de Bijbel spreekt ook in hele andere termen over de gelovigen. Zo spreekt Romeinen 1 vers 7 van: ‘Geroepenen van Jezus Christus, geliefden Gods en geroepen heiligen. Colossenzen 3 vers 12 spreekt van: ‘Door God uitverkoren heiligen en geliefden’. De apostel Johannes schrijft: ‘Wij weten, dat een ieder, die uit God geboren is, niet zondigt; want Hij, die uit God geboren werd, bewaart hem, en de boze heeft geen vat op hem’ (1 Joh.5:18).

De Heer Jezus spreekt van: ‘Gij dan zult volmaakt zijn gelijk uw hemelse Vader volmaakt is’ (Matth.5:48). Op deze wijze spreken nog verschillende bijbelplaatsen over de nieuwtestamentische gelovigen. (Zie vorige art. en lees 1 Petr.2:5-10). Het geloof hierin en de belijdenis hiervan wordt, Goddank, weer gevonden en gehoord in de gemeente van Jezus Christus.

Roeping en doel

De gemeente heeft vanaf het begin een heel duidelijk doel ogen gehad en dat geldt zeker ook voor de eindtijd gemeente. Het is niet jaar, na jaar, na jaar,... samenkomen met een eindeloze herhaling van leringen en liturgiën zonder duidelijk doel. Nee, integendeel. Efeze 4 vers 15 spreekt van: ‘Maar dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus’. Waar men weer terugkeert naar de bijbel als Gods woord en waarheid, gaat men ook weer geloven en belijden overeenkomstig deze waarheid. Dan is er werkelijk sprake van een groei naar Hem toe die het Hoofd is, Christus.

Aan het einde van deze bedeling zien wij de volmaakte gemeente, met hun Heer en Heiland staan op de berg Sion. (Niet in het Midden-Oosten!). ‘En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem honderdvierenveertigduizend, op wier voorhoofden Zijn naam en de naam zijns vaders geschreven stonden’. (Openb.14:1). In vers 5 lezen wij nog: ‘En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn onberispelijk’. Deze gemeente is gereinigd van alle leugen en onwaarheid en is vervuld met de waarheid van het evangelie Gods. Zij spreekt enkel zoals God en Jezus spreekt, denkt en handelt. Ze zijn aan het beeld van de Zoon gelijkvormig geworden, waartoe God hen tevoren bestemd had (Rom.8:29). Ze zijn onberispelijk! Daartoe is de gemeente geroepen.

Gaven in de gemeente

Hoe wil de Heer die volheid nu uitwerken in Zijn gemeente? In Efzeze 4 vers 10 zegt de apostel: ‘Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen’. De Heer is met dit geweldige werk bezig vanuit de troon van God waar Hij gezeten is aan de rechterhand van Zijn Vader (Matth.26:64). Dat is de troon van de genade (Hebr.4:16), van waaruit schuldvergeving, reiniging, het schenken van de Heilige Geest (Hand.2:33), heiliging en tot volheid voeren, de mens toestroomt. Het is genade op genade en Hij schenkt dat vanuit Zijn volheid (Joh.1:16).

En de Heer werkt alles door middel van gaven.

  1. Gaven van mensen, waardoor de goddelijke energie, de kracht van de Heilige

Geest, waarmede Jezus uit de doden is opgewekt, stroomt. Deze gaven van de

geest van de mens, worden door de Heilige Geest tot leven gewekt en bekrach-

tigd, waardoor het lichaam van Christus geestelijk, bovennatuurlijk, gaat

groeien.

(Zie vorige artikel).

  1. Gaven van de Heilige Geest.
  2. Mensen, die de Heer als gaven geeft aan de gemeente.

Dat zijn de kanalen, zou je kunnen zeggen, waardoor Gods genade, kracht en

werking stroomt en de Heer alles tot volheid gaat brengen. Ik geloof dat we van

deze verscheidenheid aan gaven lezen in 1 Corinthe 12 vers 4 tot 6. Daar schrijft

de apostel:

4 ‘Er is verscheidenheid in genade gaven, maar het is dezelfde Geest’;

5 ‘En er is verscheidenheid in bedieningen, maar het is dezelfde Here’;

  1. 'en er is verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in

allen werkt’.

Verscheidenheid in gaven

Als eerste noemt Paulus de genadegaven, de 'charismata', in grote verscheidenheid. Het Griekse woord ’charismata' wil zeggen: gaven die uit genade aan de mens geschonken worden. Het zijn genadeschenkingen Gods. Hoe verschillend die gaven ook zijn, het wordt allemaal gewerkt door die ene Geest, waardoor wij tot één lichaam gedoopt zijn (1 Cor.12:13a). Het is de levensgeest van de gemeente.

Vervolgens noemt hij: ‘verscheidenheid in bedieningen’. In het Grieks: 'diakonion'. Dat wil zeggen: 'diensten, bedieningen, dienende taken' in verschillende onderscheidingen, maar het is van dezelfde Here. Als derde noemt de apostel verscheidenheid in ‘werkin-gen’ of ‘krachten’. In 't Grieks: 'energematon'. Het zelfstandige naamwoord 'energema' wil zeggen: 'werking in iemand of in iets, innerlijke actie'. Dit is wat we zagen in Efeze 4 vers 16 waar staat: ‘En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar ‘de kracht’, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde’. Naar ‘de kracht’ (Grieks: energeian), die elk lid op zijn wijze oefent. We zagen dat het hier ging om de kracht van God, die in de geestelijke begaafdheden van de mens werkt, tot opbouw van het lichaam van Christus.

‘Verscheidenheid in werkingen, maar het is dezelfde God, die alles in allen werkt’.

De eeuwige raad van God

Wat kunnen we leren uit wat Paulus hier zegt? Op de eerste plaats zegt hij dat de Vader, de Zoon en de Heilige Geest betrokken zijn bij het tot volmaaktheid brengen van de mens. Dat is de uiteindelijke geestelijke bestemming van de mens; aan het beeld van Gods Zoon gelijkvormig (Rom.8:29). Dat is naar de eeuwige raad van God en wat Hem dus ook voor ogen stond toen Hij de mens in z'n natuurlijke staat schiep (Gen.2:7 en 1 Cor.15:45a en 47a) en sprak: ‘Laat Ons mensen maken naar Ons beeld, als Onze gelijkenis’ (Gen.1:26a). De mens zou niet altijd ‘natuurlijk’ blijven, maar als een zaad waaruit, naar geestelijke verwekking en geboorte, de geestelijke mens in Gods Zoon te voorschijn zou kunnen komen. De duivel heeft in de hele kerkgeschiedenis kans gezien deze geweldige geestelijke zaken, betreffende de mens en de werking van God en Jezus Christus en de Heilige Geest, in de gemeente te versluieren en te roven.

Ten tweede geeft Paulus hiermee aan, dat het hele gemeentegebeuren een bovennatuurlijke, dus geestelijke zaak is, in van boven geboren mensen, waarbij de volheid Gods betrokken is. En dat is dan weer volkomen in overeenstemming met de proclamatie van God: ‘Laat Ons mensen maken, naar Ons beeld’ (Gen.1:26a).

Midden in Zijn bediening keert Jezus Zich naar Zijn discipelen en zegt: ‘Zalig de ogen, die zien, wat gij ziet’ (Luc.10:23). Zalig is het volk in deze tijd, wat temidden van een ontaard, religieus kerkelijk stelsel, weer gaat zien wat de discipelen van de Heer Jezus zagen; het doorbreken van het Koninkrijk Gods in mensenlevens, in de gemeente. Wat eeuwenlang verborgen was en niet gezien werd, wordt nu weer gezien door een volk wat uit Babel, uit de verwarring en de versluiering wegtrekt en zich laat reinigen met het waterbad van het Woord.

Alles is uit God

Hoe moeten wij nu die geestelijke gaven van de mens zien? God is de Formeerder, de Schepper van alles; ook van de mens. Als we naar Gods schepping kijken, dan zien we een ongelooflijke verscheidenheid. We zien het in de bloemen, de planten, de bomen, de dieren, de vogels, de vissen.... en alles onbeschrijflijk mooi en veelsoortig. Een heelal met oneindig veel sterren, sterrenbeelden en melkwegstelsels. En dan is er nog een hele wereld van insecten en micro-organismen. Alles in die schepping heeft z'n plaats en functie en mogelijkheid, om op zijn wijze, dat kostbare geheel optimaal te laten functione-ren, als een levend organisme. Daartoe heeft God alles geschapen, toegerust en z'n eigen plaats gegeven. Hierin kunnen wij ook een schitterend beeld zien van de gemeente waarin ieder lid op zijn wijze met zijn gaven meewerkt in het lichaam van Christus.

De mens echter, die God geschapen heeft, overtreft alles. De mens is naar Gods beeld geschapen en was in staat om over ál die werken van Gods hand te heersen.

Bijna goddelijk gemaakt

Uit Davids hart welt het op als een lied: ‘Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet? Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond. Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd: schapen en runderen altegader en ook de dieren des velds, de vogelen des hemels en de vissen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorkruist. O HERE, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde’

(Psalm 8:4-9). Wat een heerlijke uitspraak over de mens! ‘Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt’.

Hoe groot is het wonder dat God uit die éne mens Adam, die Hij schiep, de hele aarde bevolkt heeft (Hand.17:26). En van die miljarden mensen die er waren en er nu zijn, zijn er geen twee hetzelfde. De grootste veelkleurigheid in Gods schepping is de mens, omdat God zelf zo oneindig veelkleurig is. leder mens is naar Gods beeld en openbaart iets van dat wezen van God en van Zijn werkingen. Dat zijn de 'werkingen', of de 'gaven' die God, die Geest is, aan ieder mens heeft toebedeeld. Zo is de mens! Een schitterend wezen door God geschapen.

Natuurlijk, door de zondeval is dit alles bevuild en aangetast. Dat zal David ook gezien en ervaren hebben, maar de Heilige Geest laat hem zeggen: ‘En toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond’. ondanks de zondeval zien wij er nog steeds wat van en verbazen ons waar de mens toe in staat is, want God heeft de mens wonderbaar toegerust. Dat is de heerlijkheid en de luister van de mens.

Een levend en heilig offer

Deze geweldige veelkleurige gaven en mogelijkheden van de mens wil de Heer nu gebruiken in de gemeente. Daar wil Hij Zijn goddelijke kracht, Zijn energie op aansluiten. Paulus roept ons op in Romeinen 12 vers 1 om onze lichamen - dat is de mens in z'n geheel met al zijn gaven en mogelijkheden - te stellen tot een levend en heilig en Gode welgevallig offer. Hij zegt: ‘Dat is uw redelijke eredienst’. Na alles wat God voor ons gedaan heeft in Zijn Zoon, is het niet meer dan billijk, dat wij ons als een geheiligd offer aanbieden voor de dienst van Hem.

De mens in de wereld gebruikt al zijn mogelijkheden en gaven die hij van de Schepper ontvangen heeft, ten dienste van het vlees, naar de begeerten, naar de gedachten en de wil van het vlees, zegt Efeze 2 vers 3. Het hele denken van de mens is vleselijk gericht. In de gemeente moeten daarom de gedachten geheel vernieuwd worden. Romeinen 12 vers 2 zegt daarom: ‘Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt’ (Willibr.vert.). In Romeinen 6 vers 13 lezen we nog: ‘En stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God’. Dit is de redelijke eredienst van ieder wedergeboren christen.

Een wonder wat God schiep

Wij zijn als gemeente één lichaam met vele leden. Met al die verschillende innerlijke werkzaamheden vormen wij tezamen als een welsluitend geheel, bijeengehouden door de dienst van al de leden, naar de kracht die elk lid op zijn wijze inbrengt, het lichaam van Christus. Daarbij behoeft niemand dingen begeren te doen, die boven zijn vermogen en begaafdheid uitgaan. Dat geeft alleen maar spanningen en frustraties. De waarschuwing van de apostel is dan ook: ‘Uit de kracht van de genade die God mij gegeven heeft zeg ik tot eenieder van u: acht uzelf niet hoger dan ge kunt verantwoorden, denkt over uzelf met bedachtzaamheid, neemt als norm het geloof maar houdt rekening met de voor ieder verschillende maat van Gods gave’ (Rom.12:3 Willibr.vert.).

leder mens is zeer kostbaar in Gods ogen en is in de moederschoot geweven als een uniek kunstwerk. Wonderbaar heeft God de mens toebereid om geestelijk te kunnen functioneren in Zijn Koninkrijk (Ps.139:13-14; 2 Cor.5:5). Een andere vertaling zegt: ‘De mens is eerbiedwekkend van maaksel, een wonder is wat Gij schiep’.

Een geheimenis Gods

Temidden van de wereld, waar de mens steeds meer denkt dat hij een godheid in zichzelf is, en geen God - zo die al bestaat - nodig heeft, ontwikkelt de gemeente, het geheimenis van God. Mensen die deze goddelijke waarheden weer gaan geloven. Mensen die beseffen dat alles wat ze zijn als dat wonder dat God schiep, niets zijn buiten de Schepper die het leven geeft. Die de genade Gods kennen in Jezus Christus om in Hem een nieuwe schepping te zijn, die naar de wil van God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid (Efeze 4:24). Dat alleen in Jezus Christus dat wonder wat God schiep, met al zijn begaafdheden en mogelijkheden, tot z'n bestemming kan komen naar Gods eeuwige voornemen. Mensen die zichzelf als een levend en heilig Gode welgevallig offer aan de Heer aanbieden, om met hun specifieke gaven die ze van de Schepper ontvangen hebben, gebruikt kunnen worden in de opbouw van de gemeente. Als dit door de Heilige Geest door gaat breken, is er werkelijk sprake van herstel en vernieuwing van de gemeente van Jezus Christus.

 

Herstel van de gemeente (4)

Eigenlijk wat vreemd om in een tijd van geweldige afval en leegloop van de kerken te schrijven over het herstel van de gemeente van Jezus Christus. Maar juist ten tijde van de grote afval komt het geheimenis Gods, de gemeente, tot voltooiing (zie hiervoor 2 Thess.2:3 en Openb.10:7).

Het is een heerlijke werkelijkheid dat over de gehele wereld mensen, juist ook uit de kerken, tot bekering komen in deze tijd. Maar even goed ook mensen uit volksstammen die nog nooit iets van het evangelie gehoord hebben. God roept uit het joodse volk, uit de moslimwereid en alle andere grote en kleine godsdiensten, mensen tot bekering. En dit alles naar de belofte die wij lezen in Openbaring 5 vers 9, waar het Lam Gods in een nieuw gezang wordt toegezongen: ‘Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want Gij zijt geslacht en Gij hebt hen voor God gekocht met uw bloed, uit elke stam en taal en volk en natie’.

Al die waarachtige wedergeboren mensen zijn door bekering, volwassen-waterdoop en vervulling met de Heilige Geest geworden tot burgers van een rijk in de hemelen, burgers van het Koninkrijk Gods (Filip.3:20). En al deze mensen brengt de Heer in plaatselijke gemeenten samen waar Hij hen maakt tot een koninkrijk en tot priesters voor God, die eenmaal als koningen zullen heersen op aarde. Dat zegt Openbaring 5 vers 10.

En als wij over de gemeente spreken dan wordt bedoeld het waarachtige Lichaam van Christus, waarvan Hij het Hoofd is. Dan spreken wij over het heilige Sion Gods, het hemelse Jeruzalem, het huis Gods, de eerstelingen onder Zijn schepselen naar Zijn eeuwige raad.

De Here nu is de Geest

in de voorgaande artikelen heb ik daar al het een en ander van geschreven. In het laatste artikel (nr.3) heb ik geschreven over hoe de Heer Jezus, nu van Zijn plaats aan de rechterhand Gods alles in de gemeente tot volheid gaat brengen (Efez.4:10). De Heilige Geest vervult daarin een grote rol want de Here nu is de Geest en de grote verandering van heerlijkheid tot heerlijkheid vindt plaats door de Here, die Geest is, zegt het Woord (2 Cor.3:17-I8).

Ik geloof dat het belangrijk is een goed zicht te hebben op het werk van de Heilige Geest. In ieder geval te geloven wat Gods Woord hiervan zegt. Want als men de Heilige Geest ontkent in zijn werkingen in het Lichaam van Christus, dan kan Hij niet werken en wordt Hij uitgedoofd. Al het werk in de gemeente en aan de gemeente doet de Heer door middel van ‘gaven’.

  1. Gaven van mensen, waardoor de goddelijke energie, de kracht van de Heilige Geest stroomt. Dat is de kracht waarmede Jezus uit de doden is opgewekt. Deze gaven van de geest van de mens, worden door de Heilige Geest tot leven gewekt en bekrachtigd, waardoor het Lichaam van Christus geestelijk, bovennatuurlijk gaat groeien (zie art.2 en 3).
  2. Gaven van de Heilige Geest.
  3. Mensen die de Heer als gaven geeft aan de gemeente.

Dat zijn de kanalen, zou je kunnen zeggen, waardoor Gods genade, kracht en werking stroomt en de Heer alles tot volheid gaat brengen.

De bedieningen

Wij willen ons nu bezig houden met dit laatste en zien hoe de Heer mensen wil geven om de gemeente te leiden en om mee te werken aan het tot volheid komen van Gods volk.

In Efeze 4 vers 10 tot 13 lezen wij daarvan: ‘Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen. En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars, om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het Lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus’.

Geweldige woorden van Paulus, waaruit vóór alles spreekt het heerlijke doel waartoe de

Heer mensen geeft met bijzondere genadegaven, om de gemeenten te helpen vormen tot de gehele omvang van de volheid van Christus. Hier wordt in het algemeen over gesproken als van de vijfvoudige bediening. Deze vormen niet als vanzelfsprekend de dagelijkse leiding van de plaatselijke gemeente.

Voor we iets van de bedieningen kunnen zeggen zullen we eerst moeten kijken wat de Bijbel zegt over de algehele leiding van de gemeente.

Leiding en gezag

Als iets herstel nodig heeft in de gemeente van Jezus Christus dan is het wel het hele terrein van leiding en gezag, van bedieningen en van gaven in de gemeente. De duivel heeft kans gezien de ogen hiervoor te verblinden en dit hele terrein te bedekken met een dikke laag religieuze namaak. De leiding en gezagsstructuur zoals het Woord dit laat zien, is vervangen door menselijke systemen.

Ik heb dat in artikel 2 beschreven als het 'kerkmodel', wat voor een groot deel overgeno-men is in de evangelische-, pinkster- en volle evangeliegemeenten. In plaats van de dominee, waaronder een oudstenraad, is het nu veelal een voorganger met een broederraad. In veel gevallen is dit ontwikkeld tot een systeem, waarin de voorganger min of meer absoluut gezag heeft en waar de overige oudsten zich aan dienen te onderwerpen. Dit gaat soms zover, dat de voorganger gezien moet worden als een bijzondere gezalfde des Heren die bijna onfeilbaar is en geen correctie behoeft. Maar al te vaak spreekt men dan van: ‘De gemeente van voorganger NN....’.

Wat zegt Gods woord hierover?

Als we spreken over herstel en vernieuwing van de gemeente, dan gaat het immers om een terugkeer naar de werkelijke bijbelse fundamenten, waarheden, structuren en belevingen in de gemeente, het Lichaam van Christus. Ik las in een commentaar dat zowel de gaven van Heilige Geest, als wat Paulus beschrijft in Efeze 4 over de bijzondere genadegaven vooral noodzakelijk waren in de begintijd van de kerk. Dat was de kindertijd en de Bijbel, zoals wij die nu hebben, was er nog niet. Nu hebben wij echter de Bijbel en is er een staat van volwassenheid gekomen en zouden wij dit alles niet meer nodig hebben. We lazen echter in Efeze 4 vers 13:.... totdat wij allen tot de eenheid des geloofs en der volle kennis van den Zoon Gods bereikt hebben’.

Het is dus noodzakelijk tot het einde toe en daarom geloof ik dat de Heer zijn dorsvloer ook zal reinigen van deze vrome verleugeningen en het denken vanuit tradities. Juist nu de gemeente tot volheid gaat komen, is het zo belangrijk dat alle dogmatische en door traditie bepaalde structuren en menselijke systemen vervangen worden door de bijbelse principes. Zo niet, dan zal het belemmerend werken in de voortgaande ontwikkeling van de gemeente, waarbij ieder gemeentelid belangrijk is en betrokken dient te zijn. Immers door een verkeerde invulling van leiding en gezag is de belangrijke plaats van de individuele gelovige ook verloren gegaan.

In Efeze 4 vers 16 lezen we: ‘En aan Hem ontleent het gehele Lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die elk lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde’. Zo wil de Heer dat het weer zal functioneren.

Terug naar Gods woord

Terug naar Gods woord is niet ouderwets en traditioneel, maar is vernieuwend. Ik geloof dat het belangrijk is te beseffen dat de leiding- en gezagsstructuren, zoals we die lezen in het boek Handelingen en de brieven, niet kúnnen steunen op traditie, maar op het werk van de Heilige Geest voor de begintijd en voor nu. De apostel Paulus schrijft aan de Romeinen: ‘Stemt uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe visie. Dan zijt ge in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, wat zeer goed is en volmaakt’ (Rom.12:2 Willibr.vert.). Een heel belangrijk woord in verband met dit onderwerp.

Wie open en eerlijk het Nieuwe Testament bestudeert betreffende leiding in de gemeente zal zich verbazen bij de ontdekking dat bovenomschreven gezagsstructuur in de Bijbel helemaal niet voorkomt. Er wordt ongeveer 50 maal gesproken van een gemeente in het Nieuwe Testament. Nergens wordt er gesproken van een leider of een voorganger die het hoogste gezag in de gemeente zou hebben, en als vanzelfsprekend boven de andere oudsten gesteld zou zijn of deze zou vertegenwoordigen. Als Paulus afscheid moet nemen van de gemeente dan ontbiedt hij de ‘oudsten’ van de gemeente van Efeze (zie Hand.20: 13-20).

Nergens leest men dat een brief geadresseerd is aan een voorganger of dat er over een voorganger of leider van een gemeente gesproken wordt in de brieven, in de zin van de thans gegroeide traditie. Er is zelfs geen specifiek grieks woord wat vertaald kan worden met ‘voorganger’.

Voorgangers

De enige keer dat er gesproken wordt over ‘voorgangers’ (meervoud) is in Hebreeën 13 de verzen 7,17 en 24. Het griekse woord is hier ‘Hegoumenon’ en het kan o.a. vertaald worden met leidinggevend mannen’. (De Petr.Can. vertaling spreekt van ‘leidslieden’ en de Willibr.vert. van ‘leiders’).

In Handelingen 15 vers 22, waar hetzelfde woord in de griekse grondtekst gebruikt wordt, is het vertaald met ‘mannen van aanzien’ onder de broeders. Van deze ‘mannen van aanzien’, Judas en Silas, wordt gezegd: ‘Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, bemoedigden er versterkten de broeders met vele woorden’ (vs.32). Deze twee broeders brengen de boodschap van de apostelen, de oudsten en de gehele gemeente van Jeruzalem over aan de gemeente te Antiochië en bemoedigden en versterkten de broeders met vele woorden, maar ze zijn zeker geen ‘Hegoumenon’ in de betekenis van voorgangers.

In Handelingen 15 vers 22 wordt gesproken over ‘apostelen’ en ‘oudsten’ en ‘de gehele gemeente’ maar niet over een voorganger. Judas en Silas worden uit het midden van gemeente gekozen om de boodschap over te brengen, maar behoren dus niet tot de apostelen of oudsten. Het waren mannen van aanzien onder de broeders met de bediening van profeet, maar ze worden hier wèl in hetzelfde woord benoemd als in Hebreeën 13 de ‘voorgangers'.

In Hebreeën 13 vers 7, 17 en 24 en in Handelingen 15 vers 22 wordt het woord enkel in meervoudsvorrn gebruikt. Bovendien is het een woord in werkwoordsvorm. Al werkende zijn het medewerkers Gods. Er is dus niet een duidelijke, eensluidende vertaling te geven zoals van ‘presbuterous' wat consequent met ‘oudsten’ vertaald wordt.

Dit alles overwegende is er dus geen bijbelse grond voor het ambt, functie of positie van voorganger zoals dat in de loop van de eeuwen is ontstaan. Nergens wordt in de bijbel gesproken van een eenhoofdig leiderschap. De Heer Jezus zegt tot de mensen die zich in die tijd tot leiders opwierpen: ‘Gij zult u niet rabbi laten noemen; want één is uw Meester en gij zijt allen broeders. En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want één is uw Vader, Hij, die in de hemelen is. Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de Christus’ (Matth.23:8). Wonderlijk dat men zich juist zo is gaan benoemen, terwijl het door de Heer uitdrukkelijk verboden wordt. Om de plaats van de voorganger te onderstrepen, wordt wel eens gezegd: 'er is maar één kapitein op het schip'. Dat is dan een wereldse uitspraak vanuit een werelds denken.

In de gemeente van Jezus Christus gaat dit niet op. De Heer zegt nadrukkelijk dat alleen Hij Meester en Leidsman is. Om in het beeld te blijven dient Hij de enige kapitein op het schip te zijn!

De gezamenlijke oudsten

In het gehele Nieuwe Testament blijkt dat de geestelijke verantwoordelijkheid van een gemeente berust bij een oudstenraad. Altijd in het meervoud.

Het zou te ver voeren, om hier op al die plaatsen waar over oudsten gesproken wordt, in te gaan. Slechts enkele plaatsen wil ik noemen Het ingezamelde geld van de gemeente te Antiochië werd door Barnabas en Saulus naar de oudsten van de gemeenten van Judea gebracht (Hand.11:27-30).

Paulus en Barnabas 'wezen' in verschillende gemeenten 'oudsten' aan (Hand.14:21-23). Paulus schrijft aan Timótheüs: ‘Veronachtzaam de gave in u niet, die u krachtens een profetenwoord geschonken is onder handoplegging van de gezamelijke oudsten’ (1 Tim.4:14).

Toetsing en taak

De apostel geeft in de bekende gedeelten (1 Tim.3:1-16 en in Titus 1:5-9) duidelijke richtlijnen waar aan te stellen oudsten aan getoetst dienen te worden. In Titus 1 vers 5 spreekt Paulus van ‘oudsten’ (Presbuterous) die hij in vers 7 ‘opziener’ (episkopon) noemt. Hieruit blijkt dus dat een oudste een opziener is en een opziener een oudste. Twee verschillende woorden voor hetzelfde ambt.

Ook deze naam ‘opziener’ (episkopon) is soms gebruikt om aan te geven dat iemand boven de andere oudsten, of zelfs boven verschillende gemeenten geplaatst zou zijn. In de Rooms Katholieke kerk is hier het woord bisschop van afgeleid, iemand die gezag uitoefent over een kerkprovincie.

Wel wordt met het woord ‘opziener’ duidelijk iets gezegd over de inhoud van het oudste zijn. Een oudste zal ‘toezien’ op de gemeente. Hij is op een ‘opziener’, een ‘opzichter’.

Handelingen 20 vers 28 zegt hiervan: ‘Ziet dan toe op uzelf en over gehele kudde, waarover de Heilige Geest u tot ‘opzieners’ gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, die Hij Zich door het bloed van zijn Eigene verworven heeft’. (Ook hier weer ‘opzieners’, meervoud). Dat is een duidelijk omschreven taak voor de gezamenlijke oudsten van een gemeente.

In Titus 1 vers 7 zegt Paulus het met andere woorden, maar met dezelfde betekenis, als hij schrijft dat een oudste of opziener een ‘onberispelijke beheerder dient te zijn van het huis Gods’. Het woordje ambt is afgeleid van de vervoeging ‘episkopes’ wat vertaald wordt met opzienersambt (1 Tim.3:1). Paulus zegt: ‘Een gemeentelid mag het ‘opzienersambt’ of ‘oudstenschap’ begeren; dat is het begeren van een voortreffelijke taak (1 Tim.3:1). Iemand die dit begeert zal door de oudsten getoetst dienen te worden aan de richtlijnen die Gods woord geeft. Van de diakenen schrijft Paulus: ‘Laten ook dezen eerst op de proef gesteld worden, om daarna, als zij onberispelijk blijken, hun dienst te vervullen’ (1 Tim.3:10).

Met ‘ook dezen’ geeft Paulus duidelijk aan dat diezelfde procedure dus ook geldt voor aan te stellen oudsten. Niemand kan dus zichzelf opwerpen als een bijzondere roeping van de Heer ontvangen te hebben voor oudstenschap en zeker niet voor voorgangersschap. De apostel zegt dat er mensen zijn die zichzelf aanprijzen. Hij schrijft dan: ‘Maar zij meten zich af naar en vergelijken zich met zichzelf, zonder het zelf te begrijpen’ (2 Cor.10:12). Een aanstelling zal pas kunnen geschieden na toetsing en beproeving door de reeds aanwezige oudstenraad en na goedkeuring van de gemeente.

Zeker geloven wij dat door een nauwkeurige wandel met de Heer en gebed verstaan kan worden wie, naar de wil van de Heer, voor een taak geroepen kan worden. Maar de aanstelling geschiedt niet rechtstreeks door de Heer, maar door daarvoor bevoegde mensen, naar duidelijke daarvoor gegeven richtlijnen. In Handelingen 14 zagen we dat de apostelen oudsten 'aanwezen'.

Allen leden van één Lichaam

Wat wel vanzelfsprekend is, dat binnen een oudstenraad iemand zal zijn die leiding kan geven aan het geheel. Dat kan iemand zijn die door zijn bijzondere geestelijke begaafdheden als vanzelfsprekend die taak toegewezen zal krijgen. Als deze duidelijke profilering ontbreekt, zal de oudstenraad uit hun midden een voorzitter kiezen.

Maar hoe het ook zij de één zal zich nooit boven de andere mogen stellen. Een ieder is lid van dat ene Lichaam, want door één Geest zijn wij allen tot één Lichaam gedoopt (1 Cor. 12:12-13). Alleen de Heer staat als Hoofd boven allen. Ten diepste mag er geen verschil zijn tussen gemeenteleden en gemeenteleiders, al heeft ieder lid wel z'n specifieke plaats van God aangewezen gekregen (1 Cor.12:18) waar hij of zij op zijn of haar wijze mee dient te werken in het Lichaam.

Wanneer ook deze zaken van leiding en besturing in de gemeente weer naar Gods orde hersteld gaan worden, zal dat tot geweldige geestelijke opbloei van de gemeente leiden. Dan zal er een klimaat ontstaan van onderlinge verbondenheid en dienstbaarheid en zal ieder lid op zijn wijze en naar zijn kracht rnéé kunnen werken aan de groei van het Lichaam, om zo opgebouwd te worden in de liefde.

Dan zullen gaven en bedieningen pas echt tot ontwikkeling kunnen komen, waarover de volgende keer meer.

 

Herstel van de gemeente (5)

Het herstel en de vernieuwing van de gemeente, dat zich de laatste jaren aftekent, is een innerlijke drang om meer en meer in de werkelijke vrijheid van Christus te komen. Jacobus noemt dat de volmaakte wet van de vrijheid, door de Geest van het leven. Wij zien ook hoe de duivel van deze situatie misbruik maakt en als een engel des lichts vele (goed)gelovigen misleidt en bedriegt met surrogaat vernieuwing in deze tijd.

Wil de mens Gods tot alle goed werk volkomen toegerust te voorschijn komen, dan zal veel in de gemeenten een verandering dienen te ondergaan. Dan zullen oude kerkstruc-turen en tradities gaan verdwijnen om plaats te maken voor bijbelse structuren van leiding en bedieningen waarin de Heilige Geest vrijelijk kan werken. Dan zal er meer en meer ruimte komen voor ieder gemeentelid afzonderlijk om mee te werken in het bijeenhouden en een (geestelijke)kracht uit te oefenen zoals beschreven in Efeze 4 vers 16.

Traditie is de ergst denkbare blokkade om de gemeente als een geestelijk lichaam te laten functioneren. Van nature wil de mens maar het liefst in het oude vertrouwde patroon door blijven gaan. Dat is vertrouwd en dat is veilig, maar het is het meest dodelijke voor de geestelijke ontwikkeling. Daarom geloof ik ook dat de Heer werkt in die drang naar geestelijke vernieuwing en vrijheid. Hij is het immers die zowel het willen als het werken werkt in Zijn volk (Filip.2:13). Het initiatief ligt in deze zaken niet bij de mens maar bij God.

De tijd is gekomen

In Psalm 102 vers 14 wordt geprofeteerd: ‘Gij zult opstaan, U over Sion erbarmen, want het is tijd haar genadig te zijn, want de bepaalde tijd is gekomen’. Andere vertalingen spreken van: ‘de voorbestemde tijd’, of: ‘de ure is gekomen’.

Er zijn tijden en gelegenheden in het handelen van God en ik geloof dat de bestemde tijd gekomen is dat de gemeente van Jezus Christus tot volheid gaat komen. Jesaja spreekt van het nieuwe dat uit zal spruiten en roept op er acht op te slaan (Jes.43:19). Men is eeuwen lang bezig geweest, met menselijke systemen en organisaties, de kerken draaiende te houden, maar de tijd is gekomen dat alles weer zal moeten worden naar de ordening van God, wil de volle vrucht openbaar komen.

De gemeente dient gebouwd te worden naar het eeuwige bestek van de grote bouw-meester: God. Het betreft de uitvoering van Zijn eeuwige raadsbesluiten waarin Zijn Zoon Jezus Christus centraal staat en de bouwer is van het huis Gods, de gemeente (Hebr.3:2-3). Bij de profeet Zacharia lezen we dat God in grote ijver voor Jeruzalem en voor Sion ontbrand is, en dan zegt Hij: ‘Mijn huis zal daarin gebouwd worden’ (Zach.1:14-17). ‘En Zijn huis zijn wij’, zegt Hebreeën 3 vers 6a, de gemeente van Jezus Christus.

De leiding van de gemeente

In het vorige artikel hebben we stil gestaan bij de leiding van de gemeente. Heel duidelijk komt vanuit Gods woord naar voren dat de leiding van een gemeente gevormd dient te worden door een gezamenlijke oudstenraad. De Bijbel kent absoluut geen eenhoofdig leiderschap als positie of functie met een titel zoals dat in de afgelopen eeuwen ontstaan is. Het oudstenschap is een 'taak', een 'ambt' en men wordt er toe 'aangesteld' (zie art. 4).

Paulus schrijft dat, wanneer iemand oudste zou willen zijn, dat hij dan een voortreffelijke 'taak' begeert (1 Tim.3:1). Verder beschrijft hij in de verzen twee tot dertien de voorwaarden waaraan oudsten en ook diakenen dienen te voldoen en dat ze eerst op de proef gesteld dienen te worden om daarna, als ze onberispelijk blijken, hun dienst te vervullen (vs.10).

De bedieningen

Bij de bedieningen is dat geheel anders. De bedieningen worden door de Heer zelf 'aangesteld'. Zij worden als een 'gave', een 'geschenk' aan de gemeente gegeven. Nu Hij gezeten is aan de rechterhand Gods geeft Hij mensen die door een bijzondere genade bekwaam zijn om de gemeente op een speciale, bovennatuurlijke wijze te dienen. Het zijn de helpers van Hem. ‘En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars’. In 1 Corinthe 12, waar de gemeente als een lichaam wordt beschreven, lezen we: ‘En God heeft sommigen 'aangesteld' in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, enz.’ (1 Cor.12:28a).

Hier is het dus geen werk of keuze van mensen zoals bij de oudsten, maar van God. Het zijn Gods 'dienstknechten', Gods 'medearbeiders'. Paulus schrijft aan de gemeente van Corinthe: ‘Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij’ (1 Cor.3:9). Aan deze arbeiders heeft het de afgelopen eeuwen duidelijk ontbroken (zie Matth.9:37).

De mensen met een bediening zijn de 'medearbeiders' van God en werken met God en Jezus mee om dat bouwwerk Gods, het huis Gods, de gemeente tot volmaaktheid te brengen. Dat is het grote doel wat God voor ogen staat en naar mijn mening in deze tijd zijn voltooiing gaat vinden.

De juiste instelling

Bij de bedieningen is het niet zo dat God de meest ontwikkelde mensen gebruikt. De apostelen van de Heer Jezus waren eenvoudige en ongeletterde mensen uit het volk. Dat constateerden de heren van de Hoge Raad, maar zij herkenden hen omdat zij met Jezus waren geweest.

Wereldse wijsheid en theologische ontwikkeling is voor God vaker een sta in de weg dan dat het dienstbaar zou zijn. Hij zegt: ‘Verderven zal Ik de wijsheid der wijzen, en het verstand der verstandigen zal Ik verdoen (1 Cor.1:19; Jes.29:14). En er staat ook: ‘Want het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen’ (1 Cor.1:25). In 1 Corinthe 12 vers 24 en 25 kunnen we lezen: ‘God heeft evenwel het lichaam zó samengesteld, dat Hij meer eer gaf aan hetgeen misdeeld was, opdat er geen verdeeldheid in het lichaam zou zijn, maar de leden gelijkelijk voor elkander zouden zorgen’.

God zoekt mensen naar Zijn hart. Gewone, eenvoudige, gewillige, nederige mensen. Mensen die net als anderen heus nog wel eens fouten kunnen maken, maar met hun gehele hart aan de Heer verbonden zijn. Een prachtig voorbeeld is koning David. Iedereen weet dat hij in grote zonde kon vallen en ook is gevallen. Toch wordt hij altijd door God geprezen en als voorbeeld gesteld om zijn volkomenheid van hart en zijn oprechte wandel voor Gods aangezicht (bijv.1 Kon.9:4).

Zulke mensen kan God gebruiken als Zijn medearbeiders. Die ontvangen bijzondere genade en Hij deelt hen de geheimenissen mee van het Koninkrijk Gods (Matth.13:11) en ondersteunt hun bedieningen met de werking van Zijn kracht. Er is niets waarop zich een dienstknecht kan laten voor staan. De apostel Paulus benadrukt het steeds dat hij alles doet naar de genade Gods die hem gegeven is. Hij zegt: ‘Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is’ (1 Cor.15:10). Dat is de enige en juiste instelling van een medearbeider Gods. Daarbij passen geen hoge posities met klinkende titels.

Verduistering van Gods volk

In Efeze 4 lezen we dan: ‘Zij worden gegeven om de heiligen toe te rusten tot dienst-betoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus’. Geweldige beloften van God!

Waarom is hier nooit wat van terecht gekomen in de voorbije eeuwen? Omdat de gemeente niet meer gebouwd werd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen moet zijn. Omdat al heel spoedig de doop met de Heilige Geest verdween en daardoor dat hele terrein van gaven en bedieningen werd verduisterd. Er werd (en wordt nog) op een heel ander fundament gebouwd. Er is, juist binnen de christenheid, een grote ontkenning dat de mens tot de volheid van Christus kan komen, zoals God dat zegt. Eerder belijdt men zondaar te blijven tot de dood en tot geen goed werk in staat te zijn. Men ontkent dat gaven en bedieningen nog voor deze tijd zijn, terwijl toch duidelijk geschreven staat: ‘Totdat ALLEN tot volheid zijn gekomen’. Dit woord is dus van kracht tot het einde toe. Daarom heeft er nooit iets van terecht kunnen komen.

Maar nu is de Heer opgestaan om Zich over Zijn volk te erbarmen en om haar genadig te zijn, want het einde der tijden is gekomen. De landman heeft geduid gehad, maar nu is de tijd van de late regen aangebroken en zal de kostelijke volle vrucht van de aarde openbaar gaan komen (naar Jac.5:7). Voor we in het kort iets zeggen over deze bedieningen afzonderlijk, eerst nog enkele gedachten over het: 'waarom’?

Van eenheid tot verdeeldheid

In Efeze 4 de verzen 12 en 13 lazen we al met welk doel de Heer deze gaven, deze bedieningen aan de gemeente geeft. Ten tijde van de apostelen functioneerde dit alles in de gemeente. Er was een grote mate van eenheid binnen het nieuw ontstane volk van God.

Overal waar het evangelie gepredikt werd en mensen tot bekering kwamen, werd op een kundige wijze het fundament gelegd en de geheimenissen van het Koninkrijk Gods bekend gemaakt. Paulus schrijft dat later aan de Corinthiërs waar hij zegt: ‘Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt (1 Cor.3:10). In vers 11 noemt hij dit fundament' Jezus Christus'. Dit alles gebeurde door de apostelen heel grondig, heel kundig en met een grote liefde voor de Heer en Zijn evangelie.

In Handelingen 20 vers 31 lezen we dat Paulus drie jaren lang dag en nacht zich in heeft gezet in de gemeente van Efeze om hun de volle raad Gods bekend te maken (lees Hand. 20:13-38). Eveneens in Hand.18 vers 11 lezen we dat hij hetzelfde deed bij de stichting van de gemeente te Corinthe, één jaar en zes maanden lang.

Van het begin af aan heeft de duivel geprobeerd juist deze grote eenheid en zuiverheid van de gemeenten te vernietigen met zijn valse profeten, leraren en schijnapostelen. Dat lezen we in alle brieven. Er is in de loop van de eeuwen een verdeeldheid ontstaan die alle begrip te boven gaat. Duizenden richtingen, stromingen, groeperingen, enz.. Onder het grote deel wat zich christen noemt, is de verdeeldheid opvallend genoeg het grootst, terwijl iedereen zich op de Bijbel beroept.

Van verdeeldheid tot eenheid

Nu al weer honderd jaren lang is de Heer bezig uit al die groeperingen en stromingen mensen te roepen en te plaatsen in gemeenten, waar weer teruggekeerd wordt naar het bijbelse fundament en het waarachtige goede woord Gods (zie vorige artikelen). Maar nog steeds is er een grote verdeeldheid in het wereldwijde lichaam van Christus. En dan bedoel ik de waarachtig wedergeboren christenen, staande op het bijbelse fundament. Nu is de brief aan de Efeziërs een schitterende uiteenzetting over de visie van God, vanuit Zijn eeuwige raad, over de gemeente van Jezus Christus.

Hoofdstuk vier begint met een eenheid te beschrijven die wereldwijd in het lichaam van Christus gevonden dient te worden, evenals in de begintijd.

De Heer Jezus bidt tot Zijn Vader: ‘En Ik bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen, die door hun woord in Mij geloven, opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons één zijn. En de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één’ (Joh.17:20-23a).

Volmaakt zijn tot één

Dit is een eenheid zo overweldigend groots en mooi dat wij ons dat nu nog bijna niet voor kunnen stellen. Met elkaar, met allen dus over de gehele wereld, één zijn zoals de Vader en de Zoon één zijn. Niet door een leer, maar van binnenuit door de 'heerlijkheid’ waardoor Jezus en de Vader volmaakt één zijn en die ons door Jezus gegeven is om volmaakt één te zijn in Hem en de Vader. Wonderlijk mooi!

De Heer bidt dat voor 'allen' die door hun woord in Hem geloven. Dat is overal over de gehele wereld, voor alle natiën, volken, stammen en talen. Voor allen die in Hem geloven en de 'heerlijkheid' van Hem ontvangen hebben. En die 'heerlijkheid' is de Heilige Geest, de Geest van God en van Jezus Christus. Dat is de Geest, waardoor 'allen' over de gehele wereld tot één lichaam gedoopt zijn (1 Cor.12:13). Door die Geest komt de eenheid tot stand. Niet door een uitgekiende, sublieme leer maar door de Heilige Geest en het goede woord Gods.

Dat omschrijft de apostel in Efeze 4 vers 1 tot 6 als volgt: ‘Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: één lichaam en één geest gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping, één Here, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die is boven allen en door allen en in allen’.

Om deze geweldige eenheid wereldwijd opnieuw tot stand te brengen, plus wat verder allemaal nog geschreven staat in de eerste 16 verzen van Efeze 4, geeft de Heer apos-telen, profeten, evangelisten, herders en leraars in deze tijd. 'Medewerkers', die door bijzondere genade bekwaam zijn, om de Heer te helpen dit grootse plan van eenheid en volwassenheid wereldwijd te realiseren.

Apostelen en profeten

De apostelen en de profeten zijn in de bedieningen wel de meest belangrijke mede-werkers. Daarom lezen we dat de gemeente gebouwd wordt op het fundament van 'de apostelen en de profeten', terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is (Efez.2:20).

Als de grondslag niet deugt, kan er nooit een goed huis Gods opgebouwd worden. In Openbaring 21 zien we ook dat de muur van de heilige stad, het hemelse Jeruzalem, dat is de gemeente, 12 fundamenten heeft met daarop de 12 namen van de apostelen van het Lam (Openb.21:14). En de apostel Paulus noemt dat fundament: 'Jezus Christus' (1 Cor.3:11). U begrijpt dat dit veel meer betekent dan bekering van dode werken en van geloof in God, van een leer van dopen en van oplegging der handen, van opstanding der doden en van een eeuwig oordeel (naar Hebr.6:2-3). Een apostel, die zeer nauw samenwerkt met de profeet, heeft de bijzondere genade om zoveel kennis te ontvangen over het totale plan van God, dat hij de grondlegger is van de gemeenten.

Wordt met 'de profeten' niet de oudtestamentische profeten bedoeld? Ik geloof het niet, wat naar mijn mening ook duidelijk spreekt uit de brief aan de Efeziërs: ‘Gij hebt immers gehoord van 'de bediening' door Gods genade mij met het oog op u gegeven: dat mij door openbaring het geheimenis bekend gemaakt is, het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, Zijn apostelen en profeten waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods, die mij geschonken is naar de werking Zijner kracht’ (zie Efez.3:2-3, 5-8).

God bepaalt dus zelf aan wie Hij de geheimenissen van het Koninkrijk openbaart. De Heer Jezus zegt tot de eerste apostelen: ‘U is het gegeven de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven’ (Matth.13:11).

De oudtestamentische profeten hebben gezocht en gevorst naar de bedoeling van de Geest van Christus als ze profeteerden over de genade voor de gemeente (1 Petr.1:10- 12). Met de 'profeten' is dus de nieuwtestamentische bediening van profeet bedoeld.

Zalving of genade

Er wordt in boeken en tijdschriften voortdurend gesproken over 'bijzondere zalvingen, als het gaat om bedieningen. Is dit bijbels? Alleen in de eerste Johannes brief komen we deze uitdrukking tegen in: ‘Gij echter hebt een zalving van de Heilige en gij weet dat allen. En wat u betreft, de zalving, die gij van Hem ontvangen hebt, blijft op u, en gij hebt niet van node, dat iemand u lere; maar, gelijk zijn zalving u leert over alle dingen, en waarachtig is en geen leugen, blijft in Hem, gelijk zij u geleerd heeft’ (1 Joh.2:20, 26-27). Het gaat hier duidelijk over de Heilige Geest die in die dagen 'ALLEN' ontvangen hadden. Van de Heer Jezus wordt drie maal gesproken dat God Hem gezalfd had, waarbij Hand.10:38 zegt: ‘dat God hem met de H.Geest en met kracht gezalfd had’ (Luc.4:18; Hand.10:38; Hand.14:27).

In 2 Corinthe 1 vers 21 spreekt Paulus ook over het gezalfd zijn van de gelovigen met de Heilige Geest. Steeds als het om bedieningen of gaven van de Geest gaat, wordt er gesproken van genade, genadegaven, bijzondere gaven of genade. Van Timotheüs staat opgeschreven dat hij krachtens een profetenwoord en onder handoplegging van de gezamenlijke oudsten een 'gave' ontvangen had (1 Tim.4:14). Ook hier wordt er dus niet gesproken over een 'bijzondere zalving'. Ik wil dan ook bij het spreken over de bedieningen liever spreken van genade en bijzondere genade dan van 'zalving'.

 

Het herstel van de gemeente (6). De bediening van apostel

Waartoe geeft de Heer mensen met een speciale bediening aan de gemeente, waarvan Hij het Hoofd is? Dit vinden we het duidelijkst omschreven in Efeze 4 vers 12 tot en met

in 10 punten zouden we dit als volgt kunnen omschrijven:

  1. Om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon.
  2. Tot opbouw van het lichaam van Christus, naar Gods eeuwige bestek.
  3. Om allen te brengen tot de eenheid des geloofs, zoals beschreven in de verzen 4 tot 6 (zie ook vorige artikel).
  4. Om de volle kennis van de Zoon van God te helpen bewerken.
  5. Om de gemeente te helpen leiden tot de mannelijke rijpheid en tot de volle wasdom, naar de maat van de volheid van Christus.
  6. Om de rechte kennis van Gods woord te verkondigen, zodat niemand meer onmondig is en heen en weer geslingerd zal worden door alle verkeerde leringen.
  7. om zo de gemeente te beschermen tegen het valse spel van mensen die tot dwa-
  8. ling willen verleiden.

  9. Zo dat ieder gemeentelid zich aan de waarheid kan houden.
  10. Dat een ieder in liefde, in elk opzicht, naar Christus kan toe groeien die het hoofd is.
  11. Zodat alle gemeenteleden mee kunnen werken om het lichaam bijeen te houden en te laten functioneren, ieder naar zijn kracht, waardoor het lichaam groeit en een ieder opgebouwd kan worden in de liefde.

 

Jezus als grote voorbeeld

Als de Heer, om dit wonderlijk mooie doel te bereiken, bedieningen geeft aan de gemeente dan kunnen we gerust aannemen dat het zonder deze gaven ook niet zal kunnen.

Meer dan ooit tevoren zullen deze bedieningen nodig zijn in de eindtijd om de gemeente te beschermen tegen alle New-Ageachtige afdwalingen en antichristelijke verleidingen en om de gemeente tot de volheid van Jezus Christus te leiden. Twee punten die van levensbelang zijn voor de gemeente, zijn: ‘eenheid des geloofs’ en ‘dat een ieder zich houdt aan de waarheid’. Zolang dit niet bereikt is, is er geen sprake van een wereldwijd volwassen lichaam van Christus.

Een onbeschrijfelijk mooi doel, wat onmogelijk bereikt kan worden door gewone menselijke wijsheid, kennis of intelligent leiderschap. Het is een bovennatuurlijke, geestelijke zaak en daarom wil de Heer nu wereldwijd mensen aan de gemeente geven, die Hij zelf door bijzondere genade bekwaam maakt.

Al de bedieningen die genoemd worden zien wij in het leven van de Heer Jezus zelf Hij is in alles DE GROTE apostel, profeet, evangelist, herder en leraar. En nu Hij opgenomen is in heerlijkheid, delegeert Hij deze bedieningen aan betrouwbare mensen in Zijn lichaam, de gemeente. Geen theologisch geschoolde mensen, maar mensen naar Gods hart die hetzelfde hart hebben als de Vader en de Zoon. Een nederig en zachtmoedig hart vol liefde voor de mensen en het plan van God.

Belangrijk voor de bedieningen

Voor de leiding van de gemeente, de gezamenlijke oudsten en voor de bedieningen, is het van groot belang dat alles van de persoon overgegeven is aan de Heer. Intelligentie, bekwaamheden, mogelijkheden, persoonlijkheid, karaktereigenschappen, alles dient als een levend, heilig en Gode welgevallig offer op het altaar gebracht te worden (naar Rom. 12:1). Alleen dan kan de heilige Geest zó door iemand heen werken dat de bediening ook werkelijk een gave is aan de gemeente.

Eveneens van groot belang is om een heldere visie te hebben op het plan van God, om dit over te kunnen brengen aan de gemeente. Zó open te staan voor de leiding van de heilige Geest dat Zijn spreken betreffende leiding en bedieningen verstaan kan worden. Een diep verlangen om in alles Gods wil te verstaan.

Een verlangen zoals de Psalmist dat uitspreekt: ‘Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar uw verordeningen te allen tijde’ (Psalm 119:20). Dat zijn de mensen die de Heer zoekt in deze tijd. Mensen die hun hele leven er voor in willen zetten om Gods plan met de gemeente te helpen volvoeren. Mensen, die ondanks alle verdrukking en tegenslag die het mee kan brengen, voorop willen gaan. Die mensen zal Hij vervullen met de rechte kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk inzicht’ (naar Col.1:9).

De bediening van apostel

Van de bedieningen staat zowel in 1 Cor.12:28 als in Efez.4:11 de apostel voorop. In 1 Cor.12 zegt Paulus: ‘ten eerste apostelen’, alsof hij daarmee een rangorde in de bedieningen wil aangeven. De Heer Jezus heeft, na een nacht doorgebracht te hebben in gebed tot God, uit Zijn discipelen er twaalf uitgekozen die Hij ook apostelen noemde (Luc.6:13). Niet alle discipelen, maar Hij koos er twaalf uit. Deze zouden naar Zijn hemelvaart als Zijn ‘gezanten’ uitgezonden worden onder de joden en in de wereld, om het evangelie van het Koninkrijk Gods te gaan verkondigen (Hand.12:8). Verder worden er in het Nieuwe Testament ongeveer 20 apostelen genoemd.

Van de eerste gemeente die door de prediking van de apostelen ontstaan was, lezen we:

‘En zij bleven volharden bij het onderwijs der apostelen en de gemeenschap, het breken van het brood en de gebeden’ (Hand.2:42). Het Griekse woord voor apostel is ‘APOSTOLOS’ en betekent: afgezant, bode, gezondene, vertegenwoordiger.’Een apostel is iemand met een opdracht, door een hogere autoriteit uitgezonden, die die hogere autoriteit vertegenwoordigt en met diens volmacht is bekleed’.

De apostel, en ook de andere bedieningen blijven onderworpen aan de zender zoals de Heer ook zegt: ‘Een slaaf staat niet boven zijn heer, noch een gezant (apostolos) boven zijn zender’ (Joh.13:16). Men kan niet zichzelf de eer toekennen apostel te zijn; iemand wordt er toe 'geroepen’. De Heer Jezus zegt ook uitdrukkelijk tot de twaalf. ‘Niet gij hebt Mij, maar Ik heb u uitgekozen en aangewezen’ (Joh.15:16a).

Niet van of door mensen

Van de roeping van Paulus als apostel staat in Hand. 13:1-3: ‘Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaën, de zoogbroeder van Herodes, de viervorst, en Saulus. En terwijl zij vastten bij de dienst des Heren, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb. Toen vastten en baden zij, en legden hun de handen op en lieten hen gaan’.

De apostel Paulus was hierdoor overtuigd van zijn roeping en hij begint dan ook bijna al z'n brieven met de duidelijke vermelding dat hij een 'geroepen apostel’ is, waaraan hij dan ook zijn gezag ontleent. Galaten 1:1 begint met: ‘Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader, die Hem opgewekt heeft uit de doden’. Ditzelfde zien we ook bij de apostel Petrus als hij z'n brieven schrijft.

Apostelschap is niet aan mensen te danken en een apostel wordt ook niet door mensen aangesteld. Dat was zo in de begintijd en dat is ook zo in de eindtijd. Hier zien we een duidelijk verschil met oudsten en diakenen die wél, zoals we zagen, door mensen worden aangesteld (zie art.4).

Gezag door God verleent

Het gezag van een apostel berust op wie hem aangesteld heeft en dat is Jezus Christus en God de Vader. Hij is in zijn bediening een gezant van de Heer zelf. Een boodschapper, een gezondene, een vertegenwoordiger.

In 2 Cor.5:20 lezen we: ‘Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God door onze mond u vermaande’. Dat besef ging bij Paulus zo diep dat hij een enkele keer sprak van ‘mijn evangelie’ (Rom.2:16; 2 Tim.2:8). In de Galaten brief lezen we dat het evangelie wat hij verkondigde hem door de Heer Jezus zelf geopenbaard was (Gal.1:11-12). Dat gaf hem gezag om zonodig streng op te treden tegen predikers die een ander evangelie predikten dan hij ontvangen en verkondigd had. Hij schrijft: Als iemand een ander evangelie verkondigt, die is vervloekt (Gal.1:8-9).

Ook als er grove zonde in de gemeente is dan treedt hij daar zeer streng tegen op en levert zo iemand over aan de satan door de kracht van de Heer en in Zijn Naam (zie 1 Cor.5:1-5). We zien dit optreden met gezag ook bij de apostel Petrus in de geschiedenis met Ananias en Saffira (Hand.5:1-11).

Hier blijkt de belangrijke plaats van de apostel om de gemeente een zuiver besef bij te brengen van de heiligheid van de gemeente, die Zijn lichaam is.

Een bijzondere bediening

Het hele optreden van een apostel dient er op gericht te zijn de zaak van zijn Zender te dienen. Iedere vorm van eigenbelang, macht, aanzien, geld... het maakt de bediening krachteloos.

Een apostel is een boodschapper van God voor de mensen. Er bestaat geen hogeschool waar je voor bedieningen kunt studeren. Het is een hemelse zaak. je wordt er toe geroepen en door de bijzondere genade van de Heer er voor bekwaam gemaakt. Je ziet dat wel heel duidelijk bij Paulus. Van een gemeentevervolger maakt de Heer hem tot de grootste gemeentebouwer. De bediening van apostel is ongetwijfeld de grootste van de vijf genoemde bedieningen. Bij hem functioneren ook de andere genoemde bedieningen. Hij kan zonder verdere hulp van buitenaf gemeenten stichten en is daarbij dan ook evangelist, herder, leraar en profeet, zover dat nodig is. We zien dat duidelijk in het leven van Paulus.

Als hij een stad binnen ging dan kwam de geestenwereld in rep en roer, maar binnen de kortste tijd stichtte hij een gemeente. Dat is allemaal te lezen in het boek Handelingen. (lees b.v. de geschiedenissen in Hand.16:4-40 en 19:13-40). Hij begon door de genade Gods met het leggen van het bijbelse fundament als een kundig bouwmeester. (zie 1 Cor:3:10).

Hij verbrak het juk en de banden van satan waaronder streken en steden gebukt gingen. Hij leidde de mensen tot vrijheid, onderwees het evangelie van het Koninkrijk tot in de finesses. Hij noemde dat zelf ‘de volle raad Gods’ verkondigen (Hand.20:27). Hij verrichtte wonderen, tekenen en krachten onder de mensen als teken van zijn apostelschap (2 Cor.12:12; lees ook Hand 19:8-20). In Galaten 2:8 schrijft Paulus: ‘Immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen’.

Hieruit zien we dus dat de Heer iemand in de bediening van apostel kan stellen voor een bepaalde groep mensen of voor een bepaald gebied. Ik geloof dat dat nu ook zo kan zijn. Nederland wordt steeds meer een multinationale samenleving. De Heer kan ook nu een apostel afzonderen om onder de buitenlanders of om onder een bepaalde nationaliteit van de buitenlanders te werken.

Wat we ook zien is dat een apostel niet zomaar kan gaan waar hij wil. In Hand.16:6 lezen we dat de Geest Paulus en Barnabas verhinderde het woord te spreken in Asia. En in vers 7 dat de Geest van Jezus hun niet toestond naar Bithynië te reizen. Maar even later wordt Paulus door een droomgezicht geleid over te steken naar Macedonië om het evangelie Europa binnen te brengen (vs.9 en 10).

De kracht van het apostelschap

Het woord ‘zendeling’ is afgeleid van ‘gezondene’ en is dus verwant aan ‘apostel’. Niet iedereen die zending bedrijft is per definitie een geroepen apostel. Het zal echter altijd blijken uit de vrucht en de tekenen van de bediening.

Als gebieden veroverd worden op de macht van satan en het juk over mensen verbroken wordt, als het evangelie verkondigd wordt, niet met schittering van woorden, maar met betoon van geest en kracht, als het gepaard gaat met wonderen, tekenen en krachten, als het waarachtige bijbelse fundament gelegd wordt en mensen onderwezen worden in de volle raad Gods, dan is het duidelijk dat hier naar bijbels voorbeeld een apostel aan het werk is.

Een apostel blijft ook zorg houden voor de gemeenten. Hij is veel in gebed en voert een geestelijke strijd tegen de satan en z'n rijk die altijd zal trachten de gemeenten kapot te maken (zie bijv. Efez.1:15-23, 3:14-21; Col.1:3-10; 2 Cor.1:8-11; Col.1:29, 2:1). In 2 Cor.11:28 spreekt hij van de dagelijkse beslommeringen en de zorg voor de gemeenten.

Waarachtige apostelen zijn zeer kostbaar voor de gemeenten omdat ze vanuit hun bijzondere volmacht en kracht van de Heer effectief strijd kunnen voeren voor de gemeenten. Dat zal zeker ook nu in de eindtijd van groot belang worden.

Als we het leven van Paulus beschouwen dan zien we hoe de duivel deze bediening haat. Het is te lezen in het boek Handelingen, maar ook in 2 Cor.11:21-33 waar een indrukwekkende lijst van zijn wedervaren staat opgetekend.

De volmacht

Ik geloof dat bij het herstel van de gemeente van Jezus Christus zeker ook de belangrijke bediening van apostel steeds duidelijker zal terugkeren.

Er ligt een grote en belangrijke taak in deze tijd om de oude bijbelse waarheden weer in het licht te stellen met de autoriteit door God verleent. Het is één van de bedieningen, samen met de bediening van profeet, om in de gemeente wereldwijd te komen tot de eenheid des geloofs. In Efez.2:20 lezen we dat de gemeente Gods gebouwd zal worden op het fundament van de apostelen en de profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is.

Als dit niet op de eerste plaats hersteld zou worden, hoe zou dan ooit die tempel Gods, het hemelse Jeruzalem tot voltooiing moeten komen? Maar het zál voltooid worden naar Gods eeuwige bestek, zoals beschreven staat in het boek Openbaring (zie Openb.21).

In de begintijd waren er verschillende rondreizende apostelen.

Tenminste 20 worden er met name genoemd. Deze hadden dus een bepaalde toegang tot de gemeenten. Als er problemen rezen, ook van fundamentele leerstellige aard, dan was het kennelijk gewoon dat de hulp van een apostel werd ingeroepen. Er was nog niet het isolement van gemeenten op zich zoals we dat nu heel vaak zien.

Bekend is de vergadering te Jeruzalem, beschreven in Handelingen 15, waar de apostelen samen met de oudsten en de gemeente besluiten nemen ten aanzien van het Nieuwe Verbond en bepalingen van de wet.

In Hand. 16:4 lezen we dan: ‘En toen zij de steden langs reisden, gaven zij hun de beslissingen, die door de apostelen en de oudsten te Jeruzalem genomen waren, om die te onderhouden’. Zo was er mede door het werk van de apostelen een grote eenheid des geloofs in de begintijd.

De gemeente van Corinthië had ook vele problemen. Ze schreven die aan de apostel en zijn antwoord hebben wij nu als de bekende brieven met de vele raadgevingen, leringen en vermaningen.

Zo hebben wij nu door middel van deze brieven antwoord op vele vragen die ook nu in de gemeente een rol kunnen spelen, uit de eerste hand van deze grote apostel. Dat zelfde geldt natuurlijk voor de andere brieven van Paulus, Petrus, Johannes, Jacobus en Judas.

Een zaak van dienstbetoon

In het vorige artikel schreef ik al over de onvoorstelbare verdeeldheid binnen het christendom. Er is dus ook nu in deze tijd een geweldig werk voor de bediening van de apostel en de andere bedieningen. Je merkt ook dat het onderwerp van de bedieningen allerwegen volop in de aandacht is. Een aandacht die naar ik meen door de Heer zelf bewerkt wordt. Hij werkt immers het willen en het werken in Zijn volk (Filip.2:13).

In al de aangehaalde Bijbelgedeelten gaat het hoofdzakelijk over de bediening van Paulus als apostel. Dat wil natuurlijk helemaal niet zeggen dat een apostel van deze tijd een soort kopie van Paulus zal, moeten zijn. Het gaat echter wèl om het bijbelse principe van het apostelschap.

Het geweldige is dat een echte apostel, vanuit zijn liefdevolle hart voor het werk van zijn Zender, zich nooit boven andere bedieningen zal verheffen, hoewel hij dit vanuit zijn geestelijke autoriteit wel zou kunnen. Hij zal zich altijd opstellen als een mededienst-knecht van de Heer. Als de apostel Petrus schrijft, dan noemt hij zichzelf een ‘dienst- knecht’ (=slaaf) van Jezus Christus en een ‘medeoudste’ onder de oudsten (2 Petr.1:1 en 1 Petr.5:1).

Dat is het kenmerk van het ware onder de vele valse apostelen die ongetwijfeld ook zullen opduiken. Het erkennen van bedieningen, dat ze er zijn en ook nodig zijn voor het tot volheid komen van de gemeente, brengt iets in beweging. Daar groeit het besef en de erkenning dat het hele gemeente gebeuren een bovennatuurlijke, geestelijke zaak is. Dat het hele gemeente gebeuren een zaak is van genade en bijzondere genadegaven door de Heer verleent. Dat het een zaak is van dienstbetoon. ‘Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods’ (1 Petr.4:10).

 

De bediening van profeet (7)

Van alle bedieningen hoort men tegenwoordig wel het meest over ‘de profeet’. Er wordt over gesproken en over geschreven, het staat volop in de belangstelling. Deze bediening is de tweede in het rijtje van bedieningen die door de apostel genoemd worden.

De Heer geeft met een heel duidelijk doel de bedieningen van apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren aan de gemeenten. Uitgaande van Efeziërs 4 vers 12 tot en met 16, heb ik dat aan het begin van deel zes over: ‘Het herstel van de gemeente’, in tien punten omschreven. Een ‘genadegave van God’ is altijd gegeven tot ‘dienstbetoon’ en nooit om iemand aanzien, macht of een functie te geven. De Heer Jezus zegt: ‘Om niet heb gij het ontvangen, geeft het om niet’ (Matth.10:8). De woorden van de apostel Petrus zijn: ‘Dient elkander, een ieder naar de genadegave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods. (1 Petr.4:10). Dit alleen is de waarachtige instelling voor iedere bediening die de Heer aan de gemeente geeft.

Visie op Gods plan

Profeten zijn heel in het bijzonder mensen met een visie op Gods plan. Een visie die overeenstemt met de visie van God, om op een bijzondere, directe wijze de voortgaande wil van de Heer te verstaan en bekend te maken. Het zal echter altijd duidelijk toetsbaar moeten zijn aan het Woord van God, de Bijbel, en in overeenstemming dienen te zijn met Gods eeuwige raad en bedoelingen.

Ook de bediening van profeten heeft, evenals de bediening van apostelen en leraren, tot doel de gemeenten bekend en vertrouwd te maken met de geheimenissen Gods.

Dat lezen we duidelijk in de Colossenzenbrief waar Paulus over zijn bediening als apostel schrijft: ‘Haar dienaar ben ik geworden krachtens het goddelijke ambt, dat mij met het oog op u is verleend, om namelijk het Woord van God te brengen in heel zijn volheid: om het geheim te verkondigen dat verborgen was voor alle eeuwen en alle generaties, maar dat nu is geopenbaard aan zijn heiligen. Hun heeft God bekend willen maken hoe machtig en hoe wonderbaar dit geheim is onder de heidenvolken. En luidt: ‘Christus in u’, en ook: ‘De hoop op een eeuwige heerlijkheid’. Al mijn moeite is er op gericht dat zij goede moed houden en innig in liefde verbonden blijven, en zo komen tot de volle rijkdom van het inzicht in Gods geheim, Christus namelijk, in wie alle schatten van wijsheid en kennis verborgen liggen’ (Col.1:25-27, 2:2-3 Willibr.vert.).

De gemeente moet komen tot een volledig kennen van Gods wil en inzicht in Gods geheimenissen. Dat is de visie van God! ‘Om het woord van God te brengen in heel zijn volheid’, zegt de apostel. Mede daarvoor is ook de bediening van profeet gegeven aan de gemeente.

Wat is een profeet?

Het meest bijbelse antwoord is: ‘een profeet is iemand die in naam van God spreekt en Zijn wil bekend maakt’. Het Hebreeuwse woord is ‘nabie’ wat wel vertaald wordt met ‘ziener’ (zie 1 Sam.9:9). Een profeet is een ‘geroepene’ of van God ‘gezondene’. Een goed voorbeeld is de roeping van Jesaja in hoofdstuk 6.

Een profeet is een gewoon mens die geen, enkele bijzondere opleiding gevolgd hoeft te hebben. Hij is een lid van het lichaam van Christus, die op een bijzondere wijze begena-digd is om woorden van God te spreken. De profeet is ook weer zo'n bijzondere medewerker van de Heer, die namens Hem heel direct en concreet tot Gods volk kan spreken krachtens de hem verleende genade. Dat kan binnen de gemeente zijn, maar ook van buitenaf naar de gemeente toekomen.

De woorden die een profeet spreekt, zijn méér, zijn krachtiger en sterker dan woorden van een leraar, die uit het Woord van God onderwijst. Het woord van een profeet kan hele fundamentele waarheden in het licht plaatsen, maar kan ook de schijnwerper richten op de toekomende dingen' De Heer Jezus leert ons over de heilige Geest: ‘Doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen, Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen’ (Joh.16:13-14).

Werkt dat dan niet in iedere gelovige, die gedoopt is met de Geest? Ja, in zekere mate, maar het is juist ook door de bediening van de profeet waardoor de Heer binnen Zijn volk openbarend bezig wil zijn, zeker ook wat de toekomende dingen betreft.

Door openbaring

Dat hele plan van God is niet door menselijke wijsheid en geleerdheid tevoorschijn te brengen, maar dat kan alleen maar door openbaring in gereinigde en geheiligde mensenharten.

Aan de grote profeet Mozes werd alles wat het volk betreft en wat de bouw van de tempel betreft getoond op de berg (Exod.25:40; Hand.7:44; Hebr.8:5). Niet aan het hele volk maakte God het bekend maar aan de profeet die God daartoe geroepen had, die het overbracht aan het volk.

Ook de profeet Ezechiël wordt in de Geest gevoerd naar een zeer hoge berg, de berg Sion waarop het hemelse Jeruzalem gebouwd is. En dan lezen we: ‘Toen Hij mij daarheen gebracht had, zie, daar bevond zich een man, die er uitzag als was hij van koper, met een linnen snoer en een meetroede in zijn hand; hij stond in de poort. De man sprak tot mij: Mensenkind, zie met uw ogen en hoor met uw oren en richt uw opmerkzaamheid op alles wat ik u zal laten zien; want opdat ik u dat zou laten zien, zijt gij hierheen gebracht. Verkondig alles wat gij zien zult, aan het huis Israëls (Ezech.40:3-4).

Twee prachtige voorbeelden over de bouw van het huis Gods, de gemeente van Jezus Christus. Het moet precies volgens Gods eeuwige bestek gebouwd worden.

Vooral dat beeld van Ezechiël is zo sprekend. Het wordt aan de profeet getoond met de opdracht alles wat hij ziet te verkondigen aan het huis Israëls, de gemeente.

Ik geloof dat dit de bediening van de nieuwtestamentische profeet precies weergeeft. Wat hem getoond wordt, geopenbaard wordt, wat hij met zijn geestelijke ogen ziet en met zijn geestelijke oren hoort, mee te delen aan de gemeente met het doel dat de gemeente voortgeleid wordt en tot volheid komt.

Wat Gods Geest bewerkt

De Heer Jezus zegt ook nog van de heilige Geest: ‘Maar de Trooster, de heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb’ (Joh.14:26).

Wij weten dat de Heer veel meer gezegd en gedaan heeft dan er in de Bijbel opgetekend is (Joh.20:30 en 21:25). Hij geeft echter de belofte dat alles wat Hij gezegd heeft door de heilige Geest te binnen gebracht zal worden. Dat zal geschieden op de juiste tijd en in het juiste licht. Het zal echter te allen tijde toetsbaar zijn, want het zal nooit in strijd kunnen zijn met wat wel opgetekend is of niet in overeenstemming kunnen zijn met de geest van de gehele Schrift.

Ook dit gegeven geldt in zekere zin voor alle Geestvervulde gelovigen, maar in het bijzonder voor de profeten die de Heer daarvoor als een gave geeft aan de gemeente.

Tot een voorbeeld

Als we het Oude Testament op het onderwerp profeten bestuderen, kunnen we heel wat aan de weet komen. Het waren dienstknechten van God, medewerkers in de ware zin van het Woord. Wat we duidelijk zien, is dat het mensen waren die God en Zijn zaak volkomen toegewijd waren.

Soms gebruikte God deze dienstknechten van Hem om iets uit te beelden met hun leven, met het oog op de toestand van het volk. De profeet Ezechiël moet de ondergang van Jeruzalem zinnebeeldig voorstellen in de hoofdstukken vier en vijf. De profeet Hosea moet een ontuchtige vrouw nemen en kinderen bij haar verwekken om uit te beelden hoe verschrikkelijk de toestand van het volk Israël is (Hfdst.1).

Deze waarachtige profeten werden maar al te vaak door het volk gehaat en bijna allemaal vermoord. Men wende zich liever tot leugenprofeten die dát profeteerden wat het volk graag wilde horen (lees bijv. Jer.23:9-32). Die profeteerden vrede, vrede terwijl er geen vrede was! Ook nu in onze tijd komt dat voor.

Twee soorten profeten

In het Nieuwe Testament wordt gesproken van twee soorten profeten. Daar is de profeet die in een samenkomst een woord uitspreekt tot stichting, vermaning of bemoediging, door de gave van de heilige Geest (1 Cor.12:10 en 14:3). En dan is er de ‘bediening’ van profeet, door de Heer aangesteld. Het gezag, de kracht en de draagwijdte hiervan is veel groter.

In Handelingen 13, waar we lezen van de uitzending van Saulus en Barnabas, zien we dat daar profeten en leraren waren die met name genoemd worden. Dat waren duidelijk broeders met de bediening van profeet of leraar.

‘Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, Manaën, de zoogbroeder van Herodes, de viervorst, en Saulus’ (Hand.13:1). Voor Paulus afgezonderd werd tot het apostelschap had hij dus al de bediening van profeet of leraar.

In Handelingen 11 lezen we van een zekere Agabus die profeet was.

‘En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te Antiochië; en één uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius’ (Hand.11:27-28). Jeruzalem was een grote gemeente en er wordt dan ook gesproken van 'profeten’ (meervoud) van Jeruzalem.

In Handelingen 15 lezen we van twee van deze profeten uit Jeruzalem. Ze worden met Paulus en Barnabas meegestuurd naar Antiochië om de uitslag van de conferentie mee te delen (lees Hand.15:1-33). ‘Judas, genaamd Barsabbas, en Silas, mannen van aanzien onder de broeders’ (15:22).

In vers 32 en 33 lezen we van deze mannen: ‘Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, bemoedigden en versterkten de broeders (te Antiochië) met vele woorden. En toen zij daar een tijdlang geweest waren, werden zij door de broeders met de vredegroet gezonden tot degenen die hen hadden afgevaardigd’. Ze keerden dus terug naar Jeruzalem.

De leringen die we hieruit kunnen trekken zijn:

Verbonden aan een gemeente

Profeten met een bediening zijn duidelijk aan een gemeente verbonden. Wij zien dit zowel in Antiochië als in Jeruzalem. En in grote gemeenten waren dus meerdere profeten.

Mannen Gods met de bediening van profeet waren beslist geen ‘nergens bij horende profeten’ die zogenaamde profetische geschriften, in opdracht van de Heer, moesten uit- werken en rondsturen, zoals dat heden zo vaak gebeurt. Het waren mannen van aanzien onder de broeders en zusters van de gemeente. Het Griekse woord voor ‘van aanzien’ is: ‘hegoumenous’ wat vertaald kan worden met ‘leidinggevende’.

Het waren geen voorgangers (zoals dit woord vertaald is in Hebr.13), geen apostelen, geen oudsten, maar mannen onder de broeders en zusters met de ‘bediening’ van profeet. Daarmee dienden ze en gaven geestelijke leiding aan de gemeente. En als ze dan in een andere gemeente kwamen, dienden ze ook die gemeente met hun bijzondere genadegave. Ze bemoedigden en versterkten de broeders met vele woorden, terwijl in de gemeente van Antochië zelf ook profeten en leraren waren zoals we al zagen in Handelingen 13 vers 1. Een schitterende samenwerking dus op hoog geestelijk niveau!

Van de profeet Agabus lezen we verder nog dat hij profeteerde dat Paulus gevangen genomen zou worden: ‘En toen wij daar verscheidene dagen bleven, kwam uit Judea een zeker profeet, genaamd Agabus. Toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij: Dit zegt de Heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen’ (Hand.21:10-11).

Dit voorval speelde zich af te Ceasaréa in het huis van Filippus, de evangelist. En dan vermeldt vers 9 nog: ‘Deze had vier ongehuwde dochters, die profetessen waren’

Belangrijke taak

In de Efezebrief lezen we nog iets heel fundamenteels over de bediening van de profeten in samenwerking met de apostelen. in hoofdstuk 2 vers 20 lezen we dat het huis Gods, de gemeente, gebouwd wordt op het fundament van de apostelen en de ‘profeten’, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is.

Waarom de profeten? Als we nog even denken aan de grote oudtestamentische profeten Mozes en Ezechiël, die in de Geest gevoerd werden naar de berg Sion en daar alles te horen en te zien kregen over de bouw van het huis Gods, het hemelse Jeruzalem, dan zullen we begrijpen dat ook nu, in de nieuwtestamentische tijd, de profeet een grote taak heeft in de bouw van de gemeente naar Gods eeuwige bestek.

Dat het hier in de Efezebrief wel degelijk gaat om de bediening van de profeet nú, en niet om de oudtestamentische profeten, lezen we in Efeze 3 vers 4 en 5 waar Paulus schrijft: ‘Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten’.

Zoals God het in het Oude Verbond openbaarde aan de profeten Mozes en Ezechiël, openbaart Hij nu het geheimenis van Christus aan Zijn apostelen en profeten.

Daarom zijn ook de profeten zo belangrijk bij de fundering en de bouw van het huis Gods, de gemeente van Jezus Christus.

Genade voor de gemeente

De apostel Petrus schrijft er over dat de oudtestamentische profeten hebben gezocht en gevorst naar de bedoeling van de Geest van Christus, als ze profeteerden over de genade voor de gemeente, het einddoel van het evangelie van Jezus Christus.

Petrus besluit, in 1 Petrus 1 vers 12b, dat deze geheimenissen thans verkondigd zijn bij monde van hen (apostelen en profeten), die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan (1 Petr.1:3-12).

Zo is er door de Bijbel heen heel wat te leren over de bediening van de profeet. Mannen Gods, medewerkers, medearbeiders die door God altijd gebruikt zijn in het Oude Verbond en zeker ook nu in het Nieuwe Verbond in de gemeente van Jezus Christus.

Tot het einde toe

Ook de bediening van de profeet is er omdat geweldige doel wat in Efeze 4 beschreven wordt te bereiken, de volwassen mens Gods naar het beeld van Jezus Christus. En om te komen tot een éénheid in de wereldwijde gemeente van Jezus Christus (Zie ook artikel No.5).

De bewering dat deze bediening alleen maar nodig is geweest in de begintijd van de gemeenten wordt geloochenstraft door het woord: ‘TOTDAT WIJ ALLEN DE EENHEID DES GELOOFS EN DER VOLLE KENNIS VAN DE ZOON GODS BEREIKT HEBBEN’. Naarmate we verder komen in de eindtijd zal ook deze bediening weer meer en meer een plaats krijgen. Dat ze er in het begin van de gemeenten waren, kunnen we zien in het boek Handelingen en in de brieven en dat ze er in het einde zullen zijn weten we ook zeker, omdat de Heer Jezus sprekende over de eindtijd zegt: ‘Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden’ (Matth. 24:24).

En ook in Mattheus 7:15: ‘Wacht u voor de valse profeten, die in schapenvacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven’.

Mensen naar Gods hart

Daar waar goede waarachtige profeten opstaan, zal de duivel ook zijn dienstknechten laten opstaan als engelen des lichts met zijn verderfelijke leringen en soms verlokkelijke bedriegerijen (2 Thes.2:9; 2 Petr.2:1-3; 2 Cor.11:3-4, 13-15). De apostel Johannes noemt dat in zijn brieven ‘de antichristen’ (1 Joh.2:18) en ‘de valse profeten’ (1 Joh.4:1) en ‘de misleiders’ (2 Joh.7).

God zoekt mensen met een waarachtig en getrouw hart, nederig en zachtmoedig, die Hij aan kan gorden met Zijn kracht om krachtig en onbewogen in Zijn dienst te staan. Mannen en vrouwen Gods die hun mond opendoen dwars tegen alle tegenspraak in. Mannen en vrouwen die niet mee gaan roepen vrede, vrede als er geen vrede is.

Mannen en vrouwen met het hart en de visie van God en Jezus Christus.

 

De bediening van evangelist (8)

Bij het bespreken van de bedieningen in de gemeente blijven we uitgaan van Efeze 4 vers 11, waar de apostel zegt. ‘En Hij heeft zowel apostelen als profeten gegeven, zowel evangelisten als herders en leraars’.

De taak van evangelist

Het Griekse woord is. ‘euaggelistes’ en betekent: ‘Zij die een goed bericht verkondigen’. De evangelist verkondigt de blijde boodschap van het Koninkrijk Gods.

De Heer Jezus verkondigde voortdurend deze blijde tijding. Hij zegt: ‘De tijd is vervuld en het Koninkrijk Gods is nabijgekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie’ (Mark.1:15).

Dat is de hoofdzaak van de evangelist die, evenals bij de andere bedieningen, bekrachtigd is met bijzondere genade om die bediening te kunnen uitoefenen.

De 'bediening van evangelist' moet niet verward worden met iemand die wel eens wat evangeliseert. De evangelist wordt bekrachtigd door de heilige Geest waardoor mensenharten aangeraakt worden. De heilige Geest zal toehoorders overtuigen van zonden waardoor ze de gepredikte weg van verlossing en heling aan kunnen nemen.

De evangelist kan dit werk met enthousiasme, inzet en volharding blijven doen waar een ander het al lang opgegeven zou hebben. De ware evangelist zal, evenals de Heer Jezus, wenen en met ontferming bewogen raken als hij ziet hoe de mensen voortgejaagd worden als schapen die geen herder hebben. Hij zal, evenals de Heer, oog en hart hebben voor de mensen aan de zelfkant van de samenleving. Dit werkt de heilige Geest door de liefde van God bijzonder in z'n hart.

De evangelist die zich door de Geest laat leiden, zal op plaatsen komen waar de Heer wil dat het evangelie verkondigd wordt. Soms is het de bedoeling velen te bereiken, maar de Heer zoekt ook de enkeling te redden.

Evangelist Filippus

Wij zien dit zo werken bij het grootste bijbelse voorbeeld, Filippus. Hij was één van de zeven aangewezen diakenen in de gemeente van Jeruzalem, die goed bekend stonden, vol van Geest en wijsheid (Hand.6:3-6). God riep hem echter tot de bediening van evangelist (Hand.21:8).

Door zijn aanstelling als diaken, om te dienen, zien we al dat Filippus een man was vervuld van de heilige Geest en met een warm hart voor mensen. Zijn aanstelling tot diaken geschiedde door mensen. Zijn bediening als evangelist is Gods werk.

Bekering van een stad

En dan zien we Filippus gaan naar Samaria om daar Jezus Christus te prediken. We lezen daarvan in Handelingen: ‘En Filippus daalde af naar de stad van Samaria en predikte hun de Christus. En toen de scharen Filippus hoorden en de tekenen zagen, die hij deed, hielden zij zich eenparig aan hetgeen door hem gezegd werd. Want van velen, die onreine geesten hadden, gingen deze onder luid geroep uit en vete verlamden en kreupelen werden genezen; en er kwam grote blijdschap in die stad’ (Hand.8:5-8).

Ondanks dat Samaria beheerst werd door een demonische grootrnacht die werkte in en door Simon de tovenaar, die de grote kracht Gods genoemd werd, kwam deze stad massaal tot bekering (Hand.8:9-11).

Een geroepen evangelist kan de demonische ban verbreken die op gebieden of steden kan rusten. ‘Toen zij echter geloof schonken aan Filippus, die het evangelie van het Koninkrijk Gods en van de naam van Jezus Christus predikte, lieten zij zich dopen, zowel mannen als vrouwen. En ook Simon zelf kwam tot geloof, en na gedoopt te zijn, bleef hij voortdurend bij Filippus, verbijsterd door die tekenen en grote krachten, die hij zag geschieden’ (Hand.8.12-13).

De bediening van Filippus ging gepaard met de tekenen van een evangelist, zoals we dat ook lezen van Paulus betreffende zijn bediening als apostel en geheel volgens de belofte van de Heer (Rom.15-19; Mark.16:20). Wat een geweldig gebeuren zal dat geweest zijn. Een hele stad die, met betoon van tekenen en grote krachten, bevrijd wordt van het juk van een grote demonische macht, en tot bekering komt en zich laat dopen. Dat is door de bijzondere genade, of zoals men dat ook wel noemt, de grote zalving die op Filippus was. Verder werden de apostelen ingeschakeld voor de doop met de heilige Geest en het vestigen van een gemeente naar Efeze 2 vers 20.

Bekering van een enkeling

Vervolgens laat Filippus zich leiden door de heilige Geest om naar de weg te gaan die loopt van Jeruzalem naar Gaza. Hij ontmoet daar de Ethiopische kamerling. En uitgaande van het schriftwoord Jesaja 53, predikte hij Jezus aan deze man. Hij laat vervolgens deze man weer gaan bekeerd gedoopt in water en vervuld met de heilige Geest, want er staat: ‘De kamerling vervolgde zijn weg met blijdschap’ (Hand.8:26-40).

De Heer is met ontferming bewogen en geeft kracht voor een hele stad. maar evengoed voor de enkeling. In Handelingen 8 vers 40 lezen we nog van Filippus: ‘Maar Filippus bleek te Asdod te zijn; en hij trok rond om het evangelie te prediken aan alle steden, totdat hij te Caesarea kwam’.

Prachtige voorbeelden van een man Gods met de bediening van evangelist. Losgeslagen van de moedergemeente te Jeruzalem, door de zware vervolging die ontstond na de steniging van Stefanus, (die geleid werd door Saulus, later Paulus; Hand.7:54, 8:3) gaat deze man, door Gods Geest geleid, het evangelie verkondigen ‘aan alle steden van Israël’, staat er in Handelingen 8 vers 40.

Filippus ontmoet Paulus

En dan zien we later, als Paulus weet dat hij in Jeruzalem gevangen genomen zal wor-den, dat hij ook nog bij Filippus in Caesarea aangaat om daar verscheidene dagen te logeren. Wat zullen deze twee dienstknechten van God en Jezus Christus samen een vreugde beleefd hebben. Geen wrok meer om wat vroeger geschied was in Jeruzalem, maar één van Geest en één van geloof dezelfde Heer dienende.

En wat zullen ze elkaar bemoedigd hebben en gebeden hebben voor de slechte tijden die gingen komen, zeker voor Paulus. Want Agabus de profeet van Jeruzalem, die ook bij Filippus kwam, voorzegde slechte tijden voor Paulus (Hand.21:8-11).

Medearbeiders Gods

Timotheüs was door Paulus tot geloof gebracht. Hij noemt hem: ‘mijn geliefd kind’. Deze Timotheüs had ook de bediening van evangelist ontvangen. In 2 Timotheüs 4 vers 5 schrijft de apostel: ‘Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle’.

Timotheüs was nog jong en kennelijk lichamelijk niet zo sterk en nogal angstig (1 Tim. 4:12, 5:23; 2 Tim.1:6-8). Hij verrichtte zijn werk in en vanuit de gemeente die hij ook diende als leraar (1 Tim.4.11, 6:3).

Zo zijn in die begintijd evangelisten als Filippus, Timotheüs en anderen, rondgetrokken en zullen velen tot geloof gebracht hebben.

Opwekkingen

Er zijn in de loop van de kerkgeschiedenis altijd mensen uitgegaan om het evangelie te verkondigen. Soms ontstonden er geweldige opwekkingen.

Ook Nederland had in de jaren vijftig en zestig deel aan zo'n opwekking. Velen kwamen toen tot geloof door de prediking van Herman Zaiss, Tommy Lee Osborn, Johan Maasbach, Karel Hoekendijk en anderen.

Nu leven we in het laatst der dagen en zal ook deze bediening in de gemeente aanwezig behoren te zijn. De Heer Jezus zegt, en dat is zeker ook met het oog op deze tijd, dat de velden wit zijn om te oogsten en dan zegt Hij: ‘maar arbeiders zijn er weinig. Bidt daarom de Heer van de oogst, dat Hij arbeiders uitzende in Zijn oogst’ (Matth.9:38). Arbeiders, óf uitgaande van de gemeente óf werkend zoals Timotheüs in- en vanuit de gemeente.

De bediening van evangelist zal ook een functie hebben om de gemeente tot volwassen-heid in Christus te leiden. Wie zal de gemeente beter voor kunnen bereiden tot het komen tot 'dienstbetoon' dan juist ook de evangelist. De gemeente zal immers geheel gaan bestaan uit een koninklijk priestervolk met maar één taak, dienstbaar zijn aan God, aan Jezus Christus en de hele schepping.

 

De bediening van herder (9)

Als we nadenken over de bediening van 'herder' dan gaan de gedachten als vanzelf uit naar God en Jezus Christus. Het is moeilijk te zeggen welke bediening het belangrijkste is, maar als de herder ontbreekt kan de gemeente niet naar Gods wil en orde functioneren. Dan komt de gemeente een stuk liefdevolle zorg en leiding tekort. De herder is degene die ten nauwste betrokken is bij het hele wel en wee van de mensen in de gemeente.

Alle bedieningen zien wij functioneren in de Heer Jezus, maar juist in het herderschap komt het diepste wezen van God naar voren, namelijk Zijn liefde en bewogenheid. Lucas schrijft dat God omziet naar de mens met ‘innerlijke barmhartigheid’ (Luc.1:78). En die liefde en die barmhartigheid omvat alles wat schapen nodig hebben. Zorg, aandacht, warmte, vertroosting, losmaking of bevrijding, heling, zachtmoedigheid, geduld,...

Maar ook voor verzorging in de ruimste zin van het woord. Kundigheid om het juiste voedsel aan te reiken, de weg te wijzen, leiden naar het doel, vermanen en dat in liefde uit een rein hart, uit een goed geweten en een ongeveinsd geloof (naar 1 Tim.1:5).

God zelf de goede Herder

In het prachtige hoofdstuk 34 van Ezechiël, over God zelf als 'de goede Herder', verwijt Hij de leiders van Israël dat ze alleen maar aan hun eigen belangen denken. In vers 4

zegt God: ‘Het zwakke versterkt gij niet, ziekte geneest gij niet, gewonde verbindt gij niet, afgedwaalde haalt gij niet terug, verlorene zoekt gij niet, maar gij heerst over hen met hardheid en geweldenarij’.

Dit gaat God ontzettend ter harte en Hij trekt dan ook fel van leer tegen de zogenaamde herders. In vers 11 en 12 zegt Hij: ‘Zie, Ik zal zelf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien; zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis’.

In vers 23 en 24 lezen we hóe God zelf naar de schapen zal omzien, als Hij zegt: ‘Dan zal ik één herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. Ik, de Here, zal hun tot een God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de Here, heb het gesproken’.

Jezus de goede Herder

In Jezus Christus, Zijn Zoon, heeft God inderdaad zelf omgezien naar Zijn schapen, naar Zijn mensen (vs.31). Hij, Jezus, is de knecht David. Hij is de Herder en Hij is Koning in het midden van Gods volk, die God al aankondigde in Ezechiël 34.

In Johannes 10 vers 11 zegt de Heer Jezus: ‘Ik ben de goede Herder. De goede Herder zet Zijn leven in voor Zijn schapen’.

En als we de Heer Jezus zien staan temidden van het volk Israël, wenende en met ontferming bewogen, dan zien we God zelf staan temidden van Zijn volk en de wereld, want Gods Zoon is het zichtbare beeld van de onzichtbare Vader in de hemel (Col.1:15).

Als je aan Gods schapen (mensen) komt, dan kom je aan God zelf Dan komt God in beweging zoals Ezechiël 34 duidelijk laat zien.

 

Herders naar Gods hart

God zelf en Jezus Christus zijn hét grote voorbeeld voor de herdersbediening. Voor de hele periode van de gemeente, en zeker ook voor de eindtijd, ‘de tijd van wolken en duisternis’ (Ezech:34:12) is Gods belofte: ‘En Ik zal u herders naar mijn hart geven, die u zullen weiden met kennis en verstand’ (Jer:3:15).

De herders die de Heer als gave geeft aan de gemeente, 'herders naar Gods hart', zullen door de bijzondere genade deelgenoot zijn van het herdershart van de Heer zelf Ze zullen toegerust zijn met goddelijke kennis en verstand om de gemeente te leiden en te weiden.

Iedere bediening is een kanaal van de Heer waardoor Zijn bijzondere genade stroomt, maar bij de herder zal het wezen van de Heer zelf het duidelijkst naar buiten treden.

De herder zal op een bijzondere wijze de schapen bij elkaar weten te houden en direct opmerken als er wat broeit in de gemeente of dat sommigen afdwalen of geïsoleerd dreigen te raken van de kudde. Individualisme in een kudde kan absoluut niet. Dat kan iedere schaapherder u vertellen, zo'n schaap is ten dode opgeschreven.

Zoals de herder bij een kudde schapen altijd direct herkenbaar is, leunend op zijn staf, de kudde scherp in de gaten houdend of in actie bij een kuddedier in nood, zo is ook de herder in de gemeente herkenbaar voor de kudde. En zoals schapen al van verre de stem van de herder kennen, zo zal dat ook bij de gemeenteleden het geval dienen te zijn met hun herder of herders. Voor de nieuw binnenkomende in de gemeente is de herder wel de eerste om hem op te vangen en te verzorgen.

Mensen met een herdershart

Wat de wereld nodig heeft, zijn mensen met een herdershart. Iemand zou kunnen zeggen, nee, de schepping wacht op de zonen Gods. Dat is helemaal waar, maar deze zonen Gods zullen toch in hart en nieren 'herders' moeten zijn, zoals de Opperherder Jezus Christus (1 Petr.5:4).

Een herder is iemand die als het ware in de huid van het schaap kruipt om te voelen en te beleven wat het schaap voelt en beleeft. Dat is precies wat God heeft gedaan in Zijn Zoon Jezus Christus. En dat is ook precies wat de Heer Jezus heeft gedaan.

Er staat dat Hij het aan God gelijk zijn met alle heerlijkheid, heeft afgelegd en in alles aan de mensen gelijk geworden is (Filip. 2:5-7). En waarom? Waarom wilde God dat zo? (Hebr.2:10). ‘Opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou kunnen zijn’.

Om lijfelijk te ervaren wat de mensen lijden en ondervinden, om daardoor de mensen nu te hulp te kunnen komen. Hij kan in alles met ons meevoelen, in onze zwakheden, ver- zoekingen en lijden. Want daartoe is Hij juist arm en zwak geworden (2 Cor.8:9; Hebr. 2:17-18, 4:14-15).

Zo is Hij de Opperherder naar Gods hart, de knecht David, de Koning van Gods volk. Dit is ten diepste de gezindheid van Christus voor alle gelovigen, maar in het bijzonder

voor de herdersbediening. Zij zullen immers mee dienen te werken om juist ook het aspect van dienstbetoon in de gelovigen tot ontplooiing te brengen (Efez.4:12).

De herdersbediening roept over het algemeen weinig vragen op bij de gemeenteleden en wordt makkelijker als nuttig en nodig onderkend dan de andere bedieningen.

Mensen als schapen

Het is eigenlijk wel typerend dat God zelf het beeld van schapen en herder over Zijn volk heeft ingevoerd. Daar is aan de hand van de Bijbel, en ook vanuit lectuur wat daarover is, heel wat van te zeggen.

Uit alles blijkt dat het schaap het meest hulpbehoevende dier is als het gaat om het vinden van voedsel en goede verzorging. Als een schaap niet geleid wordt, blijft het op hetzelfde gebied lopen en maakt diepe sporen in het terrein waar ze steeds maar door blijven lopen. Ze zien er dan op den duur onverzorgd en verwaarloosd uit.

Vandaar ook dat Psalm 23 vers 3 zegt: ‘Hij leidt mij in de rechte sporen om Zijns Naams wil’.

Ik geloof dat God ons met deze beelden duidelijk wil maken dat de mens, wat zijn geestelijk leven betreft, niet buiten goede leiding en verzorging kan.

Dat kan in gemeenten nog wel eens op verzet stuiten omdat de geest van individualisme rondom de gemeente, in de wereld, hoogtij viert. Je raakt dan echter los van de kudde en wordt dwalende als schapen en ieder gaat zijn eigen weg, zegt Jesaja 53 vers 6. En mijn eigen weg gaan betekent in goed Nederlands: ‘Doen wat ik zelf wil en goed vind’. Daarom zit in het geven van de 'herdersbediening' al een diepe les voor Gods volk. Wie het ziet, ziet het!

Ook de prachtige herdersbediening moet ontdaan worden van het vertekende beeld wat ontstaan is in twintig eeuwen kerkgeschiedenis. Zeker in deze en de nog komende tijd, waar de problemen en psychische noden alleen maar groter dreigen te worden, mag deze bediening krach tig functioneren in de gemeente.

Maar ook deze bediening zal meewerken: ‘Om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus, totdat wij allen de eenheid des geloofs en der volle kennis van de Zoon Gods bereikt hebben, de mannelijke rijpheid, de maat van de wasdom der volheid van Christus’ (Efez.4:12-13).

 

De bediening van leraar (10)

‘Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die, niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is’ (1 Cor.2:12-14).

Met bovenstaande woorden in gedachten wil ik wat zeggen over de bediening van leraar, als vijfde genoemd in Efeze 4 vers.

De gehele gemeente behoort de Geest uit God ontvangen te hebben,

  1. wil je bij het lichaam van Christus behoren (Rom.8:9), en
  2. wil je kunnen verstaan wat ons door God in genade geschonken is.

Een ongeestelijk mens, die de Geest van God niet ontvangen heeft, of de Geest bedroeft en uitdooft, kan het niet verstaan en dan kunnen de meest heerlijke waarheden Gods overkomen als dwaasheid.

Deze woorden van Paulus bepalen ons er opnieuw bij dat de gemeente van Jezus Christus een geestelijke zaak is en alles wat de gemeente betreft slechts verstaan en begrepen kan worden door de heilige Geest.

Door de Geest geleerd

Het meest belangrijke voor de bediening van leraar is wat Paulus zegt: ‘Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn’.

Zodra de doop met de heilige Geest verdween, en dat was al heel spoedig na de dood van de apostelen, verdween ook de bediening van leraar uit de gemeenten. Er ontstond één grote wereldkerk met aan het hoofd de paus, die ook een grote politieke invloed uitoefende.

Zonder de heilige Geest echter is het lichaam dood en is de kerk geworden tot een wereldgelijkvormige organisatie met regels, bepalingen en wetboeken. Opleidingsinstituten moesten mensen gaan leveren die door veel studie bekwaam zouden zijn gemeenten en kerk te leiden. Dat is tot op de huidige dag nog zo in de gevestigde kerken, waarmee ik geen oordeel uitspreek over mensen die naar het licht wat ze hebben hun leven er voor inzetten.

Zo is er door de eeuwen heen een heel vertekend beeld ontstaan van de leraarsbediening. Het 'leraarsambt' was voorbehouden aan mannen met universitaire opleidingen en dure titels. Dus niet meer een spreken niet woorden die door de Geest geleerd zijn, maar veel meer voortkomend uit menselijke wijsheid.

De grote Leraar

In de Heer Jezus zien we de meest waarachtige leraar aller tijden. Als we de evangeliën lezen dan zien we Hem voortdurend als leraar de scharen onderwijzend, of onderricht gevend in de synagogen, of in het bijzonder zijn discipelen onderwijs gevend. Alles wat Hij sprak had wel betrekking op het leven van de mensen, maar dan wel een leven vanuit de geestelijke wereld, het Koninkrijk Gods. Zijn leer bracht de mens binnen in de bovennatuurlijke, de geestelijke wereld.

Hij zelf was niet van beneden, maar van boven. Niet uit de aarde maar uit de hemel (Joh. 3:31, 8:23). Hij was het 'Woord' dat vlees had aangenomen. Hij was het waarachtige geestelijke leven van de mensen en de openbaring van de Vader in de hemel. Wie Hem zag en hoorde, zag en hoorde de Vader. En door de heilige Geest sprak Hij woorden die geest en leven waren voor de toehoorders.

Wie het trachtte te verstaan vanuit menselijke wijsheid, daarvoor was het dwaasheid. Hij zegt zelf: ‘De Geest is het, die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot u gesproken heb, zijn Geest en zijn leven’ (Joh. 6:63). In Johannes 10 vers 10 zegt Hij: ‘Ik ben gekomen om leven te geven in overvloed’.

Dit behoort ook het kenmerk te zijn van de leraarsbediening zoals genoemd in Efeze 4 vers 11. Het gaat niet om de persoon (het vlees), maar of er woorden gesproken worden die geest en leven brengen in mensenlevens.

Niet zozeer dat die persoon veel weet van de Bijbel, want dat kan een natuurlijke bekwaamheid zijn, maar of de kracht van de heilige Geest zó werkt in z'n woorden dat het de toehoorders verlicht, overtuigt en leven geeft. Dat het juk van Satan, in leugen en misleiding, verbroken wordt door de waarheid die vrijmaakt.

Onderwijs geven

Er kunnen in de gemeente verschillende mensen onderwijs geven. En het is een genade om de gave te hebben dingen aan de mensen over te kunnen brengen. Romeinen 12 vers 7 zegt: ‘Wij hebben nu gaven, onderscheiden naar de genade, die ons gegeven is; ... wie onderwijst, in het onderwijzen’.

Sommigen kunnen van nature (als een gave) alles goed op een rijtje zetten, ook bijbelse zaken, en dit aan anderen leren, maar het is niet de 'leraarsbediening' zoals bedoeld in Efeze 4 en 1 Corinthe 12.

Aan oudsten wordt ook de voorwaarde gesteld dat ze bekwaam zijn te onderwijzen (1 Tim:3:2; 2 Tim. 2:24).

In Titus 1 vers 8 en 9 lezen we dat een oudste zich dient te houden aan 'het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen’.

Dit zijn voorwaarden die mede bepalend zijn of iemand als oudste in de gemeente aangesteld mag worden. En die aanstelling geschiedt door mensen die bekwaam zijn deze dingen te beoordelen. (Zie ook afl. 4 van 'Herstel van de gemeente', mei/juni 1998).

God stelt aan

Maar de bediening van leraar gaat daar bovenuit. Het is een gave die door de Heer, zonder tussenkomst van mensen, aan de gemeenten gegeven wordt. Niemand kan zichzelf de bediening van leraar toeëigenen. De apostel Paulus schrijft van zijn bediening in Galaten 1 vers 1: ‘Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader’.

Dat principe geldt voor alle bedieningen! In 1 Corinthe 12 vers 28 schrijft de apostel: ‘En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars...’

Ook mensen in de bediening van leraar stelt de Heer zelf aan met het doel als beschreven in Efeze 4 vers 12 tot 16. Het is door de bijzondere genade die de Heer verleent, dat iemand in de bediening van leraar mag dienen in de gemeente.

Deze bediening zal er ook toe bijdragen dat de eenheid van Gods volk, zoals de Heer dat bad tot de Vader in de hemel (Joh.17:20-23a), tot stand zal komen. Efeze 4 begint ook met een uiteenzetting over de eenheid van de gemeente (vs.1-6). Vers 13 zegt: totdat wij allen de eenheid des geloofs bereikt hebben’

Kenmerken van de leraar

Kenmerkend voor de leraarsbediening zal zijn: een grote liefde en eerbied voor Gods woord, de Bijbel. Maar niet minder voor de mensen waaraan hij de waarheden Gods tracht over te brengen. 1 Corinthe 13 vers 2 zegt: '... maar had ik de liefde niet, ik was niets’. Evenals voor de andere bedieningen geldt voor de leraar dat hij een hart dient te hebben als de Vader en de Zoon.

Voor hem geldt wel heel bijzonder het woord uit Psalm 119 vers 20: ‘Mijn ziel wordt verteerd van verlangen naar uw verordeningen te allen tijde’.

Belangrijk is dat hij gevoelig is voor de Geest der waarheid die in alle waarheid leidt en de toekomende dingen wil openbaren (Joh.16:13-14). Vanuit een goede gemeentevisie zal hij in staat zijn te verstaan wat de heilige Geest aan de gemeenten wil zeggen.

De ware leraar zal de waarheid van Gods woord verstaan en de vrijheid, het leven en de liefde van God, die daarin verborgen ligt voor de mensen. Hij zal het woord van God nooit voor iets anders gebruiken, dan om de mensen dichter bij het doel van God en Jezus te brengen.

Nooit mag het woord van God gebruikt worden als een stok om anderen te slaan of om een juk op te leggen. Daarvoor heeft God het niet gegeven en mag het derhalve nooit

gebruikt worden.

Hij zal nooit mogen proberen z'n recht of z'n gram te halen in wat hij zegt. Op dat zelfde moment is hij meer een spreekbuis van boze geesten dan een gave van de Heer aan de gemeente. Ook als er vermanend of corrigerend gesproken moet worden zal dat voort dienen te komen uit een rein en liefdevol hart en een goed geweten (naar 1 Tim.1:5).

De waarheid van Gods Woord dient waarlijk vrij te maken zoals de Heer Jezus zegt (Joh. 8:32). Het zal als een reinigend waterbad dienen te zijn voor de toehoorders.

Het is vooral de bediening van leraren waardoor de gemeente stabiel wordt in de waarheid en niet meer heen en weer geslingerd wordt door allerlei wind van leer (Efez.4:14).

Een leraar zal het geestelijke met het geestelijke kunnen vergelijken met woorden die door de Geest geleerd zijn. (De vertaling van professor Brouwer heeft: ‘Geestelijke zaken met geestelijke woorden uitleggen’ (1 Cor.2:13).

Hoofd en lichaam zijn één

De gemeente is zeer kostbaar voor God en Jezus en alles wat de gemeente betreft dient niet voort te komen uit menselijke wijsheid, maar door de heilige Geest geleerd te zijn (1 Cor.12:13). Dat geldt trouwens voor alle vijf genoemde bedieningen. Ook vormt de gemeente een onverbrekelijke eenheid met het Hoofd Jezus Christus. Toen Paulus de gemeente vervolgde sprak de Heer Jezus: ‘Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij’?

Alles wat in de gemeente gedaan wordt, hoe wij ons gedragen ten opzichte van elkaar, het is nooit los van Jezus het Hoofd. Je zou kunnen zeggen dat als je een lid vervolgt, pijn doet, kwetst of onteert, doe je dat ook aan het Hoofd, Jezus.

De gemeente is Zijn lichaam. Het zijn Zijn handen, Zijn voeten, Zijn mond, Zijn hulpverlening, maar vanuit het Hoofd is de leiding en de besturing van het gehele lichaam. Hier geldt wel heel bijzonder het woord: ‘Wees heilig, want Ik ben heilig, zegt de Heer’.

Iedereen is kostbaar

Het valt niet mee om los te komen van de oude kerkstructuren waar dat besef van het 'Lichaam van Christus' zo goed als helemaal verdwenen is en waar alles door gestudeerde mensen geregeld wordt van de wieg tot het graf.

leder gemeentelid is kostbaar en dient 'medegebouwd' te worden tot een woonstede Gods in de Geest’ (Efez.2:22).

Niet alleen de leiding en de bedieningen zijn belangrijk, maar ieder gemeentelid, met z'n specifieke talenten en werkingen is kostbaar voor het functioneren van het lichaam en kan niet gemist worden. Dit besef is al voor een (groot) deel terug in de gemeenten, maar het dient weer te gaan functioneren zoals Efeze 4 vers 16 zo prachtig zegt: ‘En aan Hem ontleent het gehele lichaam als een welsluitend geheel en bijeengehouden door de dienst van al zijn geledingen naar de kracht, die eik lid op zijn wijze oefent, deze groei des lichaams, om zichzelf op te bouwen in de liefde’.

 

Het functioneren van de bedieningen (11)

Nadat in de voorgaande nummers de vijf bedieningen uit Efeze 4 (apostel, herder, profeet, leraar en evangelist) successievelijk besproken zijn, volgen nu in een tweetal slotartikelen nog enkele algemene opmerkingen.

 

Door de Heer ingesteld

We leven in een tijd waarin de mens zich nog maar moeilijk aan gezag kan onderwerpen. Wat in de wereld heerst wil ook altijd de gemeente binnendringen. Mensen die de Heer zelf wil geven ten dienste van de gemeente, en ook geestelijk gezag van Hem ontvangen, dienen door de gemeente herkend en erkend te worden. Zo niet, dan kunnen de bedieningen niet functioneren en tot zegen zijn.

Een redenering zou kunnen zijn dat de bedieningen misschien in de begintijd wel nodig zijn geweest, maar nu we de Bijbel hebben en de mens zoveel mondiger is geworden, zou het niet meer zo nodig zijn. (Dit volgens commentaren).

Zou het trouwens wel van de Heer zijn? Is het niet een latere Paulinische ontwikkeling, zoals wel door de moderne theologie beweerd wordt?

In Handelingen 13 vers 1 tot en met 3, waar geschreven wordt hoe Paulus tot de bediening van apostel geroepen werd, lezen we in vers 1: ‘Nu waren er te Antiochië in de gemeente aldaar profeten en leraars’, die dan vervolgens bij name genoemd worden.

Er waren dus al profeten en leraren vóór Paulus tot apostel geroepen werd.

De bedieningen zijn dus niet door Paulus ingesteld, maar door de Heer zelf, waarbij de heilige Geest duidelijk leiding gaf (vs.2). Van de gemeente te Jeruzalem lezen we van 'profeten', genaamd Judas en Silas (Hand.15:22 en 32). Ongetwijfeld zullen daar de andere bedieningen ook gefunctioneerd hebben.

Als Paulus de brieven schrijft aan de Korinthiërs en de Efeziërs en daarin schrijft over de bedieningen, dan schrijft hij niet iets nieuws wat die gemeenten moesten in gaan voeren, maar over iets wat vanaf het begin zo geweest is omdat het een instelling van de Heer zelf is en overeenkomstig Zijn wil is.

De Heer geeft, nu Hij gezeten is aan de rechterhand Gods, de bedieningen als een gave in de gemeenten. Hij gaat alles tot volheid brengen, maar werkt met en door mensen die Hij geeft en door genade bekwaam maakt. Het zijn Zijn helpers, Zijn 'medearbeiders'. Paulus zegt in 1 Korinthe 3 vers 9: ‘Want Gods medearbeiders zijn wij; Gods akker, Gods bouwwerk zijt gij’.

Meerdere bedieningen

Het is ook mogelijk dat één persoon van de Heer meerdere bedieningen ontvangt. Een bijbels voorbeeld is Timotheüs. Hij had de bediening van evangelist ontvangen, waaraan Paulus hem in zijn schrijven herinnert. Wij lezen in 2 Timotheus 4 vers 5: ‘Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle’.

Uit beide brieven blijkt echter duidelijk dat Timotheüs ook als leraar functioneerde in de gemeente van Efeze, waar hij krachtig op moest treden tegen dwaalleringen die sommigen de gemeente binnen wilden brengen.

In 1 Timotheüs 4 vers 11 tot 16 schrijft de apostel: ‘Beveel en leer dit. Niemand schatte u gering om uw jeugdige leeftijd, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geloof en in reinheid. In afwachting van mijn komst moet gij u toeleggen op het voorlezen, het vermanen en het leren. Veronachtzaam de gave in u niet, die u krachtens een profetenwoord geschonken is onder handoplegging van de gezamenlijke oudsten.

Behartig deze dingen, leef erin, opdat aan allen blijke, dat gij vooruitgaat. Zie toe op uzelf en op de leer, volhard in deze dingen; want door dit te doen zult gij zowel uzelf als hen, die u horen, behouden’.

In de brieven van Paulus zien we ook duidelijk dat hij, naast geroepen apostel, ook leraar was.

Bij apostelen en evangelisten zien we tekenen die de bediening bevestigen (zie bijv. 2 Kor. 12:12; Rom.15:18-19; Hand. 8:4-13). Dit zijn de grondleggers van de gemeenten, waarbij de Heer de belofte heeft gegeven dat Hij met tekenen en wonderen zal meewerken om het gepredikte woord te bevestigen. (Marc.16:20; Hand.4:29-3O).

Bij de bedieningen van profeten, herders en leraren wordt dit niet zo duidelijk als een belofte gegeven. ik geloof echter, dat door de kracht van de heilige Geest die door hen heen werkt, bevrijdingen en genezingen plaats kunnen vinden, hoofdzakelijk van de innerlijke mens.

Samengaan is ook mogelijk

Wij hebben gezien dat de geestelijke leiding van een gemeente berust bij een oudstenraad, die aangesteld wordt (zie afl. 4, mei/juni 1998). Het is heel goed mogelijk dat een bediening samengaat met het oudstenschap. Vaak zie je dit bij de bediening van herders.

In 1 Timotheüs 5 vers 17 schrijft Paulus: ‘De oudsten, die goede leiding geven, komt dubbel eerbewijs toe, vooral hun, die zich belasten met prediking en onderricht’. Hieruit zien we dat oudstenschap en leraarsbediening samen kunnen gaan.

Het allerbelangrijkste is dat bij alles goed gelet en geluisterd wordt naar de leiding van de heilige Geest. Dit dient de gemeente zich bewust te zijn en door gebed heen de Geest de kans geven te spreken. In Handelingen 13 vers 2 hebben we gezien dat er gebeden en gevast werd bij de dienst des Heren en dat de heilige Geest toen sprak: ‘Zondert Mij nu af..’, enz.

Enkel dienstbaarheid

Welke dienst of bediening iemand ook verricht er zal altijd onderwerping aan anderen dienen te zijn. In de gemeente van Jezus Christus past geen enkele vorm van heerschappij. Alles zal hecht samen dienen te werken om het doel van God met Zijn volk te bereiken. Ook dient er te allen tijde openheid en bereidheid te zijn tot correctie.

De één mag zich nooit boven de ander verheffen.

Voor de leiding en de bedieningen geldt wel heel bijzonder het woord uit Filippenzen 2 vers 3 en 4: ‘Zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen’.

Alles in de gemeente kan alleen maar gedaan worden door de genade die de Heer verleent. De apostel Petrus schrijft hierover: ‘Dient elkander, een ieder naar de genade- gave, die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods. Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God; dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleend, opdat in alles God verheerlijkt worde door Jezus Christus, aan wie de heerlijkheid is en de kracht, in alle eeuwigheid! Amen' (1 Petr.4:10-11).

Voortgaande ontwikkeling

Hebben we nu alles gezegd over de bedieningen? Hebben we alles gezegd over het herstel van de gemeente? Neen, dat zou ook niet kunnen want dat is een voortgaande ontwikkeling tot de grote dag van Jezus Christus als het geheimenis Gods, de gemeente, voltooid zal zijn (Openb.10:7; 2 Thess.1:10).

We hebben hooguit geprobeerd te laten zien wat Gods woord er van zegt. Dat weer onder het stof van 20 eeuwen kerkgeschiedenis vandaan trachten te halen.

Wel vanuit het geloof dat, wil de gemeente tot eenheid en tot volheid komen, deze bijbelse principes en fundamenten in de eindtijd zeker zo nodig zijn als in de begintijd.

Zullen dan de vijf genoemde bedieningen in iedere gemeente weer aanwezig gaan zijn, ongeacht hoe groot of hoe klein de gemeente is? Ik geloof dat de Heer dát wil geven en dát zal geven aan de gemeente, wat nodig is om het doel te bereiken. En als het niet aanwezig is dan zal er van buitenaf in voorzien worden. Dat zal ook door gemeenten verstaan moeten worden.

Uit bijna alle brieven kunnen we lezen dat er in de begintijd ook rondreizende apostelen, profeten en leraren waren die door de gemeenten van de Heer als gezanten van Hem ontvangen werden. Johannes schrijft in dat verband over het beproeven van de geesten of ze wel uit God zijn (1 Joh.4:1). Dat is zeker ook in deze tijd van groot belang. Ook nu zijn niet alle mensen die zich aandienen uit God.

De apostelen moesten vaak ten strijde trekken tegen dat wat door valse dienstknechten was binnen gebracht (zie de brieven).

Op bijbelse gronden kunnen we echter ook zeggen dat in grote gemeenten meerdere mensen met dezelfde bediening aanwezig waren, die uitgingen om anderen te dienen. We hebben dat gezien bij de gemeente te Jeruzalem en te Antiochië.

Het laatste der dagen

In de voorgaande tien afleveringen hebben we stil gestaan bij de ontwikkeling van de gemeente van Jezus Christus in deze eeuw, die z'n weerga niet kent in de kerkgeschie- denis. Het begon maar heel klein, toen enkele mensen in Amerika op gebed weer gedoopt werden met de heilige Geest en in nieuwe tongen spraken, maar het is uitgegroeid tot een wereldwijde uitstorting van de heilige Geest op alle rassen, volken, natiën en talen.

De grote belofte Gods is: ‘En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van Mijn Geest op alle vlees’ (Hand.2:17a). De toename van het aantal pinksterchristenen is groter dan van welke andere geloofsrichting.

De Bijbel is het meest verkochte boek ter wereld; liefst vierenveertig miljoen,exemplaren per jaar.

Paulus schrijft over de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk Gods in zijn tijd en zegt: ‘Over de ganse aarde is hun geluid uitgegaan en tot de einden der wereld hun woorden’ (Rom.10:18b). En in Kolossenzen 1 vers 6a zegt hij: ‘Immers in de gehele wereld draagt het vrucht’.

Dat is bezig zich op wonderlijke wijze te herhalen in deze tijd. Nu zal het evangelie gepredikt worden aan circa zes miljard mensen. En overal vandaan lees je en hoor je van de tekenen en wonderen waarmee de Heer ook nu het gepredikte woord bevestigt (naar Marc.16:20.

Wij zijn deze serie begonnen met de woorden uit de profetie van Zacharia, waarbij hij de opdracht krijgt van de Here om te prediken: ‘Ik ben voor Jeruzalem en voor Sion in grote ijver ontbrand. Daarom, zo zegt de Here: Ik keer in erbarming tot Jeruzalem weder; mijn huis zal daarin gebouwd worden, luidt het woord van de Here der heerscharen en het meetsnoer zal over Jeruzalem gespannen worden. Predik verder: Zo zegt de Here der heerscharen: Wederom zullen mijn steden overvloeien van het goede; nog zal de Here Sion troosten, Jeruzalem nog verkiezen’ (Zach.1:14b; 16-17).

Deze woorden zijn gesproken met het oog op de gemeente van Jezus Christus in de eindtijd. Immers het gehele boek Zacharia spreekt over het laatst der dagen en over de genade voor de gemeente (1 Petr.1:10-12).

God staat op voor Zijn volk

We willen hier ter aanvulling nog bij noemen het woord uit Psalm 102, wat ook spreekt over de eindtijd, door de Psalmist genoemd, 'de bepaalde tijd': ‘Maar Gij, o Here, troont voor eeuwig, uw naam blijft van geslacht tot geslacht. Gij zult opstaan, U over Sion erbarmen, want het is tijd haar genadig te zijn, want de bepaalde tijd is gekomen’ (vs.13-14).

Deze verzen zeggen dat God voor eeuwig troont en dat Hij op de bepaalde tijd opstaat ten gunste van Zijn volk. En als God opstaat dan gebeuren er geweldige dingen; dan komt hemel en aarde in beweging. Psalm 68 vers 2 zegt: ‘God staat op, zijn vijanden worden verstrooid, zijn haters vluchten voor zijn aangezicht’.

En Jesaja 33 vers 3 schrijft: ‘Voor daverend rumoer vluchten natiën weg; als Gij U verheft, stuiven volken uiteen’. Als God in actie komt weet de duivel en z'n rijk dat hun einde gekomen is.

We zien deze reacties in het rijk van Satan in de dagen van de Heer Jezus letterlijk in vervulling gaan. Er brak oorlog uit in de geestelijke wereld. De boze geesten, de vijanden van God en mens, werden aangewezen als de grote boosdoeners. Ze werden openlijk tentoongesteld en we lezen in de evangeliën dat ze vaak schreeuwend van angst de mensen verlieten. Een legioen boze geesten, die zich in een mens hadden gevestigd, vluchtte in paniek in een kudde zwijnen. De Heer Jezus werd gehaat door de duivel en z'n rijk, wat tot uiting kwam door de religieuze leiders van die tijd, die Hem voortdurend zochten te doden.

In het boek Handelingen lezen we soortgelijke toestanden als apostelen en andere dienstknechten het evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen. Vele dienstknechten Gods moesten het met hun leven betalen. (Slot volgt)

 

De geestelijke eindstrijd (12)

Er is een gigantische strijd ontbrand in de geestelijke wereld, wat in de eindtijd z'n hoogtepunt zal bereiken. De put van,de afgrond is geopend en horden boze geesten over-spoelen de aarde (Openb.9:2). Er is een enorme haat van de Satan tegen het waarachtige volk van God. Het volk dat breekt met alle ongerechtigheid en uit het babelse wegtrekt. Het volk dat staat op het bijbelse fundament en zich uitstrekt naar de geestelijke volwassenheid in Christus; aan het beeld van de Zoon van God, Jezus Christus, gelijkvormig.

Door alle eeuwen heen zijn velen gedood om het Woord van God en het getuigenis dat ze hadden (Openb.6:9).

Ook nu hoe horen we van vervolgingen, martelingen en het doden van christenen. Het getal der martelaren wordt volgemaakt; gelovigen die hun leven niet lief hebben tot in de dood (Openb.6:11, 12:11).

Oordeel en verdrukking

Het laatste der dagen is ook de tijd van oordeel en verdrukking voor het volk van God.

De waarachtige gelovigen zullen alle (geestelijke) zeilen bij moeten zetten in deze tijd om niet meegezogen te worden met een steeds goddelozer wordend weteldstelsel. Door de genade en de kracht van de heilige Geest zal het echter mogelijk zijn staande te blijven. De grote wereldkerken doen alle moeite om zich steeds maar aan te passen aan de antichristelijke trends, om nog maar mensen binnen de muren te houden.

Theologen van naam loochenen de meest fundamentele waarheden over God, Jezus Christus en het christelijk geloof ‘God heeft geen Zoon’! wordt door veel christenen net zo hard geroepen als door Moslims. Geen Zoon, dan dus ook geen verzoening! Trouwens waarvoor verzoening? Wij zijn toch als mens helemaal goed? hoort men dan.

De betrouwbaarheid van de Bijbel wordt steeds openlijker in twijfel getrokken.

Dit beukt allemaal tegen de gemeente van Jezus Christus aan, waar juist gezocht wordt naar een verdergaande openbaring van de heilige Geest en een diepere reiniging en heili- ging door het Woord der waarheid.

De valse eenheid

De grote hoer, die we in Openbaring 17 vers 1 tot en met 5 beschreven zien, gebruikt vroomklinkende woorden en argumenten om te komen tot een soort eenheid van alle mogelijke godsdiensten en religies. in haar beker kan alles gemengd worden, want die is vol van de gruwelen en de onreinheden van haar hoererij (vs.4).

Dat is niet de eenheid waar de Heer Jezus om bidt in het Hogepriesterlijke gebed (Joh. 17:20- 23).

Juist ook in gemeenten met Geestvervulde mensen wil deze geest van tolerantie slachtoffers maken. Er wordt dan gezegd: Het zijn toch allemaal lieve kinderen Gods?

En de alverzoenings gedachte die zegt: Als God liefde is, dan zal er niemand verloren gaan. Wat maakt het dan allemaal nog uit? In plaats van de roeping en verkiezing vast te maken, verwerpt men dit als zou het hoogmoed en liefdeloosheid zijn ten opzichte van anderen.

Hoe schokkend is het wat Johannes ziet. Hij schrijft in vers 6: ‘En ik zag de vrouw dronken van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verbaasde mij, toen ik haar zag, met grote verbazing’. (We moeten hierbij niet denken aan een lichamelijke dood!) Johannes heeft gezien wat juist ook in onze tijd z'n vervulling gaat vinden. Velen laten zich misleiden en wijken van de ene ware weg af en zwichten voor de verleidingen van de grote hoer. Zo wordt de hoer dronken van het bloed (het leven) der heiligen.

Verleiding en misleiding

Als je het leest in Openbaring 17 vers 4 dan is de grote hoer gekleed en versierd als was het allemaal goddelijke heerlijkheid. Vandaar dat de misleiding en verleiding zo intens is voor het volk van God. Het lijkt allemaal zo mooi, zo liefdevol, zo goed en echt!

Eén van de trucs is om gelovigen te verblinden voor de strijd in de hemelse gewesten. De geestelijke wapenrusting wordt dan in de kast gezet. 'Niet altijd over machten bezig zijn, zegt men dan. De Heer Jezus heeft ons toch wel duidelijk laten zien dat in alle ontwrichting en noden van mensen de machten van Satan werken. Het bekende woord van Petrus in Handelingen 10 vers 38 zegt van Jezus van Nazareth: ‘Hoe God Hem met de heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, DIE DOOR DE DUIVEL OVERWELDIGD WAREN; want God was met Hem’.

Als de gelovige zijn eigen hof niet meer bewaakt, wordt hij een prooi van de misleidingen van boze geesten.

Een andere tactiek is om de aandacht van de rechte prediking en goed bijbels onderricht af te buigen naar diensten die zielestrelend moeten zijn voor de aanwezigen. Steeds moet er naar iets nieuws gezocht worden om de samenkomsten tot een soort religieus vermaak te laten zijn voor het volk. Wat wordt er tegenwoordig niet allemaal vanaf het podium geïntroduceerd wat wel een schijn van vroomheid heeft, maar veel meer tot verheerlijking is van bepaalde leiders en het volk misleidt. Arme herders en arme schapen!

De werking van de grote hoer achter al het babelse vertoon wordt vaak maar slecht onderkent.

Bedrieglijke arbeiders

De Heer Jezus zelf, en verder ook het hele Nieuwe Testament, waarschuwt voor valse christussen, apostelen, profeten en leraren, die altijd de gelovigen op dwaalwegen willen

leiden. In de rede over de laatste dingen in Matthéüs 24, Marcus 13 en Lucas 21 zegt de Heer dat vele valse profeten op zullen staan en dat vele uitverkorenen verleid zullen worden.

Hij spreekt van grote tekenen en wonderen die gedaan zullen worden om de uitverkorenen te verblinden en achter zich aan te trekken. Er zal geroepen worden: ‘Zie hier is het of daar is het’, maar de Heer zegt: ‘gaat er niet heen en loopt er niet achter aan’ (Luk.17:23).

Wat herkenbaar is dit toch allemaal in deze tijd!

Juist als de bedieningen weer hersteld worden in de gemeente, komt de duivel met zijn dienstknechten. Ze komen dan als engelen des lichts, zegt Paulus, maat het zijn bedrieg-lijke arbeiders en dienaren van de duivel (2 Cor.11:13-15). De Heer Jezus spreekt van: ‘roofgierige wolven in schapenvacht’ (Matth.7:15). Waarom laten toch zoveel gelovigen toe dat ze door leiders gemanipuleerd en misleid worden?

Anderen worden beïnvloed door de schier eindeloze informatiestroom. Boeken, tijdschriften, audio- en video banden, artikelen, nieuwsbrieven, radio en tv-uitzendingen, internet, enz. Men kan gestrest raken als je denkt alles bij te moeten houden, maar van de meest kostbare informatiebron -de Bijbel- word je afgehouden.

Wij hebben in de verschillende artikelen duidelijk gezien hoe belangrijk de gemeente van Jezus Christus is, wil de gelovige bescherming en geestelijke vorming genieten om tot geestelijke volwassenheid te komen. Verschijnt er dan lectuur waarin iemand beweert dat deelhebben aan een plaatselijke gemeente niet belangrijk is, dan verdwijnen gelovi- gen zomaar onder het mom van: 'wij behoren toch bij de wereldwijde universele gemeente'! Zo worden vele gelovigen zwervers, schapen die geen beschutting, bescherming en leiding ontvangen en een prooi worden van het wild gedierte.

Wat is het juist nu in onze tijd nodig dat er goede, vaste geestelijke leiding is in de gemeente, met een heldere visie en boodschap op het plan van God; dat de bedieningen en de gaven van de heilige Geest weer naar Gods orde gaan functioneren.

Volharden tot het einde

Zijn we dan niet met een hopeloze zaak bezig? Neen en nog eens neen! God heeft zijn Koning gesteld over Sion, Zijn heilige berg, leert Psalm 2:6. De Heer en Koning van de gemeente is Jezus Christus, de Zoon van God. Hij is gezeten aan de rechterhand Gods, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. God heeft alles onder Zijn voeten gesteld (Efez.1:20-22; Matth.28:18). Hij is het Hoofd van alle overheid en macht

(Col.2:10). En vanuit Zijn verheven positie zal Hij alles tot volheid brengen (Efez.4:10). Hij zal zijn gemeente bouwen en tot volwassenheid leiden.

Wie in Hem blijft heeft niets te vrezen. Waar het op aan komt is de waarheid onverkort lief te blijven hebben en daarin ook te wandelen en te leven, dwars tegen alle verleiding en misleiding van de vijand in (zie 2 Thess.2:10). En dit niet voor een poosje, maar volhardend tot het einde toe. De Heer Jezus roept ons op om daarbij waakzaam te blijven, ook als Zijn komst langer duurt dan gedacht wordt. (Marc.13:32-37). Hij zegt: ‘Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden’ (Matth.24:13).

En als alle bewoners van de aarde het beest achterna lopen en aanbidden, behalve hen van wie de namen staan opgetekend in het Boek des Levens van het Lam, dan zegt Openbaring 13 vers 10c: ‘Hier blijkt de volharding en het geloof der heiligen’.

De Heer leidt Zijn volk door deze verdrukking heen naar de overwinning. De geweldige belofte Gods die wij hier bij hebben is: ‘Gij hebt geen bovenmenselijke verzoeking te doorstaan. En God is getrouw, die niet zal gedogen, dat gij boven vermogen verzocht wordt, want Hij zal met de verzoeking ook voor de uitkomst zorgen, zodat gij ertegen bestand zijt’ (1 Cor.10:13).

Het geheimenis Gods is voltooid. Er is nog veel te schrijven wat de gemeente van Jezus Christus betreft en er zal ook nog veel geschreven worden, voor de grote dag aanbreekt dat de zevende bazuin zal klinken en de Heer terug zal komen. Dat zal een ongekende nieuwe tijd inluiden voor de ganse zuchtende schepping. De gemeente, wat het geheimenis Gods genoemd wordt, is dan voltooid zegt Openbaring 10 vers 7.

De volmaakte, heilige en onberispelijke gemeente zal er dus komen naar Gods beloften! In Openbaring 14 vers 1 tot en met 5 wordt deze volmaakte en verheerlijkte gemeente getoond aan Johannes en als volgt beschreven: ‘En ik zag en zie, het Lam stond op de berg Sion en met Hem honderdvierenveertigduizend, op wier voorhoofden zijn naam en de naam zijns Vaders geschreven stonden. En ik hoorde een stem uit de hemel als de stem van vele wateren en als de stem van zware donder. En de stem, die ik hoorde, was als van citerspelers, spelende op hun citers; en zij zongen een nieuw gezang vóór de troon en vóór de vier dieren en de oudsten; en niemand kon het gezang leren dan de honderdvierenveertigduizend, de losgekochten van de aarde. Dezen zijn het, die zich niet met vrouwen hebben bevlekt, want zij zijn maagdelijk. Dezen zijn het, die het Lam vol- gen, waar Hij ook heengaat. Dezen zijn gekocht uit de mensen als eerstelingen voor God en het Lam. En in hun mond is geen leugen gevonden; zij zijn ONBERISPELIJK’

Amen!

 

 

 

 

 

Bovenstaande is overgenomen uit het geloofsmagazine ‘Levend Geloof’, de nummers 390, 392, 393, 394, 395, 396, 397, 398, 399, 400, 401, 402.

Uitgaven van: Stichting Levend Geloof,

Postbus 101, 8180 AC Heerde.

Sluis, november 2002, C. du Fossé